Drones en de moraal van oorlogvoering

Doden op afstand

Waar geen soldaat zijn leven riskeert, wordt de oorlog tot terreur. Is het moreel verwerpelijk om vanuit een gemakkelijke stoel met behulp van een joystick mensen te doden?

Drones (onbemande vliegtuigjes) zijn militair-technisch ongetwijfeld een vooruitgang. Maar zijn ze dat in ethisch opzicht ook, nu de eigen soldaten niet meer in levensgevaar verkeren? Is de inzet van het eigen leven geen noodzakelijke voorwaarde voor de rechtvaardiging van het doden van de tegenstander in een oorlog? Volgens de erecode der ridders, die maatgevend is geweest voor de westerse voorstelling van de militaire eer, is het niet eervol de vijand aan te vallen zonder jezelf in gevaar te brengen. Het is louter eervol de vijand op het slagveld te doden. Oneervol is het de vijand op achterbakse wijze om te brengen, bijvoorbeeld door vergiftiging.

Belangrijk voor het concept van de rechtvaardigheid in de strijd is de symmetrie van de middelen. Als de tegenstander alleen maar een zwaard heeft, is het gebruik van een kruisboog verwerpelijk. Daarom komt de inzet van drones op de getroffen moslims over als laf en onethisch. Het doden via een muisklik komt voor hen op hetzelfde neer als een achterbakse moord. In de geschiedenis van de oorlog zijn er steeds weer pogingen ondernomen de geoorloofde middelen om te doden te beperken. Die pogingen dienden, om met Carl Schmitt te spreken, ter ‘bescherming van de oorlog’. Zo werd bijvoorbeeld tijdens het tweede Lateraanse Concilie van 1139 bij oorlogen tussen christelijke vorsten en volkeren de inzet van afstandswapens verboden.

In zijn beroemde verhandeling Vom Krieg (1832) definieert Clausewitz de oorlog als een tweestrijd: ‘Wij zullen hier niet eerst met een onbeholpen definitie van de oorlog komen, maar ons beperken tot het kernelement, dat van de tweekamp. De oorlog is niets anders dan een uitgebreide tweestrijd.’ Een geordende, aan regels onderhevige tweestrijd – alleen daarom kan Clausewitz de oorlog ‘politiek met andere middelen’ noemen, zoals zijn beroemde formule luidt. De nadruk ligt daarbij niet, zoals gewoonlijk wordt aangenomen, op ‘andere middelen’, dus op het geweld, maar op de politiek. Omdat de oorlog politiek is en blijft, kan er ook een einde aan de oorlog komen en vrede worden gesloten. Daardoor wordt de terugkeer mogelijk naar een politiek met geweldloze middelen.

De regels voor het doden, waartoe alle oorlogsdeelnemers zich verplichten, zorgen ervoor dat er na de oorlog genoeg ruimte overblijft voor politieke onderhandelingen. Het niet aan regels gebonden doden vernietigt daarentegen de ruimte voor de politiek. De oorlog als uitgebreide tweestrijd onderscheidt zich in fundamentele zin van de gevechtshandeling, die vandaag de dag steeds meer overkomt als wederzijdse terreur en moord aan gene zijde van de rechtsstaat en het volkenrecht.

In de plaats van oorlogen tussen staten onderling zijn er tegenwoordig burgeroorlogen of operaties tegen niet-statelijke ‘partijen’ als terreurnetwerken. De ‘ontstatelijking’ van de oorlog leidt tot de ‘ontpolitisering’ ervan, die vervolgens ook de ‘ontmoralisering’ en het ‘onbeschermd zijn’ van de oorlog met zich meebrengt. In de nieuwe oorlogen is het doden niet langer gebonden aan regels die de oorlog begrenzen. De vijand, waartegen een oorlog in klassieke zin werd gevoerd, was geen misdadiger die hoe dan ook vernietigd moest worden. Hij was veeleer een gelijkberechtigde tegenstander, die moest worden overwonnen. Zo werden de vijand dezelfde rechten toegekend als de eigen strijders. De oorlog volgde vaste regels. Een ethisch minimum garandeerde dat het daadwerkelijk bij het voeren van politiek met andere middelen bleef. Daarom was het verboden strijders die zich niet op het slagveld bevonden te doden.

De oorlog van de drones is geen tweegevecht. De tegenstander wordt niet eens de mogelijkheid gegund zich over te geven of te verdedigen. Hij is geen vijand in de eigenlijke zin, maar een misdadiger. Daarom wordt deze vorm van doden ook niet door het leger, maar door de burgerlijke geheime dienst bedreven. De ontmenselijking en criminalisering van de misdadiger zijn voorwaarden voor het doelbewust doden.

De oorlog van de drones werpt zowel juridische als ethische vragen op. Critici menen dat hier sprake is van buitengerechtelijke executies. Mensen zouden vaak op basis van twijfelachtige criteria worden terechtgesteld, zonder dat hun schuld bewezen is. Alleen al een verdenking zou genoeg zijn om ze te mogen doden. Het doel­bewust doden met behulp van drones zou tegen de principes van de rechtsstaat ingaan. De voorstanders wijzen daarentegen op hun zelfverdedigingsrecht. Artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties luidt: ‘Dit Handvest beperkt in geval van een gewapende aanval op een lidstaat van de Verenigde Naties geenszins het natuurlijke recht op individuele of collectieve zelf­verdediging.’

Rechtswetenschappers van de universiteiten van Stanford en New York komen in hun onlangs gepubliceerde studie Living Under Drones tot het oordeel dat het preventief doden met behulp van drones de terroristische dreiging niet heeft verminderd. Die dreiging zou sinds de inzet van drones zelfs sterk zijn toegenomen, omdat er wraakzucht en haat door wordt opgeroepen. De in de lucht cirkelende drones zouden hele bevolkingen en hele regio’s terroriseren. Uit angst zouden mensen niet meer naar de markt of naar de moskee durven gaan. Sinds 2004 zouden door aanvallen met drones meer dan drieduizend mensen zijn gedood, waaronder veel burgers en ook kinderen.

Met het oog op het relatief lage terreur­gevaar in het Westen is de vraag gerechtvaardigd hoe proportioneel en zinvol deze moordacties zijn. De tegenstanders zijn in dit verband nader bezien niet eens misdadigers, want ze worden al gedood zonder dat ze zijn gearresteerd en voor de rechter zijn gevoerd. Of moet men zich hen voorstellen als absolute misdadigers, als vertegenwoordigers van het absolute kwaad?

Ook voor wapens geldt de stelling van Marshall McLuhan: ‘The medium is the message.’ Het medium bestemt het denken en het gedrag. Daarom is de inzet van een nieuw vernietigingsmedium geen louter technische vernieuwing. Zij kan zelfs een nieuwe definitie van de oorlog noodzakelijk maken. Carl Schmitt vond de invoering van jachtbommenwerpers al een dramatische verandering. In de luchtoorlog zou (afgezien van duels tussen jachtvliegtuigen) geen sprake zijn van een strijd op gelijke voorwaarden. Het nieuwe vernietigingsmedium zou de oude aardse, dat wil zeggen de op de aarde betrekking hebbende ordening en topologie van de oorlog, de ‘nomos’ van de aarde zelf ter discussie stellen.

Bij een confrontatie van strijdende partijen op de grond is in principe sprake van gelijkwaardige tegenstanders. De vijand is een justus hostis, een vijand met gelijke rechten. De ruimtelijke en juridische gelijkwaardigheid vloeien uit elkaar voort. In de luchtoorlog is er geen werkelijke confrontatie, geen strijd van aangezicht tot aangezicht. Het gebruik van een gevechtstoestel zorgt voor een hiërarchie, een verticale topologie, waardoor de topologie van de conventionele oorlog haar geldigheid verliest. De superioriteit in topologische zin, dat wil zeggen het feitelijk superieur zijn aan de tegenstander (namelijk hoog in de lucht), brengt een andere houding tegenover de tegenstander met zich mee. De asymmetrie van het vernietigingsmedium verleidt de bovenliggende partij tot een heel andere kijk op de onderliggende partij. Daardoor komt Carl Schmitt in Nomos der Erde tot een fascinerende stelling: ‘De boven­liggende partij ziet de superioriteit van zijn wapens als het bewijs van zijn justa causa (rechtvaardige zaak) en beschouwt de vijand als een misdadiger, omdat men het begrip van de justus hostis (de vijand met gelijke rechten) uit het oog verloren is.’

Bij de inzet van drones is deze asymmetrie totaal geworden. De bestuurder van de drone bevindt zich niet eens op de plek waar het doden plaatsvindt. Alleen al deze totale ongelijkheid zorgt ervoor dat het oorlogsconcept achterhaald is. Carl Schmitt zegt: ‘Bij de traditionele oorlog hoort een zekere kans, een minimale mogelijkheid voor beide partijen om te winnen. Als dat niet langer het geval is, wordt de tegenstander louter het object van een dwangmaatregel.’

Het doden als dwangmaatregel houdt echter niet alleen het einde van de oorlog in, maar ook van de politiek. Het doelbewust doden met een muisklik lijkt op een soort mensenjacht, die meedogenlozer en wreder is dan de jacht op wild. In de taal van de jager betekent het ‘aanspreken’ het identificeren van dieren naar leeftijd, geslacht en gezondheid. Men ‘spreekt’ het wild ‘aan’ voordat men het doodt. Doden zonder ‘aanspraak’ is moord. Zelfs in de jacht is er dus sprake van een ‘ethisch minimum’. Als dat wegvalt, verwordt zij tot blinde moord. Het geldt bijvoorbeeld als verwerpelijk een moeder met jongen dood te schieten. De jagers spreken in dit verband van ‘aanspreekkunst’. Deze uitdrukking wijst erop dat de jager eerst een relatie met het dier moet aangaan, voordat hij het doodt.

Ook in de oorlog komt het doden zonder ‘aanspraak’ neer op moord. De moderne oorlogstechniek maakt het ‘aanspreken’ echter steeds moeilijker. Bij het blind gooien van bommen is ‘aanspreken’ niet mogelijk, en trouwens ook niet gewenst. Op dat punt begint dus al de ontaarding van de oorlog in terreur en moord. De drones of gevechtsrobots, die al spoedig autonoom beslissingen zullen kunnen nemen, zijn helemaal niet in staat om mensen ‘aan te spreken’, dat wil zeggen een relatie met hen aan te gaan. Alleen al op deze gronden zouden ze verboden moeten worden.

Het is pervers om – voor een beeldscherm zittend – een hele regio en een hele bevolking angst aan te jagen. Het is moreel verwerpelijk vanuit een gemakkelijke stoel met behulp van een joystick mensen te doden. Joy betekent plezier. De gewoonten van videospelletjes laten zich zonder problemen ‘vertalen’ in het doden met behulp van een joystick. Maar zelfs de ‘Ego-Shooter’ in een computerspel kan nog worden gedood, terwijl een drone-piloot zich buiten ieder gevaar bevindt.

De digitale manier van doen speelt bij dit doden een belangrijke rol. Het doden wordt er als het ware een virtuele ervaring door. Het is nog slechts waarneembaar als een onscherp beeld, waardoor iedere existentiële overtuigingskracht eraan ontnomen wordt. De drone-piloten werken in ploegendienst. Het doden is voor hen niets anders dan werk, waarna ze misschien wel naar een feestje gaan. De hele last van het doden van mensen gaat grotendeels aan hen voorbij. Want nog altijd zijn ruimtelijke nabijheid en distantie van invloed op het menselijk gedrag, ondanks het feit dat de wereld steeds meer een netwerk wordt.

Het medium is nooit neutraal als het gaat om zijn doeleinden. Kafka stelde zelfs de communicatie per brief of telegram ter discussie. Je kunt een mens in je nabijheid aanraken en aan iemand die ergens anders verblijft denken, maar al het overige gaat de menselijke vermogens te boven. Een mens vanaf heel grote afstand doden gaat de menselijke vermogens eveneens te boven, maar vóór alles ook de menselijkheid. Kafka besluit zijn overdenkingen over de communicatie over grote afstand met de woorden: ‘De spoken zullen niet verhongeren, maar wij zullen te gronde gaan.’

De mens is eerder een zoon ethikon (ethisch wezen) dan een zoon technikon (technisch wezen). In tegenstelling tot wild antwoorden mensen, als je ze aanspreekt. Een antwoord vraagt om verantwoording. Drones spreken echter niet. Zij kunnen ook niet ‘aanspreken’ of verantwoording afleggen, zij vernietigen de taal zelf. Het is menselijker zich te oefenen in de aanspreekkunst dan te investeren in de oorlogstechniek. Het zal juist niet de techniek, maar de ethiek zijn die over de toekomst van de mensheid zal beslissen.


Byung-Chul Han is een Koreaans-Duitse filosoof, verbonden aan de Universität der Künste in Berlijn. Hij schreef boeken en essays, waaronder De vermoeide samenleving. Komende maand verschijnt bij uitgeverij Van Gennep zijn nieuwe boek, De transparante samenleving

Vertaling: Menno Grootveld