Theater

Dodendans

Theater: Senegalese danstroep Jant-Bi presenteert Fagaala

Er zijn voorstellingen waarbij je van tevoren je hoofd moet opruimen. Je hebt, toevallig, omdat je bladerde in kranten en programmaboekjes, of expres, omdat je naar een inleiding op de voorstelling bent gegaan, als aanstaande toeschouwer een kop vol macaroni aan indrukken en verwachtingen. Hoe krijg je die kop weer leeg gelepeld? Waar haal je nog een onbevangen manier van kijken vandaan? Zeker als in de voor informatie is benadrukt dat de voorstelling over genocide gaat? De titel van de dansvoorstelling Fagaala betekent «uitroeiing» in het Wolof, een van de talen in Senegal. De voorstelling probeert zich te bemoeien met de massaslachting in het Centraal- Afrikaanse land Rwanda, waar in 1994 een half miljoen Tutsi’s en Hutu’s om het leven kwamen. Hoe dans je een genocide? vraagt het hoofd vol macaroni wanhopig.

Bij Fagaala ben je die vraag binnen een paar minuten vergeten. Het speelvlak is leeg: links hangen een twaalftal repen stof van boven uit het toneelhuis, rechts hangt een groot doek, daarop de projectie van iets wat het midden houdt tussen een maanlandschap en grotschilderingen, rechts middenvoor hangt een zuil van witte zijde (die snel zal vallen), links middenvoor liggen twee rode kleden. Een groep van zes mannen danst zich naar die kleden toe, ze gaan liggen, zitten, kijken strak naar één danser, die wild beweegt op een geluidsdecor van woeste slagen, trillende snaren en het angstwekkend zwiepen van snijdende messen.

Het is het begin van een dans orgie die bijna anderhalf uur zal aanhouden. Fagaala is een ontmoeting van minstens drie dansstijlen. De Centraal-Afrikaanse dans is overweldigend aanwezig, op opzwepende drumritmes, met hoge sprongen, als roofdieren op het hoogtepunt van de jacht, razendsnelle passen, sidderingen in het lichaam, knieën en boven lichaam van de zeven mannen steeds diep gebogen. Daar is de invloed zichtbaar van de Afrikaanse choreografe en danslerares Germaine Acogny. Die ook veel heeft rondgekeken in de West-Europese moderne dans: de wilde Afrikaanse ritmes schakelen schijnbaar moeiteloos naar verstilling en vertraging, prachtig grondwerk, asymmetrie in de beweging. En naar de contemplatieve expressie vanuit de armen en het middenrif – de invloed van de maestro van de Japanse Butoh-dans, co-choreograaf Kota Yamazaki. Drie stijlen, drie dansgrammatica’s die moeiteloos tegen elkaar aan schuren, in een doorgecomponeerde choreografie van wanhoop, agressie, hoop, troost.

Precies omschrijven? Geen idee, de teksten blijven als een graat overdwars in mijn keel steken. Ik kan soms stinkend jaloers worden op goeie dansrecensenten die zo’n overrompelende ervaring in woorden kunnen vatten. Eén ding demonstreert Fagaala meedogenloos: de danstaal kan toveren met oerkrachten, waar door ik als toeschouwer met een hallucinerende blik tegen de rugleuning van het pluche word gesmeten: ik kijk als een konijn in het stroperslicht, doodsbang en gefascineerd. Het opgeruimde hoofd wordt een vertelling over verschrikkingen ingezogen, zonder de anekdotiek van die vertelling over een genocide, die iedere verbeelding tart tot de grenzen van het onbegrijpbare. De zeven dansers doen een dodendans, zoveel is zeker. Tijdens het ovationele applaus in het Muziek theater, met alle hinderlijke geluiden die daarbij horen, zegen de dansers op één knie en stompten zachtjes op hun hart. Daarna kwam de Afrikaanse choreografe op, met een schattig rood rugzakje, de Japanse choreograaf was in maatkostuum. Geaard afscheid van een voorstelling die van mij meteen opnieuw mocht beginnen. Hulde voor de «gastprogrammering» van het Muziektheater, om deze overweldigende gebeurtenis (he laas maar drie voorstellingen) naar Nederland te halen. Mag Compagnie Jant-Bi alsjeblieft terugkomen? In het Holland Fes tival misschien, naast de voorstelling over onverdraagzaamheid tussen de Afrikaanse moslims, Tierno Bokar van Peter Brook?