Toon Tellegen, Middenin de nacht

Doe het niet na!

Toon Tellegen

Middenin de nacht

Querido, 64 blz., e 13,75

Net als je denkt dat de dierenverhalen van Toon Tellegen het vreemde van het gewone in kaart willen brengen en natuurlijk ook het omgekeerde daarvan, schotelt hij je een pinguïn voor die flink aan het peinzen slaat over wat vreemd en gewoon is. «Maar alles was vreemd, wist hij, en dus was vreemd het gewoonste wat er bestond. Toch dacht hij nooit: gewoon, gewoon… Dat is pas echt vreemd, vond hij. Hij rilde en probeerde het zo koud mogelijk te krijgen.» De logica die hier via het woordje «dus» ten beste wordt gegeven is onweerlegbaar, maar tegelijkertijd zet Tellegen haar ook weer met volle kracht op de tocht en laat hij je ineens vertwijfeld achter met verwilderde gedachten over wat nu eigenlijk precies «echt vreemd» is. «Vreemd» en «echt vreemd», aan het onderscheid tussen deze categorieën had ik tot nu toe nog niet eerder gedacht en ineens lijkt het me noodzakelijk dat voortaan toch te doen. «Vreemd» is dan, wie weet, een voetbalwedstrijd in een verlicht stadion, en «echt vreemd» is de warrelende bal die ineens hoog de lucht in schiet en ook weer naar beneden zweeft. Zoiets moet het zijn.

Tellegens dierenverhalen zetten altijd aan tot dit type overpeinzingen. Neem de spitsmuis die van de mier hoort dat het ergste nog moet komen. Vervolgens schrijft hij «met grote letters op een van zijn muren HET ERGSTE» en neemt zich voor deze woorden door te strepen wanneer het ergste voorbij is. Direct beland ik in een netwerk van overpeinzingen rondom «het ergste» en «het allerergste», dat dus «nog moet komen». Hoe weet je precies dat het voorbij is? En wanneer is iets «het allerergste»? En wanneer weet je dat? Spitsmuis gaat erop liggen wachten, urenlang zelfs. En besluit ten slotte «een dunne streep» door die twee woorden te zetten. Wat wordt hier bedoeld? Dat het ergste voorbij gaat als je maar lang genoeg wacht? Of is het een kwestie van net doen alsof het ergste helemaal niet bestaat? Antwoorden en oplossingen hoef je in deze verhalen niet te verwachten, ze zijn het tegendeel van moralistische traktaten, ze hebben geen verborgen agenda die ze ons uiteindelijk proberen op te dringen. Zo van: Toon Tellegen weet het beter.

Of zijn het vermomde filosofische debatten? Neem dat prachtige verhaal over de woelmuis die niet zeker weet of hij droomt of slaapt en in een ijskoude rivier springt om dit te checken. «Nu ben ik wakker, dacht hij. Als ik daarnet nog sliep dan ben ik nu in elk geval wakker. Dat kan niet anders. Er is nog nooit iemand in het water gesprongen en niet wakker geworden.» Vervolgens blijken aan de oever van de rivier heel wat andere dieren «nat en klappertandend» te twijfelen of ze wakker zijn of slapen. Dit moet haast wel een satire zijn, zou je zeggen, op de overpeinzingen van Descartes over wat ontwijfelbaar is. Hoe kun je zeker weten dat je niet droomt als je wakker bent? Maakt Tellegen hier een grote grap van? Je zou zeggen van wel, zeker als op het einde van dit verhaal de woelmuis vertwijfeld naar bed gaat: «Toen werd hij wakker of sliep hij in. Een van beide.» Wat een mooi einde, maar een filosofisch debat? Ik geloof er niets van. Deze verhalen voeren geen betogen, het zijn geen redeneringen, geen traktaten, geen beschouwingen en geen allegorieën. En toch is de urgentie ervan bijzonder groot, dat is een van de vele geheimen ervan. Geen moralisme, geen levenslessen, geen plechtige uitspraken over de wereld en het leven. Al gaan deze verhalen, zoals dat heet, nauwelijks verhuld over jaloezie, eenzaamheid, obsessies, wanhoop en doodsangst. Maar die categorieën dringen zich niet op, ze zijn zelfs verzwegen. Ze krijgen een ander licht, een verbaasde inkleuring, het gewone ervan is ineens bespreekbaar.

Hoe is Tellegen erin geslaagd het geheim van het halve woord, van de kale beschrijving en de directe waarneming te doorgronden en zo poëtisch en vanzelfsprekend in te zetten? Je vergeet dat deze verhalen ooit geschreven zijn, zo vanzelfsprekend zijn ze in hun vreemdheid, je vergeet dat er veel schrap- en peinswerk aan vooraf is gegaan. En dus lees je in de kritiek wel beschouwingen over Tellegens dierenwereld, over het leeftijdloze en het seksloze ervan, of over de eigenaardige gelijkheid van de dieren. Maar niet over de literaire stijl die zich van alle opgelegde literariteit probeert te ontdoen en juist daarom tot de hoge stijl van de Nederlandse literatuur hoort. «Middenin de nacht sprong de muis overeind uit bed. Waar is de zon? dacht hij. Het was donker om hem heen.» Zulke zinnen, ja, die kunnen we allemaal wel schrijven. Maar dat is precies de uitdaging die Tellegen keer op keer zoekt. Een stijl beheersen die van iedereen zou kunnen zijn. Niemand kan deze zinnen schrijven! Dat lijkt maar zo. Doe het niet na! Verkijk je niet. Schrijf en praat erover, zo veel mogelijk, lees ze langzaam voor en nog eens en wees daarna stil.