Narcisten op zoek naar zingeving

Doe-het-zelf-hulp

We hebben een enorme vrijheid, maar weinig houvast. De extreme focus op zelfontplooiing heeft geleid tot een reusachtige zelfhulpindustrie. En bij gebrek aan God proberen we zingeving te vinden door naar binnen te staren.

Medium zelfhulpboeken 20pepe

‘Een maand zonder alcohol’, ‘haal meer uit je gevoeligheid’ en ‘het geheim van gewichtsverlies’. Zomaar een paar titels uit de top-twintig van het afgelopen jaar bij de online kiosk Blendle. De lijst wordt vrijwel volledig gedomineerd door artikelen over praktische, op het dagelijks leven gerichte onderwerpen. En daar waar dergelijke materie lange tijd exclusief weggelegd leek voor de glossy’s en bladen als Psychologie Magazine brengen ook serieuze kranten en tijdschriften in toenemende mate artikelen over alledaagse onderwerpen en met een praktische insteek.

Waren zelfhulpboeken tot voor kort het terrein van goeroes en pseudo-wetenschappers met discutabele claims, tegenwoordig wagen ook serieuzere journalisten zich aan het genre en leggen vooraanstaande wetenschappers zich toe op de praktische vertaling van hun gedachtegoed.

Zo was er in 2011 Thinking Fast and Slow (‘Ons feilbare denken’) van Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman; Roy Baumeister en John Tierney publiceerden in 2012 het boek Willpower (‘Wilskracht’) en in Nederland scoorde hersenwetenschapper Erik Scherder vorig jaar goed met Laat je hersenen niet zitten. Moeten we zelfhulp nu echt serieus gaan nemen?

Niet wat betreft de Deense filosoof Svend Brinkmann. Zijn in juli in Nederland verschenen boek Standvastig wordt zelfs gepromoot als ‘anti-zelfhulp-bestseller’. Het boek is een parodie op zelfhulpboeken, waarin Brinkmann uiteenzet hoe de lezer onder alle omstandigheden het hoofd koel kan houden, in plaats van steeds aan zichzelf te blijven werken. ‘Zelfhulpboeken maken narcistisch’, zegt hij. ‘Ze geven ons de indruk dat we al onze problemen kunnen oplossen door in onszelf te kijken en dat zelfontplooiing het hoogste ideaal is. Terwijl wat de meeste boeken doen niets meer is dan symptoombestrijding.’

De moderne zelfhulpliteratuur kwam op in het laatste kwartaal van de vorige eeuw, met de afbrokkeling van de verzuiling en de opmars van de secularisatie. Eerst dachten de vrijgevochten westerlingen zonder zingeving te kunnen, maar zoals Nietzsche al voorspeld had: zelfs als we niet geloven in een hoger doel kunnen we niet zonder zingeving: God is dood. Wat moeten we nu?

Het allerbekendste zelfhulpboek is het in 1989 verschenen The Seven Habits of Highly Effective People, van de Amerikaan Stephen Covey. De in 2012 overleden managementcoach en -spreker verkocht niet alleen meer dan 25 miljoen exemplaren van zijn boek, maar bouwde er ook een heel imperium omheen. Covey betoogt in zijn boek dat ware zelfverbetering niet draait om snelle trucs waar veel zelfhulpboeken vol mee staan, maar om principes, goede gewoonten en waarden als integriteit en eerlijkheid. De zeven door Covey geformuleerde gewoonten – wees pro-actief, wees doelgericht, doe belangrijke dingen eerst, denk in termen van win/win, probeer eerst te begrijpen en dan pas begrepen te worden, investeer in samenwerkingen en hou de boog gespannen – zijn even vaag als voor de hand liggend en niet erg wetenschappelijk onderbouwd. Toch lopen miljoenen mensen ermee weg.

‘Zelfhulp voorziet in een gigantische behoefte’, verzucht filosoof René ten Bos van de Radboud Universiteit Nijmegen. ‘De opkomst ervan kun je niet los zien van zwakke regeringen, die het lot meer in de hand van de burger hebben gelegd. Zo kwam de self made man op die zichzelf moest zien te redden. Niet voor niets is deze trend opgekomen in de Angelsaksische wereld, hand in hand met de zelfhulpindustrie.’

Ten Bos stelt dat boodschappen zoals die van Covey alleen aanslaan bij mensen met wat hij een ‘ongefixeerde identiteit’ noemt. Tot een paar decennia geleden lag onze identiteit grotendeels vast: we werden geboren in een katholiek of protestants nest, werden net als onze vader boer of bankier, of zoals onze moeder huisvrouw. Tegenwoordig is het tegenovergestelde het geval. We kunnen onszelf ontplooien, zelf een (of meer) partner(s) en een levensbeschouwing kiezen en onze eigen normen en waarden vormen. Dat geeft veel vrijheid, maar weinig houvast. Hoe moeten we leven? Wat is goed? Waar worden we gelukkig van? Op al die vragen poogt zelfhulp een antwoord te bieden. Volgens Ten Bos draait het daarbij steeds weer om een nieuwe hype, waar grote groepen mensen achteraan lopen om uit desillusie of desinteresse op het volgende idee aan te slaan. ‘Het geldt eigenlijk voor alles wat met mode, met trends en hypes te maken heeft: daar ben je alleen gevoelig voor als je niet goed weet waar je zelf voor staat.’

Svend Brinkmann is het gloeiend met hem eens: ‘Mensen zijn heel goed in het beantwoorden van allerlei vragen, behalve de vraag “waarom?”’, zegt hij. ‘Bij gebrek aan God proberen we die te vinden door naar binnen te staren, met behulp van dit soort boeken.’

‘Voor mode, trends en hypes ben je alleen gevoelig als je niet goed weet waar je zelf voor staat’

De Britse filosoof en auteur Alain de Botton kan zich behoorlijk opwinden over dit soort negatieve retoriek over zelfhulp. ‘Door de globalisering en de versnippering van identiteiten hebben we zelfhulpboeken meer nodig dan ooit, dus het is triest dat onze beste schrijvers het vertellen van zoiets nuttigs veelal nog steeds zien als iets banaals’, zegt hij. De afgelopen jaren publiceerde hij praktische filosofische boeken over onder meer reizen, werk, religie en status en, dit jaar nog, over de liefde. De Botton richtte in 2008 de School of Life op, een instituut dat praktische workshops en cursussen aanbiedt over alledaagse onderwerpen.

De School of Life ontstond uit zijn frustratie dat we op scholen en universiteiten van alles leren voor het professionele domein, maar in onze opleiding vrijwel geen kennis opdoen voor het dagelijks leven. Zijn school moest een bron worden van heldere ideeën voor dat dagelijks leven. In de workshops en lezingen staan vragen centraal als ‘hoe maak ik effectief ruzie?’ en ‘hoe vind ik de ware liefde?’. Inmiddels zijn er wereldwijd tien filialen van de School of Life, waaronder een aan de Herengracht in Amsterdam.

De Botton ziet de interesse in zelfhulp niet als een afkeer van belangrijker zaken, maar als een terugkeer naar wat relevant is voor een goed leven, zoals het in het verleden wél serieus werd genomen. ‘Lange tijd gold het zelfhulpboek in het Westen als een hoogtepunt op het gebied van literaire prestaties. De oude Grieken waren bijzonder bedreven beoefenaars. Aristoteles, Epicurus, Seneca. Christelijke schrijvers en wijsgeren zoals de benedictijnen en jezuïeten zetten deze traditie voort.’

De zelfhulp is een klassieke, reeds lang bestaande beweging, stelt ook deugdethicus en filosoof Paul van Tongeren van de Radboud Universiteit Nijmegen, die het liever ‘zelfzorg’ noemt. De oude denkers hielden zich volgens hem steeds bezig met situaties waarin er geen evidente ‘zin’ is. ‘Dus niet het vinden van zin, maar het omgaan met het ontbreken ervan’, zegt nietzscheaan Van Tongeren. Toen in de achttiende eeuw het liberalisme opkwam, veranderde de focus van de ethiek. Iedereen moest zelf gaan bedenken wat goed en slecht voor hem was.

Het worden van een ‘goed mens’ werd niet langer gezien als een ideaal. Jezelf ontplooien was belangrijker en de vrijheid van de een hield op waar die van de ander begon. De ethiek trok zich terug in de ivoren toren. ‘Op de universiteiten werden filosofen en intellectuelen niet langer beloond om nuttig te zijn, maar voor het verzamelen van feiten’, zegt Van Tongeren. ‘Er is natuurlijk niets mis met het verzamelen van feiten, maar dat ging gepaard met een sterke versmalling van de ethiek en een volledige verwaarlozing van “het nut”.’ Voor de zingeving was er eerst nog de kerk, maar toen ook die wegviel bleef de westerse mens vertwijfeld achter. Tot daar de zelfhulpindustrie was. ‘Zelfhulp, of zelfzorg, is dus niet iets nieuws, geen modieus ding, maar terug van weg geweest’, zegt Van Tongeren.

Zelfhulpboeken waren, en zijn, een reflectie van waar mensen mee worstelen. Iedere tijd heeft zijn eigen kenmerken en uitwassen, auteurs spelen daarop in. De laatste jaren zijn we overspoeld met boeken over mindfulness, die ons ervan doordringen te leven in het nu, in plaats van constant met van alles en nog wat tegelijk bezig te zijn. In 2001 verscheen Getting Things Done van de Amerikaanse consultant David Allen, als antwoord op de worsteling die heel veel mensen binnen en buiten hun werk hebben om al die dingen die ze willen doen voor elkaar te krijgen. Het boek werd een bestseller en toen het afgelopen jaar opnieuw verscheen kreeg Allen wederom ruime media-aandacht.

Behalve een teken des tijds kunnen zelfhulpboeken ook taboedoorbrekend zijn, en geschreven met een duidelijke missie voor ogen. Een bekend voorbeeld hiervan is de Amerikaanse hoogleraar maatschappelijk werk Brené Brown, die in haar bestsellers De kracht van kwetsbaarheid en De moed van imperfectie (beide in Nederland verschenen in 2013) juist ingaat tegen de hoge eisen die we onszelf stellen en pleit voor authenticiteit en realiteitszin. Nadat Arianna Huffington, oprichter van The Huffington Post, getroffen was door een keiharde burn-out publiceerde ze het grondig geresearchte Het nieuwe succes (2014) waarin ze betoogt dat carrière maken geen manier is om gelukkig te worden, en dat heel andere waarden centraal zouden moeten staan dan macht en geld.

Minstens zo zeer als literatuur kunnen zelfhulpboeken dus een vorm van maatschappijkritiek bevatten, beaamt zelfs Brinkmann, die het oeuvre van De Botton ziet als een goede uitzondering. In diens laatste boek Weg van liefde roept De Botton bijvoorbeeld op tot een realistischer kijk op de liefde en het huwelijk. ‘Zijn boeken gaan over grotere fenomenen zoals teleurstelling en zijn daarmee existentiëler’, zegt Brinkmann. ‘Dat vind ik prima.’

Het onderscheid tussen slechte en goede zelfhulp lijkt volgens Van Tongeren op dat tussen literatuur en lectuur. Onder goede zelfhulp liggen wetmatigheden en principes verscholen, zoals echte literatuur over grotere thema’s gaat. En zoals lectuur slechts een verhaal serveert, blijft oppervlakkige zelfhulp hangen bij praktische lijstjes. Van Tongeren: ‘Zelfhulp wordt oppervlakkig wanneer het te veel een geheel van adviezen of leefregels wordt, die niet meer ingebed zijn in een reflectie over waarom dat soort dingen voor ons relevant zijn en zich verhouden tot andere plekken en tijden.’

‘Gedragsverandering is niet makkelijk. Suggereren dat het dat wél is, is onoprecht’

Een goed zelfhulpboek moet dus niet bestaan uit lukrake lijstjes met regeltjes, maar uitgaan van principes en expliciet zijn over de onderliggende waarden, zegt ook de Amerikaanse humaan ecologe Christine Whelan, die aan de Universiteit van Wisconsin-Madison in de Verenigde Staten op zelfhulpboeken promoveerde. Het dilemma waar de zelfhulpindustrie volgens haar mee worstelt, is dat het publiek hunkert naar quick fixes, maar die zijn te mooi om waar te zijn. ‘De meest populaire boeken zijn daarom meestal ook de minst goede. De boeken die meer van de lezer vragen, zijn vaak minder populair. Gedragsverandering is nu eenmaal niet makkelijk, en suggereren dat het dat wél is, is onoprecht.’

Goede zelfhulp is volgens Whelan grotendeels beschrijvend in plaats van voorschrijvend. Oftewel: de auteur vertelt je niet hoe je je leven moet leiden, maar helpt je om zelf uit te vinden hoe dat te doen, door je de juiste vragen te laten stellen en te helpen de antwoorden daarop te vinden. In haar nieuwste boek The Big Picture: Finding Purpose in Life probeert ze dit te doen. Ze heeft daarbij ook bewust niet gekozen voor één specifiek onderwerp maar voor een holistische benadering, waardoor de lezer heel zijn leven tegen het licht houdt.

Ook Brinkmann beaamt dat zelfhulpboeken wel degelijk effectief kunnen zijn, maar volgens hem is dat juist een van de problemen: ‘De toch al succesvolle, pro-actieve mensen worden nog effectiever in het bereiken van hun eigen doelen, en kijken des te meer neer op anderen die daar niet in slagen.’ Kansarme mensen hebben het vaak te druk met overleven om zich met reflectie en zelfverbetering bezig te houden, laat staan dat ze erin geloven. Zelfhulp maakt problemen per definitie individueel, terwijl ze dat vaak niet zijn. Vaak zijn ze een gevolg van sociale structuren en ongelijkheid, waaruit een vicieuze cirkel ontstaat van op papier onverstandige keuzes. Voor deze mensen geven die boeken een vals signaal af: als je ongelukkig bent, is het je eigen schuld. ‘Dat is het verraderlijke van de boodschappen die veel zelfhulpauteurs uitdragen’, zegt Whelan.

Critici noemen het genre om die reden de nieuwe opium voor de massa. Svend Brinkmann heeft het over ‘ritalin voor de massa’: ‘Het is een vorm van symptoombestrijding die belooft je problemen op te lossen, en wanneer gewone mensen het nemen raken ze niet verdoofd, maar worden ze hyperalert en nóg productiever. Dat is wat de maatschappij van hen verlangt.’

Vanwege deze perverse kanten zou Brinkmann het liefst de focus helemaal af halen van het individu. ‘Misschien hebben we een nieuw genre nodig. Geen selfhelp, maar iets als otherhelp. Over hoe je samen met elkaar je gemeenschap en maatschappij beter kunt maken en wat je daar als verschillende individuen voor nodig hebt.’ In feite is dat genre er zelfs al, zegt hij: ‘We hebben niet voor niets de roman uitgevonden. Welke filosoof heeft ons meer levenslessen bijgebracht dan Charles Dickens? En tegenwoordig hebben we prachtige televisieseries, met meer diepgang, realistische dilemma’s en karakters. Daar leer je vaak meer van dan van een zelfhulpboek.’

Toch laat Brinkmann nog wel wat ruimte voor zelfhulp, zij het binnen een meer sociaal-maatschappelijke context. Uiteindelijk zou het volgens hem niet moeten draaien om beter presteren of lekkerder in je vel zitten, maar om zingeving. Om ideeën die ons leven betekenis geven. Daarmee pleit hij in feite voor een terugkeer van het moralisme. Daarin is hij niet de enige. Waar zelfhulpklassiekers als Dale Carnegie’s How to Win Friends and Influence People uit 1936 nog schaamteloos immoreel waren, zijn de zelfhulpboeken van nu weer meer moralistisch, zoals de klassieke zelfzorg dat ook was.

Deze ontwikkeling is niet alleen maar positief, aldus Van Tongeren. De klassieke zelfzorg gaat over hoe mensen zich het best kunnen gedragen en wat ze kunnen doen om een goed mens te worden binnen de gemeenschap, over deugden en karaktervorming, terwijl zelfhulp binnen het liberale individualisme wordt geschreven als een persoonlijke zoektocht, het ontwikkelen van dat wat je zelf in je hebt en slechts handreikingen doet. ‘Wanneer die twee samengaan, dan ontstaat er frictie: eerst schrijf je iets voor en vervolgens zeg je dat iedereen het zelf moet weten’, zegt Van Tongeren. Hij noemt als voorbeeld de Duitse levenskunstfilosoof Wilhelm Schmid, van wie verscheidene boeken zijn vertaald in het Nederlands. ‘Je moet beseffen dat wanneer je bijvoorbeeld tips geeft over liefdesrelaties je impliciet ook aangeeft wat de waarde is van een relatie en van wat de lezer zou moeten nastreven’, zegt Van Tongeren. ‘Als je dat niet expliciet benoemt is er sprake van een soort vermomd moralisme.’

Het moralisme moet dus explicieter, maar dat ligt gevoelig, zegt Brinkmann: ‘Daar zijn we sinds de opkomst van het liberalisme namelijk allergisch voor. Iedereen moest kunnen worden wie hij wilde zijn, en wie was jij om te oordelen over de ideeën en waarden van anderen? Daar komen we langzaam op terug.’ Die extreme focus op zelfontplooiing heeft ons heel veel vrijheid gegeven, maar ook een vorm van moreel relativisme die leidde tot een maatschappij waarin reputatie belangrijker is dan daden, tot kinderen die liever beroemd worden dan iets bijdragen aan de samenleving, enorme verschillen tussen arm en rijk en tot een bankencrisis waarbij vrijwel niemand de hand in eigen boezem steekt omdat vrijwel alles wat gebeurde binnen de wet viel.

De onvrede over deze uitwassen en leegheid uit zich in het maatschappelijk debat, waarin we eerst nog schouderophalend reageerden op de ‘normen en waarden’ van Jan Peter Balkenende, en nu volop discussiëren over waar we voor staan. Wat Brinkmann betreft voeren we dit debat volop en kijken we daarbij wat vaker in de spiegel. ‘Het is juist waardevol als we weer leren karakter te tonen en te staan voor onze fundamentele waarden, zonder dogmatisch te worden. Die middenweg moeten we zien te vinden. Met of zonder hulpboeken.’


De research voor dit artikel gebruikte Jop de Vrieze voor de totstandkoming van zijn boek De karakterman: Een nuchtere kijk op de mannelijke lifestyle, dat hij schreef samen met wetenschapsjournalist Stephan van Duin