Doe-het-zelfboek

Veel van wat Georges Perec (1936-1982) heeft geschreven, lijkt spelenderwijs tot stand gekomen, en als het zelf uit spelletjes bestaat, zijn dat wel serieuze spelletjes, met dwingende regels. Zo schreef hij een roman waar de letter e niet in voorkwam en daarna een roman waar maar één letter werd gebruikt, diezelfde e. Of hij koos in Parijs twaalf plekken uit waar hij had gewoond. Twaalf jaar achtereen zou hij er terugkeren om er een beschrijving van de betreffende locatie te maken. Die stopte hij dan in een envelop, evenals een beschrijving die hij elders van dezelfde plaats had gemaakt. In een derde envelop kwamen foto’s en andere documenten. Hij had kunnen volstaan met een beschrijving van het plan, maar het typeert Perec dat hij zulke projecten ook daadwerkelijk uitvoerde.

In 1974 was dit een van de vele lopende projecten die hij vermeldde in zijn boek Espèces d'espaces, nu vertaald als Ruimten rondom. Daarin wordt ook in een paar pagina’s het project ontvouwd dat in 1978 leidde tot de omvangrijke roman Het leven een gebruiksaanwijzing: ‘Ik stel me een Parijs pand voor waarvan de gevel is weggenomen (…) zodat alle kamers aan de voorkant van het huis, van de begane grond tot de vlieringkamertjes, in één oogopslag en gelijktijdig zichtbaar zijn.’ Bij wijze van voorproefje geeft hij in dit boek al de inventaris van de afgebeelde meubelstukken en handelingen.
Ook in dit boek betoont Perec zich een fervent liefhebber van lijstjes, en allemaal eindigen ze als het ware met een ad libitum, dat wil zeggen: 'wordt vervolgd’. Als in een woning of appartement elk vertrek een eigen functie heeft, waarvan het gebruik door architecten wordt voorgeschreven, vraagt Perec zich af of er ook een indeling naar zintuiglijke functies mogelijk is of volgens een zevendaags ritme. Niets is zo vanzelfsprekend of er kan een vraagteken bij worden gezet.
Is een nutteloze ruimte denkbaar, is een volgende vraag - wat iets anders is dan een onbruikbare of ongebruikte ruimte. Die vraag blijft open want Perec is alweer bezig met verhuizen, deuren, trappen, muren enzovoort. In zijn boek begint hij met de kleinste ruimte, de bladzijde, behandelt dan bed, kamer enzovoort tot de stad, het platteland, het land, Europa, de wereld, de ruimte. Mettertijd begint hij zijn repertoire af te raffelen, want als uitvoerder is ook zíjn geduld beperkt.
Het ruimtenboek staat vol praktische oefeningen, gedachtenexperimenten en scenario’s van nog uit te voeren plannen. Een heel team van schrijvers had hier een gezamenlijk levenswerk uit kunnen putten, maar Perec was liever zijn eigen onderaannemer. Zoals gezegd schuwde hij het vuile werk niet, maar het liefst was hij architect en plannenmaker. Aan de lezer om het een en ander uit te voeren. Het boek heeft een hoog doe-het-zelfgehalte, het staat vol oefeningen, vooral in waarnemen.
'We zijn niet in staat om te zien’, schrijft Perec: 'We moeten het anders aanpakken, behoedzamer, dommer haast. Onszelf dwingen op te schrijven wat oninteressant is, het allervanzelfsprekendste, het allergewoonste, het alleronbenulligste.’
Dit boek hoort tot het werk van Perec dat een soort sociologie van het minuscule is, en daarin is het groots.