Doe-het-zelftheater

Hopelijk nog vaker te zien. Informatie bij Nationaal Fonds, tel 020-6235664.
Stel dat je een voorstelling wilt maken over de dichter Rimbaud. Je bent verliefd geworden op zijn gedichten en je hebt je verdiept in zijn leven en zijn werk. Dan moet je een manier bedenken om het materiaal dat je gevonden hebt te rangschikken, een ‘kapstok’ zoeken waaraan je alle feiten, gedachten en gevoelens die je over de dichter kwijt wilt, kunt ophangen. Een gedeelte uit het leven van de kunstenaar. Een situatie, bijvoorbeeld z'n huwelijk. Zo'n kapstok geeft een structuur, een chronologie voor het materiaal. Daar kun je dan weer zo vrij mee omspringen als je wilt.

Het hedendaagse doe-het-zelftheater biedt makers de vrijheid om ieder hun eigen mix te brouwen van feiten en fictie, van citaten en origineel materiaal, van verhalen en losse flarden. In het slechtste geval resulteert dit theater in een vrijblijvend ratjetoe. Maar als het goed gaat is zo'n doe-het-zelfmix een overtuigend relaas van een zoektocht. Dan wordt de toeschouwer de getuige van een ontmoeting, een gesprek tussen de makers en de (historische) persoon die het onderwerp is. Een open gesprek zonder conclusies of samenvattingen. Een gesprek met ruwe gedachtensprongen, met woordenwisselingen, misvattingen en momenten dat iedereen elkaar weer begrijpt.
De bewuste voorstelling over Rimbaud, Behoefte aan kermis van Anneke Bonnema, heeft op het eerste gezicht wel erg weinig structuur. Op het podium bevindt zich een grote verzameling apparatuur. Er zijn tv-monitoren, diaprojectors, synthesizers en microfoons. Er staan teksten op de band en muziek jes in de synthesizers, en er zijn videobeelden gemaakt. De spelers zullen liedjes zingen en gedichten voordragen, maar ze zullen ook filmpjes projecteren en via live-videocamera’s op en achter het toneel de tv-monitoren als podium gebruiken.
Deze veelheid aan media suggereert dat de voorstelling de toeschouwers zal overdonderen met een beeld- en geluidsbombardement zoals dat in het postmoderne theater gebeurde. Waarin ieder verhaal, iedere boodschap en ieder samenhangend mensbeeld werd versnipperd en de spelers zichzelf tot elementjes reduceerden in een spel van tekens. Het doe-het- zelftheater zet zich echter af tegen deze postmoderne versnippering. Er wordt weer naar een centrum gezocht, naar de contouren van een verhaal. De mensen op het podium maken zich niet meer ondergeschikt aan het materiaal en de media, maar treden naar voren als de zingevers in een complex universum. In Behoefte aan kermis is de krachtige aanwezigheid van de vijf spelers/vormgevers/ musici de basis voor de voorstelling. Zij ‘spreken’ met het materiaal, en via het materiaal met het publiek. Er gebeurt precies het tegenovergestelde als in het postmoderne theater. De toeschouwers worden niet overdonderd maar vriendelijk uitgenodigd om al hun zintuigen open te stellen. En er wordt hier niet versnipperd maar geheeld.
De zachte toon van de voorstelling zouden de toeschouwers kunnen herkennen van eerder werk van Anneke Bonnema en haar groepje Pour la Pipe, maar ook van de voorstellingen van de Noorse theatergroep Bak Truppen. Een zo'n Noor werkt namelijk mee aan Behoefte aan kermis. Bij Bak Truppen zie je ook computers, synthesizers en diaprojectors op het toneel, maar die apparatuur wordt alleen gebruikt voor kleine, aarzelende schetsen. Het belangrijkste is de onderliggende rust die alle fragmentjes omhult, de stilte waarin spelers en publiek elkaar aankijken.
Het werk van Anneke Bonnema is hiermee verwant, maar bij haar heeft de rust de vorm van een constante woordenstroom. De enorme hoeveelheid gesproken gedichten, de filmpjes, dia’s en muziekjes zijn niet gerangschikt op de inhoudelijke informatie die ze geven, maar op hun ritme, licht en kleur. En daar wordt het publiek gevoelig voor gemaakt. Bijna terloops worden de toeschouwers meegenomen naar een meditatieve toestand waarin de tijd stilstaat. Een rode droom die van Rimbaud zou kunnen zijn, maar die ook van de spelers en van de toeschouwers is.