Doe maar een suri

Nederland telt circa vijf ‘tv-negers’. Dus zie je die vijf gezichten om beurten in televisieseries opdraven. Mike Ho Sam Sooi is er een van. Een vrijmoedig gesprek over onze vaderlandse kleurgevoeligheid.

MIKE HO SAM SOOI: ‘Ik heb altijd het idee dat televisiemakers in kleurstellingen denken als ze donkere acteurs nodig hebben voor een serie. Het maakt die programmamakers weinig uit wie het is, als het hoofd maar voldoet aan het beeld dat ze voor ogen hebben. Dan werken ze gewoon het rijtje af van professionele, gekleurde acteurs die in aanmerking komen voor de betreffende rol. In Nederland zijn dat er hooguit vijf: Kenneth Herdigein, Glenn Durford, Ruurd de Maasschalk, Dennis Rudge en ikzelf. Dan heb ik het niet over gekleurde personen die bij tijd en wijle in een soap-serie opduiken. In de serie Vrouwenvleugel, die zich in een gevangenis afspeelt, kwamen plotseling uit alle hoeken en gaten donkere actrices te voorschijn. Ik heb geen idee waarze die vandaan halen, waarschijnlijk via een modellenbureau.’
Acteur Mike Ho Sam Sooi (1954) speelde onder andere in de Surinaams-Nederlandse theatergroep Gado Tjo en is regelmatig te zien in televisieseries. Het afgelopen jaar speelde hij in de door de Vara uitgezonden comedy In voor- en tegenspoed, naast Rijk de Gooyer en Gerard Thoolen. Momenteel is hij met cabaretgroep De Suri’s op tournee met de voorstelling'AL(lochtoon) gaat met AU(tochtoon)’, waarin de draak wordt gestoken met de min of meer voorgeschreven aanpassing van allochtonen in Nederland.
Ho Sam Sooi: 'Als ze een gekleurde acteur zoeken, kijken ze eerst welke kleurschakering ze nodig hebben. Ze kunnen kiezen uit drie mogelijkheden. Een echte zwarte met kroeshaar, geprononceerde neus en lippen - zeg maar het klassieke westerse beeld van een zwarte - of het bruinige type, dan wel het beige type. Van het eerste type zijn er in Nederland hoogstens twee: Dennis Rudge en Glenn Durford. Het bruinige type ben ik, het beige type is Kenneth Herdigein.
Omdat wij met zo weinig zijn, lopen we het gevaar dat we te vaak in series verschijnen. Dan krijgen de programmamakers iets van: “Dat hoofd kennen we nu wel.” Onze donkere hoofden vallen toch al erg op in televisieseries. Volgens mij hebben blanke acteurs of actrices daar minder last van.
Van castingbureaus kreeg en krijg ik bovendien nogal eens te horen dat ik moeilijk te verkopen ben omdat ik geen boeventronie heb. Voor de meeste gekleurde rollen zoeken ze een schoffie of een harde jongen. Mij is letterlijk gezegd: “Sorry, we kunnen jou niet slijten.” Heel nuchter worden die argumenten opgesomd. Zo werkt dat bij de casting.’
'IN EERSTE INSTANTIE wordt van je verwacht dat je de neger speelt - dat noem ik de historisch bepaalde rol. Tien jaar geleden verzette ik me daar nog fel tegen. Ik weigerde rollen als ik vermoedde dat ze zo maar een neger nodig hadden. Voor Medisch Centrum West heb ik in 1986 de rol van een broeder geweigerd. Ik zat toen nog in mijn revolutionaire periode. Donder op, dacht ik, neem maar iemand anders voor de rol van de serviele neger.
Dat ik minder kritisch ben geworden, zal wel met ouder worden te maken hebben.Ik hoef niet meer zo nodig te schoppen. Ik heb te vaak en te veel discussie gevoerd over dat onderwerp. Laat het castingbureau de strijd met de programmamakers maar aanbinden.
Naarmate ze me beter kennen en weten wat voor werk ik lever, worden de rollen die ik krijg aangeboden, kwalitatief gezien steeds beter. Langzaam begin ik te stijgen. Dat heeft echter wel jaren geduurd. In Medisch Centrum West heb ik niet zo lang geleden een arts gespeeld, volgens mij de eerste zwarte arts in een serie. Binnenkort ben ik in Bureau Kruislaan te zien als een inspecteur van de Rijksrecherche.
Vaak gaat het erom of het castingbureau zich hard wil maken voor een gekleurde acteur in de rol van advocaat of arts. Tenzij de opdrachtgever nadrukkelijk vraagt naar een gekleurde acteur voor een dergelijke rol. Dat gebeurt echter zelden als het de hogere kaders betreft. Voor lagere kaders maakt het ze niets uit, dan zeggen ze, doe maar een Suri, een Turk of een Marokkaan.
Bij het serieuze toneel is de situatie nog bedroevender. De toneelstukken waarin zwarten een belangrijke rol spelen, zijn te verwaarlozen, zelfs als het om moderne stukken gaat. Hoogstens zie je een liftboy of een bediende. King Lear zou ik nooit kunnen spelen. In Engeland heb ik de rol van King Lear wel eens gespeeld zien worden door een zwarte acteur, daar zijn ze iets verder. Nederlandse regisseurs durven het zowel artistiek als financieel niet aan om bijvoorbeeld een zwarte King Lear neer te zetten. Bij vrije produkties hebben ze een bekende acteur nodig als publiekstrekker en die zijn er nu eenmaal niet onder de migranten.
Bij stukken van zwarte toneelschrijvers, zoals Rufus Collins, gebeurt het wel dat alle rollen zwart zijn. Maar in Nederland zijn die onmogelijk te bezetten, omdat er niet genoeg zwarte acteurs voorhanden zijn.’
'HET IRRITEERT MIJ mateloos dat programmamakers volledig voorbijgaan aan onze multiculturele samenleving. Ze gaan steeds van blanke mensen uit, schrijven rollen voor blanke acteurs, verzinnen blanke families. In de reclame kom je ook vrijwel geen gekleurde mensen tegen; kijk maar naar de spotjes voor wasmiddelen. Je krijgt de indruk dat alleen blanke vrouwen die kopen. Maar al die migrantenvrouwen met hun grote gezinnen, hoeveel waspoeder kopen die niet? Toch zie je geen Turkse of Marokkaanse vrouwen in die commercials.
In de comedyserie In voor- en tegenspoed zijn ze klaar met de Surinamers. In de nieuwe afleveringen zit nu een Turkse familie, zij zijn de nieuwe bovenburen van Rijk de Gooyer. Ze werken gewoon het rijtje minderheden af. Langzaam maar zeker wordt het hele scala van minderheden afgewerkt. Surinamers in televisieseries worden iets te vertrouwd voor de kijkers, het zijn eigenlijk halve Hollanders en vormen geen echte probleemgroep meer. Turken en Marokkanen zijn nog “puur”, veroorzaken nog wel problemen, dus schrijven ze die liever in een serie. Dat is een puur zakelijke overweging en heeft niets met ideele overwegingen te maken.
In Nederland zie je steeds meer gekleurde mensen in hoge functies. Dat is waarschijnlijk ook een van de redenen dat ik plotseling rollen krijg aangeboden als arts, inspecteur of journalist. Rollen waarin de blanke moraal door een gekleurd iemand verdedigd moet worden, bijvoorbeeld in de rol van een rechter, zijn er echter nauwelijks. Een Surinaamse acteur die bijvoorbeeld de rol van minister van Justitie krijgt aangeboden en over de moraal moet lullen a la Hirsch Ballin is ondenkbaar. Dat wordt niet gepikt in Nederland.
Je hoeft met series niet op te voeden, maar ik vind wel dat je als programmamaker de doorstroming van migranten in verschillende functies moet weergeven. De televisie kan wel degelijk bijdragen aan de integratie. Kijk naar Noraly Beyer, hoeveel grappen zijn er niet over haar gemaakt toen ze net bij het journaal werkte? Uiteindelijk is ze geaccepteerd. Als er maar genoeg kleurlingen op de televisie verschijnen, pikt de kijker het wel. Dan krijgt televisie toch een opvoedende functie. Dat de kijker blijft zien dat zo iemand een kleurtje heeft, zal nooit veranderen, dat kan je er niet uitrammen. Het gaat om de associatie die de kijker maakt, dat hij of zij het niet langer vreemd vindt een zwarte advocaat of internist in een serie te zien.
IN ONS CABARETPROGRAMMA speelt Eric Narain een afgestudeerde, geslaagde neger, zo iemand die eigenlijk geknipt is voor de politiek. Die zeiken we behoorlijk af. Sommige politieke partijen willen om dubieuze redenen migranten in hun gelederen. Ze denken: “Er lopen honderdduizenden Turken, Marokkanen en Surinamers rond in Nederland. Als die realiteit niet weerspiegeld wordt in onze politiek gaan er potentiele stemmen verloren.” Een partij die migranten op de kieslijst zet, roept dan trots: “Kijk, we hebben er een, en hij zit nog in de Tweede Kamer ook.” Het CDA heeft een hindoestaan, die man mag dan heel toepasselijk migrantenzaken behandelen. Zo'n overweging heeft dus niets met een ideologie te maken, alleen maar met eigenbelang. Bij de televisie is men nog niet zover. Op het moment echter dat de Tros er door een onderzoek achterkomt dat, wanneer je een zwarte programmeert, het ledental ineens met honderdduizend stijgt, verandert de zaak.
Bij de televisie gaan ze volkomen langs de werkelijkheid heen, ze menen nog steeds het nationale cultuurgoed te moeten verdedigen. Het ontbreekt aan scripts waarin je het echte Nederland terugvindt. Het is nog maar de vraag of je wettelijk moet vastleggen dat er in televisieseries een verplicht aantal minderheden zit, zoals dat in Amerika het geval is. Voor mij hoeft er helemaal niet in iedere serie een kleurling voor te komen, ik zou het niet aangenaam vinden om ergens te werken in de wetenschap dat ik voldoe aan de vijfprocentsregeling.
In In voor- en tegenspoed speelt Rijk de Gooyer een reactionaire Amsterdammer die voortdurend zit te kankeren op negers. Surinaamse kijkers hebben dan zoiets van: wat is die man verschrikkelijk. In de serie ga ik vervolgens fel tegen hem tekeer en zet ik hem op zijn nummer. Dat vinden Surinamers dan weer prachtig, daarin herkennen ze zichzelf. Het blijft natuurlijk Hollandse, blanke humor. Nederlanders vinden het grappig als die zwarte in de zeik wordt genomen, en vooral als die dan ook nog eens lekker tekeer gaat tegen die blanke. Gut o gut, wat kunnen die zwarten scherp van tong zijn, denken ze dan.
In ons cabaretprogramma stellen we de vraag of blanken grappen mogen maken over zwarten, vergelijkbaar met de vraag of niet-joden grappen mogen maken over joden. Iedere Surinamer kan je vertellen hoe dom en lui een neger is, wij discrimineren gigantisch, al willen we dat niet graag weten. Natuurlijk maakt het wat uit als een blanke een grap maakt over de luiheid van Surinamers. Van sommige blanke kennissen en vrienden pik ik het wel als ze moppen maken, als ze zeggen: “He, mijn eigenste neger, hoe gaat het met je?” Maar anderen kan ik op zo'n moment wel vermoorden.
Als ik met mijn blanke vrouw naar recepties of feestjes van de omroepen ga, ben ik regelmatig een van de schaarse gekleurde gasten. Of Kenneth Herdigein moet er toevallig rondlopen. Of er speelt een zwarte in de band die het feest opluistert. Lineke, mijn vrouw, komt dan naar mij toe en zegt: “Je bent weer de enige vanavond, Mike.” Zij is daar veel meer mee bezig dan ik. In het algemeen houd ik me niet bezig met discriminatie, het kost me te veel tijd.
Nederland is - en daar zijn de meeste Surinamers die ik ken het roerend mee eens - een van de meest liberale landen van Europa. Wat ik bijvoorbeeld in Groningen of Friesland als neger kan uitvreten, moet ik beslist niet in Wiesbaden doen of een willekeurige Duitse stad. Als ik tegen Surinamers vertel dat ik in Frankrijk ga kamperen, wijzen ze naar hun voorhoofd en vragen ze me of ik niet bang ben dat ik op campings wordt geweigerd. Ik heb met Franse boertjes pastis zitten zuipen en met handen en voeten zitten kletsen, die hadden nog nooit een neger gezien. In feite heb je het zelf in de hand.
Als ik in de Nederlandse provincie een cafe binnenloop, wil het nog al eens voorkomen dat een of andere dronkelap erg vrolijk tegen mij begint te doen en me op de schouders slaat. Of je ziet ze denken, waar ken ik die jongen van? Dan komen ze schoorvoetend op me af en vragen ze: zit jij niet in die en die serie? Soms heeft het voordelen dat je regelmatig op de buis verschijnt. Als een onbekende Surinamer in zo'n cafe komt, denken ze al gauw dat hij verdwaald is of, in het slechtste geval, iets kwaads in de zin heeft.
DISCRIMINATIE, EN met name positieve, kom ik vooral tegen in de betere kringen. Dan komt er iemand op je af en roept dan op zijn Amerikaans “Hey, man” tegen me. Zo'n arme blanke jongen denkt zich op die manier populair bij je te maken. Ho ho, zeg ik dan, heb ik jou aanleiding gegeven om mij met “Hey man” aan te spreken. Dat “Hey man” associeer ik met de straat, met dealers. Die persoon denkt echter dat alle negers zo praten. Het valt me in die kringen vooral op dat blanke vrouwen een stiekeme interesse voor zwarte mannen hebben, dat ze om je heen komen staan. Je ziet al die blanke mannen meteen denken: die moeten we in de gaten houden, hij is veel te rap.
Ik ben wel eens door een reclamebureau gevraagd om een zwartje te spelen in een televisiespot voor een chocoladeprodukt. Dat aanbod heb ik meteen geweigerd. In de reclame wordt een donkere huidskleur nog steeds geassocieerd met chocola en tropische produkten. Voor een BMW-reclame zullen ze me niet vragen. De consument zou zich bij het zien van zo'n reclame onmiddellijk afvragen hoe die kleurling aan een BMW komt en denken: dat moet wel een pooier of een dealer zijn. Hoeveel Surinamers rijden er echter niet in een eerlijk verdiende BMW rond?’