Literatuurpolitie!

Doe open!

Marie Darrieussecq, Rapport de Police. Accusations de plagiat et autres modes de surveillance de la fiction. € 23,80

Nadat Marie Darrieussecq tot twee keer toe door collega-schrijfsters was beticht van plagiaat slaat zij terug. Woorden gaan net als kleingeld door ieders vingers.

De Franse schrijfster Marie Darrieussecq (1969) heeft het zichzelf nooit gemakkelijk gemaakt. Ieder volgend boek moet een boek zijn dat ze niet kan schrijven, een verkenning van het onbekende. ‘Dire le non-dit’ luidt haar programma. Hoe krijgen vormloze, voortalige gedachten en gevoelens gestalte in zinnen? Darrieussecq: 'Ik probeer nieuwe vormen uit te vinden, nieuwe zinnen te schrijven omdat het de enige manier is om iets te zeggen over de moderne wereld, waarvan de beweging ons anders steeds ontgaat, en die onleesbaar, onbegrijpelijk blijft.’
In januari van dit jaar publiceerde ze Rapport de police, een essay over plagiaat. Liever had ze dit boek niet geschreven, het hield haar twee jaar lang af van wat ze het liefst schrijft: fictie. Maar ze moest zich verweren tegen een beschuldiging die aan haar blijft kleven 'als de pleister van Kapitein Haddock’, zoals ze dat in een recent interview noemt. Tot twee keer toe werd ze door collega-schrijfsters beticht van plagiaat.
Na haar verrassende debuut Truïsmes (1996) volgde een radicaal ander boek. In Naissance des fantômes (1998) gaat een man een brood kopen en verdwijnt spoorloos. De leegte die hij achterlaat in het leven van de hoofdpersoon, haar angst in een wereld waar niets meer vaststaat, die letterlijk in atomen uiteenvalt, wordt door Darrieussecq tastbaar gemaakt in natuurkundige beelden.
'Naäperij’, riep de jonge Marie NDiaye, want ook in haar boeken spoken fantomen rond, ook haar werk speelt zich af op de grens van fantasie en werkelijkheid. Een relletje was geboren - en doofde weer uit, want NDiaye kon haar beschuldiging niet hard maken.
Jaren en boeken later wordt Tom est mort (2007) aanleiding voor een nieuwe rel. In die roman verkent Darrieussecq met literaire middelen onverschrokken de grenzen van pijn. Wat gebeurt er als het allerergste gebeurt. De dood van een vierenhalfjarig zoontje slaat een gat in het bestaan van de hoofdpersoon, een vrouw van 35 die met haar man en kinderen net in Sydney is gaan wonen. Tien jaar later probeert ze die dood in kaart te brengen. In korte fragmenten, als de scherpe glazen scherven van een caleidoscoop, beschrijft ze dat gat van pijn, dat gemis.
Camille Laurens, evenals Darrieussecq auteur van de kleine prestigieuze uitgeverij P.O.L, verloor door een medische fout een kind kort na de geboorte en schreef daarover in 1995 een korte roman, Philippe. In ongemeen felle bewoordingen beschuldigde ze Darrieussecq in de pers van 'psychisch plagiaat’. Darrieussecq had zich als 'een kraker’ bij haar binnengedrongen. 'Ze schreef haar boek in mijn kamer, met haar kont op mijn stoel of zich wentelend in mijn bed van verdriet.’
Alsof je een onderwerp kunt claimen en je alleen over de dood van een kind mag schrijven als je het zelf hebt meegemaakt. Alsof er in fictie juist niet dichter geraakt kan worden aan universele dingen als rouw en verdriet dan in een onversneden autobiografie.
Met Rapport de police antwoordt Darrieussecq op deze twee aanvallen zoals het een schrijver betaamt: met de pen. Ze smeedt haar rol van beschuldigde om tot een uit de kluiten gewassen persoonlijk essay over plagiaat. Het is uitvoerig van voetnoten, een bronnenlijst en een register voorzien, als ironisch verweer bij voorbaat tegen betichting van plagiaat. Boven haar inleiding zet ze een citaat van Marie NDiaye: 'Ik weet zeker dat Marie Darrieussecq door en door oneerlijk is.’
De beschuldiging heeft er diep in gehakt omdat ze zich aangevallen voelt in het hart van haar schrijverschap. Een schrijver bestaat uit woorden; door de bewering dat die gestolen zijn wordt hij in zijn wezen, zijn taal, aangevallen en ontkend. Dat maakte het voor Darrieussecq zo urgent na te gaan wat haar overkwam, waarom, en wie het nog meer overkwam.
Ze hoefde de naam van een schrijver gevolgd door plagiat maar te googelen of de gevallen rolden uit de computer, van Apollinaire tot Zola. Ik deed hetzelfde voor Nederland, en inderdaad: van Aafjes tot Zwagerman was het raak. Zwagerman reageerde destijds: 'Er is verschil tussen het steriele plagiaat in de wetenschap en creatieve kleptomanie in de literatuur.’ Aan elk schrijven gaat goed lezen vooraf. Een schrijver kan altijd een andere schrijver laten meeklinken, als eerbetoon, om te laten zien waar zijn wortels liggen. 'Het zijn ook altijd de buitenstaanders, de “literaire typetjes”, die deze oerwet van schrijvers niet begrijpen en direct met de plagiaatbel gaan rinkelen.’
Bijna altijd wordt literair plagiaat uitgevochten in de media, niet voor de rechtbank. Het gaat om het bewust schade toebrengen aan een reputatie. Plagiaat is voor een schrijver wat beschuldiging van pedofilie elders in de maatschappij is. Je wordt erdoor bezoedeld, zegt Darrieussecq.
Ze vergelijkt erotomanie, de ziekelijke neiging te denken dat je bemind wordt door een meestal bekend iemand, met plagiomanie, de obsessieve gedachte dat je geplagieerd wordt. Het levert de geplagieerde aandacht en erkenning op, kennelijk is zijn werk belangrijk genoeg om geplagieerd te worden. Hij is moreel goed, want slachtoffer. Darrieussecq munt het sleutelbegrip plagiomnie, een samentrekking van plagiomanie en calomnie (laster), dat ik zou vertalen als plagihaat. De beschuldiging komt voort uit het verlangen een schrijver monddood te maken, het is niet minder dan een symbolische poging tot doodslag. Dat is de rode draad die alle door haar besproken gevallen verbindt.
Marie Darrieussecq is behalve schrijfster en literatuurwetenschapper ook psychoanalytica. Begrippen uit de psychoanalyse als overdracht en dubbelganger zijn verwant aan het begrip plagiaat. Ze stuit op hele klonteringen van plagiaatbeschuldiging in de begindagen van de theorievorming van de psychoanalyse. Om te beginnen werd Freud zelf door zijn collega Fliess van jatwerk beticht. Janet, Stekel, Tausk, ze stalen of werden bestolen.
Vervolgens gaat ze in op de tragische affaire-Celan. De Duits-Roemeense joodse dichter Paul Celan (eig. Antschel) werd door Claire Goll, de weduwe van de dichter Yvan Goll, rabiaat achtervolgd met plagiaatbeschuldigingen. Het raakte hem zo in de kern van zijn wezen dat het hem uiteindelijk tot zelfmoord dreef. Celan was bij uitstek een man van taal: polyglot, vertaler, een dichter die stamelend en tastend woorden zocht om het onzegbare te zeggen in een besmette taal. Hij ervoer aan den lijve pijnlijk dat maar weinig mensen weten wat poëzie of überhaupt schrijven is. Het is geen kwestie van woorden bij elkaar harken. Schrijven is onvervreemdbaar gebonden aan de hand van de schrijver. De plagiaatbeschuldigers praten elkaar na, ze leggen de nadruk op wat 'op elkaar lijkt’ en veronachtzamen wat verschilt. Tegenover Golls beschuldiging dat Celan bijvoorbeeld 'bloedstraal der maan’ van Goll gepikt zou hebben, vindt Darrieussecq moeiteloos eenzelfde beeld in het werk van Garcia Lorca, Vigny, James Ellroy.
Tegen Mandelstam, door Celan bewonderd en vertaald, werd in 1928 een plagiaathetze ontketend door een zekere Gornfeld. Vanaf de plagiaatbeschuldiging loeiden de politiesirenes. Mandelstam werd langzaam kapotgemaakt tot hij in 1938 in een doorgangskamp bezweek. Onder het stalinisme fungeerde plagiaatbeschuldiging als politiek wapen. Geen symbolische, maar letterlijke poging tot moord. Het begint met de beschuldiging van plagiaat of gestolen manuscripten, er volgen meer verdachtmakingen, uitsluiting uit de schrijversbond - dus geen huis, geen werk - en het eindigt met zelfmoord, Goelag of executie. De lijst plagiomnie-slachtoffers is lang, Darrieussecq bespreekt Majakovski, Achmatova, Boelgakov, Babel.
In het voormalige Joegoslavië wordt Danilo Kis door de Servische nationalisten het recht ontzegd om te schrijven over de Goelag (Een grafmonument voor Boris Davidovitsj) omdat hij het zelf niet heeft meegemaakt. Men probeert hem te 'ontmaskeren’ als dief van Solzjenitsyn en andere getuigenissen. Plagiaat! Houd de dief! Er is een troebele link tussen de beschuldigers en de met antisemitisme gemengde roep om nationale zuiverheid. Kis’ ironie, zijn kosmopolitische levensstijl, zijn spel met fictie en werkelijkheid worden afgestraft.
Literatuur is altijd een kwestie van echo’s, reacties, variaties op een thema. Zoveel zijn dat er niet: liefde, honger, dood. Een schrijver schrijft altijd in een traditie en zal vaak tot zijn verbazing een voorganger ontdekken of iemand die aan het andere eind van de wereld op hetzelfde moment dezelfde obsessies heeft: anticiperend plagiaat. Zo vindt Darrieussecq een tweelingzusje in de jonge Japanse schrijfster Yoko Ogawa, die in dezelfde mate als zij geobsedeerd is door verdwijning-water-zee-metamorfose, terwijl ze haar werk niet gelezen kan hebben. Literaire verwantschap betekent voor Darrieussecq juist opwinding, emulatie.
Vanuit een bepaalde optiek kun je altijd plagiaat aanwijzen. De Franse kunstenares Sophie Calle (nu in de Pont, Tilburg) liet de e-mail waarmee haar geliefde het uitmaakte becommentariëren door 107 vrouwen. De literatuurwetenschapster onder hen wees op intertekstualiteit: bijna iedere zin of deel van een zin viel samen met zinnen uit de wereldliteratuur. Schrijven gebeurt tenslotte met woorden en woorden zijn als kleingeld dat door ieders vingers gaat.
Het omgekeerde is ook waar. De Nederlandse fotograaf-schrijver Paul Bogaers beschikt letterlijk over een scherpe pen: een papiermesje. Daarmee sneed en plakte hij de roman Onderlangs bijeen, die uitsluitend bestaat uit citaten uit 243 rommelmarktboeken met titels als De vroolijke pretmaker en Het winkelmeisje. De oorspronkelijke typografie werd gehandhaafd, hij voegde geen woord van zichzelf toe en toch is het een uniek en oorspronkelijk werk. Het boek schreef zich letterlijk zelf, maar een andere knipplakker zou met gebruik van dezelfde bronnen tot een heel ander resultaat komen.
Darrieussecq is een schrijver die leest. Wie niet leest kan in de domme illusie verkeren dat hij origineel is. Het opeisen van een cultureel domein is kitsch. Het wortelt in onzekerheid en onwetendheid, het verlangen naar een overzichtelijke, eenduidige wereld. Darrieussecq stelt de langue plurielle van het modernisme tegenover de zogenaamde authenticité. De anti-modernen zien overal plagiaat, en de taal waarin die beschuldigingen gesteld zijn past in de traditie van schuimbekkende conservatieve tirades. De vermeende plagiator wordt aan de schandpaal genageld in termen ontleend aan spijsvertering, dieren, vampiers.
Zowel in een liberaal-kapitalistisch als in een dictatoriaal systeem ziet men het liefst leesbare, ondubbelzinnige literatuur, de metaforen zijn beperkt tot clichés. Anders staat de literatuurpolitie paraat.
Het lijkt wel of er een fobie voor fictie bestaat. Steeds meer terreinen worden tot verboden gebied verklaard. Verdriet en ziekte worden geclaimd als privé-bezit. Dat vormt volgens Darrieussecq op dit moment een grotere bedreiging voor de Europese literatuur dan staat of godsdienst. De schrijver moet zijn papieren van echtheid tonen. Het woord 'ik’ is besmet. 'Je est un(e) autre’, nooit van gehoord. Varlam Sjalamov kruipt in het verhaal Cherry Brandy in het hoofd van de stervende Mandelstam. Mag niet. Jonathan Littell laat het kwaad van binnenuit zien door de blik van nazi-beul Aue. Het maakt hem verdacht.
Dromen wordt beschouwd als tijdverlies, concentratie is wat telt. Maar dat is een absurde tegenstelling: om op te gaan in fantasie is concentratie nodig. Fictie schrijven begint met het werk van wakend dromen. Het is de oude tegenstelling tussen Plato, een verklaard tegenstander van fictie, en Aristoteles, die fictie ziet als een manier om te zeggen wat mogelijk is, het is ook een vorm van waarheid. Fictie is geen leugen, want leugen is een morele categorie, fictie een esthetische.
Rapport de police is een breed uitwaaierend, erudiet en prikkelend essay. Het geeft je zin om ze te lezen, al die genoemde auteurs. En daarmee is het een ode aan de verbeelding. Een waardig weerwoord.

Marie Darrieussecq
Rapport de police
P.O.L, 368 blz., €19,50


Van Marie Darrieussecq verscheen in Nederlandse vertaling, allemaal van de hand van Mirjam de Veth: Zeugzoenen (Truïsmes, 1996), De Arbeiderspers, 1997; Spookverschijningen (Naissance des fantômes, 1998), De Arbeiderspers, 2000; De baby (Le bébé, 2002), De Arbeiderspers, 2003, heruitgegeven bij J.M. Meulenhoff 2009; White (White, 2003), De Arbeiderspers 2006; Tom is dood (Tom est mort, 2007), J.M. Meulenhoff, 2008