‘doe wat, bergkamp!’

HET WAS NIET direct Saulus op de weg naar Damascus die zich deze zomer in mij manifesteerde, maar ik begon toch trekken van mijn eigen vertrouwde ‘ik’ kwijt te raken tijdens het WK voetbal. Een zorgwekkende ervaring.

Jaar in, jaar uit had ik prettig hoogmoedig kunnen zijn. Al die gekte rond de lelijkste kleur van het spectrum, de kleur van ons vorstenhuis dat niet mijn hart heeft, de kleur van Afrikaantjes naast elkaar aan de rand van een klein bordes, de kleur die afstoot, verhardt en altijd onecht is - ik liet het langs m'n koude kleren afglijden. Zuiver en verlicht ging ik door de straten, zonder ballast van spanning, chauvinisme en collectivisme. Vóór mij lagen zeeën van vrije tijd waarin ik al die heerlijke dingen in m'n eentje kon doen die ik altijd al het liefst in m'n eentje deed.
Wel dacht ik: Idioten! als ik iemand met een oranje hoed zag. Of: Ze zijn gek! als ik in de schappen van de supermarkt weer iets oranjes zag liggen dat normaal gesproken blauw is. Maar aangezien ik die woorden niet hardop uitsprak, kon ik zonder in gevecht te geraken mijn voortreffelijke gang gaan.
Dat verliep dit jaar dus anders.
Eerst deed ik het omdat het samenleven van een verlicht persoon met een platvloerse voetbalfanaat onverkwikkelijkheden oplevert. Dat had ik een aantal keren ervaren. Woede over het geluid van de stemmen van Studio Sport wordt niet gedempt door dichte deuren of een lange wandeling met de hond. Ethische discussies over de vergelijking tussen de Olympische Spelen van 1936 en het treffen Nederland-Nigeria vervluchtigden in het argument dat het slechts een oefenwedstrijd betrof. Supportersgeweld werd afgedaan als een gegeven dat niet het sportieve spel betrof. Ik verloor, ik verloor aan alle kanten. Intelligentie baatte niet, overredingskracht niet, ergernis niet. Dat de sfeer in huis weinig riant was niet.
Met oprechte verbazing had ik in het begin uitgeroepen: ‘Is er dit jaar alwéér een WK? Wat was dat andere dan?’ Dat was de Champions League. 'En dat ándere andere dan?’ Dat was het EK.
IK BESLOOT UIT naastenliefde mijn relatie niet op het spel te zetten en aardig te zijn. Ik haalde popcorn en waterijsjes in huis, vertelde dat Frank Sinatra per dag achttien waterijsjes had gegeten, nodigde nog een derde uit en ruimde wat boeken uit de weg.
We keken naar Nederland-België. Elf blauwe mannen voetbalden tegen elf witte mannen. De witte mannen gingen, zodra de bal eraan kwam, met z'n allen voor het doel staan en het bleef 0-0. Ik had geleerd wat een corner was en wat buitenspel en de verschillen tussen een gele kaart en een rode kaart. Ik had wat namen bij gestalten geleerd. Het werd een verveelde avond, ijsjes en popcorn ten spijt. Geef mij maar het edele toepspel. Voetbal was niks, nada.
Ich hatte meine Schuldigkeit getan, ich konnte gehn.
Bij de volgende wedstrijd waren we gelukkig op vakantie in Griekenland. Maar dat haalt je de koekoek! In het buitenland was het WK ook mensenvermaak nummer één en binnen de kortste keren had de zoon van de baas een tv-toestelletje ter grootte van een postzegel voor mijn geliefde opgesteld om de wedstrijd Nederland-Zuid-Korea niet te missen. In het buitenland laat je iemand niet in de steek, en voor het eerst in mijn leven zag ik een voetbalwedstrijd die me keer op keer deed opspringen van vreugde, zo erg zelfs dat mijn geliefde zich begon te verontschuldigen tegenover de andere toeristen, in de trant van: zo is ze nu eenmaal. Zo was ik helemaal niet! Maar ik werd gék van de ballen die er de een na de ander werden ingeknald bij Zuid-Korea! Ik wist niet eens dat dat land een voetbalnatie wás, maar dat wisten ze zelf dus ook niet. Innig tevreden ging ik naar bed, mooie sport dat voetbal, mooie jongens.
IK KEERDE WEER terug naar mijn heerlijke boek en mijn eigen ik aan de rand van de zee en wist mijn geliefde in de goede zorgen van de zoon van de baas bij de wedstrijd Nederland-Mexico. De zee was van goud, er stond een zacht briesje en ik wist zeker dat we in het begin van onze evolutie vissen waren geweest. Ik had mijn voetbal gehad, mooier dan ik me kon voorstellen, vanaf nu zouden er alleen maar teleurstellingen volgen en wat kon mij Nederland schelen, wat kon mij Oranje schelen. Toen ik toch maar eens poolshoogte ging nemen, stond Nederland 2-0. Tegen Mexico? 2-0? Dat bestaat niet, zei ik, want ik doe vaak wat psychologie in mijn waarnemingen. Mexico, dat is Zuid-Amerika, zei ik, dat is een land van messentrekkers, sluipschutters en bommenleggers, wacht maar af, dat winnen we nooit! zei ik volleerd, en klom op de barkruk. Het was die wedstrijd dat mijn Bergkamp-obsessie begon. 'Doe wat, lummel!’ riep ik. 'Zie je dat, hij staat de hele wedstrijd te lanterfanten.’ 'Waar ben je, Bergkamp?’ 'Ja, niet nú pas de sokken erin zetten, Bergkamp.’ 'Wat wil je, de bal op een presenteerblaadje, Bergkamp?’
Ik kreeg gelijk, de 2-0 was misleiding geweest.
DAT GELIJK KRIJGEN, dat was het wat mij de das om deed. De dag dat we op Schiphol landden, verheugden we ons al op de avondwedstrijd. Mijn geliefde beweerde dat we nooit van Argentinië, voormalig wereldkampioen, zouden winnen, dus ik beweerde het tegenovergestelde. Mijn messentrekkersargument had ik al gebruikt en bovendien was gaande het WK de gewoonte ontstaan dat als ik iets riep, mijn geliefde, de ervarene, de voetbalfanate, de sportliefhebster, rustig beweerde dat dat niet het geval was, dat het geen corner was, geen buitenspel, geen vrije trap, een halve seconde vóór het fluitje voor een corner, een buitenspel, of een vrije trap. Zelfs mijn Bergkamp-obsessie, die zij steeds probeerde te blussen door zijn intelligentie, zijn voetbalelegantie en zijn benarde positie te benadrukken, kreeg achteraf steun van Cruijff, die vond dat Bergkamp niet 'in de wedstrijd zat’. Nee, hij heeft er het hele WK niet in gezeten. En paardestaartengeltje Davids, die steeds voor alle spelers de spinnewebben wegveegde, 'zat er in’ als een duveltje in een doosje!
'Wat zeg jij?’ vroeg een vriendin met wie ik een paar dagen op Schouwen-Duiveland was. 'Nederland-Brazilië? 1-2’, zei ik, overtuigd van mijn beginnersgelijk. Zij dacht 3-2 voor Nederland en we spraken een prijs af.
EN NU? NU heb ik de pest in, net als iedereen. Niet omdat we verloren hebben, want wat kan dat me schelen, achteraf gezegd. Maar omdat ik me heb laten kennen. Omdat ik me nationalistisch heb gevoeld. Omdat ik even vergeten was wat die jongens verdienen en willen verdienen. Omdat ik even niets onverdraaglijks hoorde aan de stemmen van de De Boertjes, omdat ik even vergat dat spontane plastische uitdrukkingen als 'door de hoeven gaan’ (Cruijff) onmiddellijk door de media worden platgewalst, omdat ik even collectief hossen en uitdossen aandoenlijk vond, omdat ik even wilde luisteren naar hoe het therapeutenechtpaartje Barend en Van Dorp elkaar en zichzelf toch het aller-, allerbeste vond.
En wat is de winst?
Ik, die dit WK vanuit alle windstreken heb gezien, moet zeggen dat er maar één van al die bloedstollende beelden op mijn netvlies zal blijven hangen. Dat is het beeld van Jan Mulder op een Zuid-Frans pleintje van Van Gogh. Hij liet alle flauwiteiten van BvD passeren, alsof hij schapen telde voor het slapen gaan. Zo nu en dan zag hij een zwart schaap en schrok wakker en kopte de bal onvergetelijk in het doel. Soms zei hij koppig: ik slaap! als hij nóg eens moest herhalen dat strafschoppen niets met voetballen te maken hadden. Hij was de enige man die geen spoor van nationale zelfgenoegzaamheid vertoonde. Het leek me wel de moeite waard om zonder voetbal door het leven te gaan. Zoals Jan Mulder altijd doet.
P.S. Bij de finale Brazilië-Frankrijk zag ik hét staaltje van nationale zelfgenoegzaamheid: president Chirac met een sjaaltje om van goedkoop allooi. Ik zapte ’m weg naar een reclame van de Melkunie. Ik begon mijn verlichte ik op te krikken: waar was je? Op vakantie.