Doeltreffend minimalisme

Dat poëzie datgene is wat verdwijnt als je het vertaalt, is een uitspraak die zo vaak gebruikt is dat die aan slijtage onderhevig is. Ik heb zelden mensen zoveel ruzie zien maken als poëzievertalers. Het is een hels karwei en nog frustrerend ook. De erkenning blijft naar de dichter gaan, terwijl de vertaler het gedicht opnieuw maakt.

Toch zijn vertalingen en de reacties daarop leerzaam. Dirk van Bastelaere en Erik Spinoy - wat een feest om die twee totaal verschillende dichters weer eens in een adem te noemen - gelden in het Duits vertaald als ‘gewone dichters’ en helemaal niet radicaal of zozeer afwijkend van anderen als ze in Nederland vaak beschouwd worden. Andersom is me opgevallen dat in die Franse kringen waarin abstractie en een bepaald intellectualistisch discours niet ver weg zijn juist de Nederlandse eenvoud wordt geprezen. Remco Campert, F. van Dixhoorn, Martin Reints, Miriam Vanhee: ik heb hun vertalingen horen aanbevelen met termen als ‘l'économie des mots’ en ‘la clarité’, gevolgd door een in dit verband al dan niet toepasselijke lofzang op het kleurgebruik van Nederlandse schilders. Het zijn natuurlijk maar kleine streekproeven - welke Fransen en wanneer precies? - maar hoe willekeurig ook, het zegt altijd iets, een gedicht vertaald in een andere taal, een tekst in een andere context.
K. Michel schreef in een bundeling Poëzie is een daad die voor de tachtigste verjaardag van Remco Campert verscheen, over het enthousiasme dat hij bij het grote poëziefestival in Medellin, Colombia bemerkte voor Campert, die er een jaar vóór hem te gast was. Op zijn manier maakt Michel daar een spelletje van, door het publiek te laten vragen of het waar is dat Campert soms aan een paraplu boven Amsterdam hangt, of als je in Holland ‘Remco’ in het oor van een koe fluistert die koe dan geen melk maar campari geeft. Bekend zijn de filmbeelden, van Indonesië en van Medellin, van hele menigten die zijn naam scanderen. Maar waar komt die populariteit dan vandaan? Is het zijn innemende, verlegen voorkomen, zijn prachtige voorleesstem? Nee, niet alleen, het moet ook in de vertalingen terug te vinden zijn, dat breekbare eenvoudige van zijn teksten. En ik krijg zo'n vermoeden dat dat een vorm van poëzie is die je op die manier niet in andere talen kent.
Denk aan C. Buddingh’, zijn eenvoudige voorstellingen van hoe hij probeert of het deksel van het potje sandwichspread ook op de jampot past, of zijn geluk als zijn vrouw niet voor de bushalte rechts maar links kiest, omdat hij haar dan twee keer kan nakijken, één keer op straat en één keer in de bus. Het is van een uiterst doeltreffend minimalisme, niet zonder humor en evenmin moeilijk mis te verstaan. Je kunt het geen ‘light verse’ noemen en ook geen onzinpoëzie, het spreekt voor zich. En het is dat genre waar een aantal bundels die de afgelopen maanden verschenen bij aansluiten, bundels die die traditie in stand houden.

Krijn Peter Hesselink debuteerde vorig jaar met Als geen ander. Lichte poëzie, daar waren zijn critici het over eens, met iets goedgemutsts en ongrijpbaars. Meteen binnen het jaar is er een tweede bundel, Stil alarm, met gedichten die iets langer van regel zijn en opnieuw behagen. Het zijn kleine voorvallen die Hesselink beschrijft en ze hebben iets knus en overzichtelijks. Een ik-figuur probeert een sliertje mie in het profiel van het gezicht van de jij-figuur tegen de wc-deur te plakken. Opvallend is de terloopse lenigheid van Hesselinks taalgebruik, die de gedichten smooth en gentle houdt. De decors van zijn gedichten zijn grotendeels huiselijk en de klik die hij tussen zijn protagonisten laat ontstaan is subtiel en gevoelig. Met Buddingh’ en Campert heeft Hesselink niet al te veel te maken, het is eerder middels zijn toon dat hij de lezer aanspreekt dan door preciese wendingen. Is het een slammer, is het een singer-songwriter? Nee, het is Krijn Peter:

Toen ik hierheen reed zag ik in de mist
een agent te paard met lampjes aan zijn laarzen
zijn licht dwaalt door een lege winkelstraat
als ik vannacht het zwarte asfalt ben
ben jij het laatste zebrapad dat langzaam
in mij wegzinkt, er is geen mens die nog
over zou willen steken.

De gedichten van Sylvia Hubers in haar bundel Vandaar dit huwelijksleven zijn kordaat en puntig. Er zijn prozagedichten met grappige titels als we drinken onze rode port en houden onze kop. Het zijn kleine monologen of dialogen, over het rechtleggen van een kleed, of dat de hemel van alle mensen is nu Jan Wolkers er woont. Op een innemende manier laat Hubers de hulpeloosheid zien van de mens, die van vergissingen logica probeert te maken. Het is poëzie die het heel goed doet in de voordracht, door het onderkoelde absurdisme spreken de gedichten meteen aan.

Met tweehonderd goedgevulde ballonnen
kun je uiteindelijk wel een man optillen
uit zijn verstarde positie,
meldde de man van de ballonnenfeestwinkel

en de man van de ballonnenfeestwinkel
ik tilde hem op.

Ik tilde hem op
met één vinger
en met nog een.

Ik tilde uiteindelijk
de man van de ballonnenfeestwinkel
met al mijn vingers

een heel klein eindje

van de grond.

Eenvoud van taal is ook kenmerkend voor Rodaan Al Galidi. Hij publiceerde Digitale hemelvaart, een bundel die op een kernachtige manier over eenzaamheid en afstand tot de mensen lijkt te gaan. Ook Al Galidi houdt ervan het absurde te tonen en tegelijk behaagt hij zijn lezer. In zijn geval doet dat de lezer zich licht ongemakkelijk voelen. ‘Laat me/ mijn droom volgen./ Maak eerst/ de droom wakker,/ daarna mij’, luidt een kort gedicht dat je op twee sporen kunt lezen: het gaat niet alleen over slapen, het gaat ook over leven. In een ander gedicht stelt hij zich voor dat Saddam Hoessein van de Nederlandse ambassadeur begrijpt dat hij een goede dichter is en hem vraagt zijn hond te trainen. Als vervolgens de hond ‘zit!’ roept tegen de dichter is de boodschap wel duidelijk. En toch gaat Al Galidi dan door, voorbij het puntige, en dat maakt het gedicht beklemmend. Als Hoessein ‘Brave hond’ zegt weet je niet meer wie hij bedoelt, de dichter of de hond. De duidelijkheid van de gedichten stemt een beetje ongemakkelijk: is alles echt wel zo eenvoudig als Rodaan Al Galidi het voorstelt? Houdt hij ons niet voor de gek? Het is een knap spel dat hij speelt, hij spiegelt. Hij is gaan schrijven in het Nederlands dat hij geleerd heeft en laat ons zien dat er aan onze duidelijkheid wat scheelt.

Poëzie is een daad. Gedichten voor Remco Campert. De Bezige Bij, 104 blz., € 17,50
Krijn Peter Hesselink, Stil alarm. Nieuw Amsterdam, 64 blz., € 14,90
Sylvia Hubers, Vandaar dit huwelijksleven. Prometheus, 56 blz., € 15,95
Rodaan Al Galidi, Digitale hemelvaart. Meulenhoff, 60 blz., € 15,-