Ger Groot

Doen alsof

Avontuurlijk schrijven is kenmerkend voor essayistiek, vindt de commissie die dit jaar de P.C. Hooftprijs heeft toegekend. Het werk van Sem Dresden, die hem kreeg, voldoet daar in hoge mate aan. Wie de opstellen leest uit de bundel Het vreemde vermaak dat lezen heet kan dat beamen. Dresdens gedachten zwerven uit langs kronkellijnen die zelden terugkomen op het punt vanwaar ze vertrokken. De essays zijn een zoektocht waarop je vergeet waarnaar aanvankelijk het zoeken was, om uit te komen bij wat je niet verwachtte.

Ongemakkelijk is dat wel, want Dresden werpt vragen op die geen antwoord krijgen. Hoe zit het bijvoorbeeld met de verhouding tussen literatuur en werkelijkheid, waarover het in de openingsessays gaat? Dresden toont zich niet erg gecharmeerd van een literatuuropvatting die zich alleen maar interesseert voor de manier van vertellen en niet voor de vraag wat er verteld wordt. Vlak daarvoor heeft hij de bijzondere betekenis van de holocaust-literatuur beschreven en vastgesteld dat de daarin opgeroepen werkelijkheid onvoorstelbaar is — ook voor de literatuur.

Vervolgens constateert hij dat «de uiteindelijke zin van de literatuur in het geheel niet behoeft te liggen in het beschrijvend weergeven van werkelijkheid», om iedere biografische interpretatie van romans af te wijzen. Hij betaalt een fikse prijs voor zijn weerzin tegen dit soort voyeurisme, want bijna onvermijdelijk valt daarna het woord «intertekstualiteit», dreigen «aard, bedoeling en kwaliteit der teksten» geen rol meer te spelen en raakt de literatuur verliteraturiseerd.

Dresden onderkent dat, maar het vermurwt hem niet. Het gaat in de literatuur om het ontdekken van de symbolische lading van het verhaal, schrijft hij. Met als gevolg dat «ook de meest indrukwekkende documentaire verslagen niet tot literatuur worden gerekend… [Ze zijn] niet méér en zeker niet minder dan literatuur, zij zijn anders.»

Is dat waar? In De binnenlanden deed de Braziliaanse schrijver Euclides da Cunha in 1902 nauwkeurig verslag van de strijd die kort daarvoor in het noordoosten van Brazilië gevoerd was tussen een religieuze sekte en het leger. Hij wilde zo precies en wetenschappelijk zijn dat het boek begint met vijftig bladzijden geografische en botanische beschrijvingen van de omgeving, gevolgd door nog eens honderd bladzijden etnografische informatie over de plaatselijke bevolking. De strijd wordt tot in details historisch verantwoord weergegeven.

Zo’n tachtig jaar later deed Mario Vargas Llosa in De oorlog van het einde van de wereld hetzelfde, maar nu in de vorm van een roman. Dat betekent dialogen en uitgewerkte karakters in close-up, waar Da Cunha het moest laten bij brede (zij het niet minder levendige) panorama’s. Is het ene «literatuur» en het andere niet?

Misschien ligt de scheidslijn elders. De werkelijkheid kan nooit worden weggefilterd uit een literaire vertelling, wil die niet volkomen onbegrijpelijk worden. Maar we kunnen literatuur wel lezen op zo’n manier alsof die werkelijkheid er niet toe deed. «Literair» wordt een boek dan op afspraak, waarbij we beloven het te lezen alsof het alleen maar naar Dresdens «symbolische» betekenis verwees. Natuurlijk weten we wel beter. We weten dat de steden die genoemd worden werkelijk bestaan en de personages gemodelleerd zijn naar reële mensen, maar dat doet er dan even niet toe.

Plausibel als het klinkt, lost dat het probleem niet op. Want een schrijver kan zich in zijn fantasiewerkelijkheid niet te veel bokkensprongen veroorloven zonder dat het opvalt. En als het opvalt (bijvoorbeeld wanneer hij Caesar in 1848 laat sterven) heeft het meteen een literaire betekenis. Of ze zich nu aan de werkelijkheid houdt of die vervormt, de literatuur blijft van haar afhankelijk.

De holocaust-literatuur — aldus Dresden — toont dat het duidelijkst. Het maakt nogal wat uit of er een roman over een concentratiekamp geschreven wordt in een wereld waarin echte concentratiekampen hebben bestaan, of in de gelukkiger werkelijkheid waarin zij louter zieke hersenspinsels zijn. In het eerste geval wordt een literair «doen-alsof», dat van iedere realiteit meent te kunnen afzien, een verkapt soort negationisme.

Dit soort romans vormt een grensgeval, maar stelt de vraag wel op scherp. Wat is de verhouding tussen literatuur en realiteit nu echt? Dresden heeft er zwervend naar gezocht. Hij heeft veel gevonden, maar het laatste antwoord zat daar niet bij.