Doen wat de touwen zeggen

Klaas van Assen, Een verhaal voor Hizzel. Uitgeverij Querido, 166 blz., f27,50
Kindermishandeling is geen gangbaar onderwerp binnen de Nederlandse jeugdliteratuur. Het beste zijn altijd nog Hans Dorrestijns tenenkrommende verhalen uit de bundel Brandnetels (1984). Veel jeugdige lezers bewonderen Anke de Vries’ Blauwe plekken (1992). Ze krijgen daarin zo breed uitgemeten hoe een huilerige moeder haar dochter afranselt met deegroller en stofzuigerslang dat hun weinig anders rest dan zich door de wijd open kraan van ellende in een hoek te laten spoelen. Niet meer dan goed bedoeld is het onlangs verschenen Tante Pech en de pechvogeltjes van Joke Glansbeek, waarin de schrijfster menselijke wreedheden op de dierenwereld projecteert en verwerkt tot een pathetisch, kneuterig soepje.

In Een verhaal voor Hizzel van Klaas van Assen komt mishandeling niet voor - noch als woord, noch als daad - maar het gaat wel over ouderlijk onvermogen en een dientengevolge bedreigd en bang kind. Een echt kind is Hizzel eigenlijk niet. Ze is een levende pop. Al negen jaar vertoont ze haar kunsten in een rondreizende poppenkraam. Ze moet doen ‘wat de touwen zeggen’ en aan die touwtjes trekt de boze Poppenman. Over hem komen we alleen te weten dat hij drinkt, vloekt en iedereen haat. Als Hizzel niet optreedt hangt ze als Haakje Bee tussen de Engel en de Heks in de kast. Ze heeft 'nog nooit het vrije leven gezien’ en is niet alleen manipuleerbaar via haar touwtjes, maar vooral ook via haar angst.
Op een dag neemt Hizzel de benen. Ze woont een tijdje in bij een muis: zij reddert in het hol en praat, hij luistert en sleept de wintervoorraad aan. Wanneer de behoefte aan iemand 'die iets terugzegt’ groter wordt dan de vrees voor de Poppenman, waagt Hizzel zich onder de mensen. Met Jocriss, een rondtrekkende potsenmaker en verhalenverteller, komt ze als seizoenarbeider terecht op een boerderij, waar de dieren, de kinderen en de brede schoot van de boerin hun helende werk doen en de pop de moed geven een mensenkind te worden.
Met de poppenkraam en toebehoren heeft Van Assen een mooi beeld gevonden voor binding en afhankelijkheid. Hizzels ontwikkeling laat zich lezen als een moderne versie van Pinokkio: waar de leugenachtige marionet vader Geppetto kwetst en op die manier lange tijd verhindert dat hij een echte jongen wordt, is Hizzel zo gekwetst door haar 'vader’ dat ze onmogelijk een meisje van vlees en bloed kan zijn. De zwijgende vriendschap met de muis brengt haar ertoe te gaan eten en dus te groeien. Op de boerderij koestert ze zich in het warme gezin - prachtig is de boer die tijdens het melken met zijn koeien praat - en blijkt ze te kunnen huilen, iets wat levende poppen niet gegeven is.
Dat het verhaal niet ondergaat in kommer en kwel, is te danken aan de ondernemende kleine hoofdfiguur, die de moed heeft de touwtjes in eigen hand te nemen. De andere reden ligt in de lichte, voorzichtige schrijfwijze. Van Assen duidt aan, de precieze invulling is aan de lezer.
Op een punt ontaardt deze behoedzaamheid in vaagheid. Jocriss vertelt verhalen die iets verhelderen over het bestaan. Het verhaal dat hij Hizzel belooft - vandaar de boektitel - krijgt alleen zij te horen. Vanuit schrijversstandpunt is dat misschien juist, maar de lezer die intens met Hizzel heeft meegeleefd, blijft daar in de kou staan.