STUDENTENACTIVISME TOEN EN NU

‘Doen wij ons werk wel goed?’

Veertig jaar na de studentenopstand aan Columbia University is Amerika opnieuw in oorlog. Maar onder de studenten blijft het stil. Wetenschapssocioloog Jonathan Cole analyseert het verschil tussen ’68 en ’08.

Het was een zonnige dinsdag in april 1968. Gesterkt door het credo ‘Up Against the Wall, Motherfucker!’ liepen ruim duizend studenten Hamilton Hall binnen, een universiteitsgebouw op de campus van Columbia University in New York. Uit protest tegen de oorlog in Vietnam, en tegen de geplande aanleg van een fitnesscomplex in het park tussen de universiteit en het naburige Harlem, met aparte ingangen voor blanke studenten en zwarte buurtbewoners, begonnen ze een bezetting die pas acht dagen later zou eindigen – door een politie-ingreep met veel machtsvertoon en onder toeziend oog van de nationale en internationale media. In de tussentijd waren nog vier andere gebouwen bezet, waren studenten en staf onderling tegenover elkaar komen te staan, had de politie één Rembrandt uit het kantoor van de voorzitter gered en 712 arrestaties verricht en waren 148 mensen gewond geraakt.

Ook op andere Amerikaanse universiteiten werden dat jaar gebouwen bezet en braken rellen uit, maar geen ervan eindigde zo gewelddadig en kreeg zo veel media-aandacht als het protest aan Columbia, dat nog altijd hét symbool is van studentenactivisme in de VS.

Veertig jaar later is Amerika opnieuw in oorlog. En opnieuw heeft de universiteit, een upper class enclave in een deel van Manhattan waar vooral Afro-Amerikanen en Latino’s wonen, controversiële uitbreidingsplannen (de annexatie van ten minste vier woonblokken in West Harlem). Maar wat destijds nog tot een gijzeling van de campus leidde brengt vandaag amper een student op de been. De universiteit kijkt liever naar het verleden. In de universiteitsbibliotheek is een tentoonstelling van ‘documenten en andere materialen uit de lente van 1968’ te zien, de Journalism School toont documentaires over ’68 en alumni houden een driedaagse conferentie om de opstand te herdenken. De aandacht voor de oorlog in Irak valt hierbij volledig in het niet. Een kleine club studenten heeft een actieweek op touw gezet onder de noemer ‘Five Years of Occupation, Five Days of Action’. Maar waar de demonstrerende studenten van 1968 nog terugtrekking van de troepen uit Vietnam eisten, is het doel van de Five Days een stuk bescheidener: awareness.

‘We willen ervoor zorgen dat je een hele week niet op de campus kunt komen zonder je bewust te zijn van de oorlog in Irak’, zegt Sofia, een Griekse antropologiestudente van het actiecomité. Radicaal zijn de activiteiten niet. Er wordt geprobeerd in vijf dagen alle namen van de omgekomen Irakezen en Amerikaanse soldaten voor te lezen. ‘Als dat niet lukt, is dat al een politiek statement’, aldus een van de organisatoren. In plaats van een bezetting of een sit-in is een walk-out georganiseerd: het verlaten van het leslokaal, donderdag tussen twaalf en vier.

Maar verder gebeurt er weinig. ‘Universiteiten zijn doodstil over Irak. Het lijkt of niemand hier geïnteresseerd is in onderdrukking of het verdwijnen van individuele vrijheden’, zegt Jonathan Cole, hoogleraar en voormalig provoost aan Columbia University. Hij zat er in 1968 als promovendus sociologie met zijn neus bovenop. In 1960 kwam hij als student binnenwandelen en vervolgens is hij nooit meer weggegaan. Tijdens de opstand was hij bijna klaar met zijn proefschrift en gaf hij les aan undergraduates.

Cole’s ruime kantoor op de achtste verdieping van Columbia’s Law School biedt uitzicht op de campus en een deel van Harlem. Als wetenschapssocioloog verdiept Cole zich onder meer in de maatschappelijke rol van universiteiten en pleit hij regelmatig voor het belang van academische vrijheid – zoals in Academic Freedom Under Fire, een essay uit 2005 waarin hij waarschuwde voor de gevolgen van de Patriot Act op het ‘radicale denken’ waarvoor universiteiten, volgens hem, vrijhavens moeten zijn.

Omdat hij in 1968 enerzijds nog student, anderzijds al docent was, koos hij niet zonder meer partij. ‘Ik had sympathie voor de idealen en eisen van de studenten’, zegt Cole, die zelf in _civil rights-_optochten meeliep en fel tegen de oorlog in Vietnam gekant was. Maar in de wijze waarop de radicale studenten de universiteit tot symbool uitriepen van al wat aan Amerika mankeerde – racisme, onrechtvaardig kapitalisme, oorlog – kon hij zich minder vinden: ‘Ik was tegen hun wens de universiteit kapot te maken.’

Eenzelfde nuance klinkt door in de manier waarop Cole het contrast analyseert tussen het activisme van toen en de apathie van nu. Natuurlijk is er een aantal voor de hand liggende verschillen, waarvan het ontbreken van de dienstplicht het meest in het oog springt. ‘Pas toen duidelijk werd dat ook middle class kids de oorlog in gestuurd konden worden, raakte iedereen plotseling betrokken’, zegt Cole over ’68. En waar Vietnam de eerste ‘televisieoorlog’ was en Amerikanen dagelijks werden geconfronteerd met een stortvloed van shockerend beeldmateriaal, daar is Irak journalistiek gezien een zorgvuldig georchestreerde oorlog, met voornamelijk embedded verslaggevers die hun verhaal vertellen vanuit het oogpunt van ‘onze jongens’. En er is een schaalverschil. Vorige maand overleed in Irak de vierduizendste Amerikaanse soldaat, maar uit Vietnam kwamen in 1968 alleen al vijftienduizend body bags terug.

De politieke apathie is volgens Cole het gevolg van ontwikkelingen die verder teruggaan dan Operation Iraqi Freedom: ‘De rellen in ’68 waren het eindpunt van een serie sociale bewegingen die in de Verenigde Staten al een tijdje aan de gang waren, zoals de civil rights movement en de vrouwenbeweging, en die veel studenten hadden gemotiveerd.’ John Kennedy had een gevoel van hoop en verandering vertegenwoordigd en ‘er was het geloof dat we door middel van collectieve actie onze sociale en economische instituties konden hervormen’.

Dat geloof in de kracht van het collectief was geen lang leven beschoren. De protesten op Columbia en elders in de Verenigde Staten werden eerder bruut neergeslagen dan dat ze tot verandering leidden, de live op televisie uitgezonden Democratische Conventie in Chicago eindigde in een gewelddadige confrontatie tussen demonstranten en de politie, en bij de verkiezingen later dat jaar werd de Republikein Richard Nixon voor zijn belofte van law and order met het presidentschap beloond.

Machtsvertoon brak de wil van studentenorganisaties. Cole: ‘Jonge mensen raakten ontmoedigd en de studentenbeweging werd gefragmenteerd.’ ‘Drie of vier decennia van extreem individualisme’ volgden, waarin zelfredzaamheid en zelfverrijking belangrijker waren dan sociale of politieke betrokkenheid. Het idee dat collectieve actie tot verandering kon leiden maakte plaats voor een cynische houding tegenover de politiek en het geloof dat ‘als je toch niets kunt veranderen, je in elk geval maar moet zorgen dat je het zelf goed voor elkaar hebt’.

De studenten die Cole nu heeft, geboren rond ’85, hebben een politiek bewustzijn dat niet verder terug reikt dan het presidentschap van George W. Bush: ‘Een zeer apolitieke generatie. Ze hebben totaal geen vertrouwen in politiek leiderschap – en waarom zouden ze ook, gezien de afgelopen acht jaar?’ Weliswaar belooft Barack Obama, net als Kennedy destijds, hoop en verandering en krijgt hij daarmee ook een verrassend aantal jonge mensen op de been, maar ‘op de universiteit zie je daar niet veel van terug’.

De universiteiten zelf zijn ook veranderd. Onderwijs is een product geworden, de student een klant. Topuniversiteiten vragen veertigduizend dollar collegegeld per jaar. Cole: ‘Studenten zoeken eerder de snelste weg naar een law of business degree dan dat ze hier komen voor kennis, literatuur, kunst, filosofie en wetenschap.’

Verder hebben gestandaardiseerde tests en strenge toelatingseisen ertoe geleid dat de aangenomen studenten allemaal uit hetzelfde hout gesneden zijn: ‘Er zit nooit meer iemand tussen met een afwijkende, originele blik. Ze zijn vanaf hun vijfde bezig met het vergaren van de juiste cijfers en extracurriculaire activiteiten om op de beste universiteit terecht te komen.’

Goed scoren is voor de meeste studenten belangrijker dan maatschappelijke betrokkenheid. Cole: ‘Ik heb studenten wel eens gevraagd of ze hun politieke ideeën voor zich houden uit angst de professor te beledigen, met een slechter cijfer als gevolg. Een derde stak zijn hand op. Ik vraag me soms af of wij als universiteiten ons werk wel goed doen – of we radicaal denken wel genoeg aanmoedigen en de ruimte geven, zoals een universiteit betaamt.’

Terwijl de alumni, professoren en bestuurders zich buigen over ‘de erfenis van ’68’, blijft het on line-_aanmeldingsrooster van _Five Days angstvallig leeg – een indirect antwoord misschien op de zorgen die Cole zich maakt. ‘Ik wil graag hoopvol zijn’, zegt hij, ‘maar het is de rol van een universiteit om de heersende macht en de algemeen geldende opvattingen van een samenleving kritisch te volgen en uit te dagen. Dat gebeurt nu niet.’

Cole’s boek The Great American University: Its Rise to Preeminence, Its Threatened Future verschijnt volgend jaar bij Public Affairs