De nieuwe euthanasiewet

Doendenken versus doemdenken

Op 1 april wordt de Euthanasiewet van kracht. Dat zal de Nederlander een zorg zijn, want de praktijk ging de wet jaren vooruit. Dit Nederlandse pragmatisme is de Duitsers een gruwel. Omgekeerd kunnen Nederlanders weinig met het zwaarmoedige doemdenken van onze oosterburen.

Tijdens een gezellige Duits-Nederlandse culturele ontmoeting, onlangs in het Amsterdamse Odeon-theater, werd besloten dat de verhouding tussen de beide buurvolken weer «helemaal goed» was. De oorlog is nu echt wel voorbij, of liever, is «vervoetbaliseerd». Kijk maar op de website www.ihrseidnichtdabei.de waarop Duitsers de spot drijven met Oranjes voortijdig gestrande gooi naar het wereldkampioenschap. Om misverstanden te voorkomen toont de website ook een «antinazibutton».

Twee weken eerder vond in Potsdam ook een Duits-Nederlandse bijeenkomst plaats. Ditmaal een officiële, met 150 politici, wetenschappers, artsen, diplomaten en moraalridders. Het thema van deze Zesde Neder lands-Duitse Conferentie was «Begin en einde van het menselijk leven». Het werd een wedstrijd voor landenteams met de bio-ethiek als bal. Uitslag: de Duit sers en de Nederlanders begrij pen niets van elkaars biotechnologische en stervensbegeleidende spelregels. En de oorlog is nog lang niet voorbij, met de Duitsers opnieuw in de aanval en de Nederlanders in de verdediging. Er is echter één wezenlijk verschil ten opzichte van ’40-’45: ditmaal zou het Nederland zijn dat zich op een Rutschbahn naar nazipraktijken bevindt en speelt Duitsland de rol van goede buurman die corrigerend tracht op te treden.

De Duitse minister van Buitenlandse Zaken Joschka Fischer zette de toon door in zijn openingsspeech in Potsdam zijn angst te verwoorden voor het ontstaan van «twee klassen mensen, een natuurlijke en een gentechnisch verbeterde». Daarbij staken de woorden waarmee de Amsterdamse strafrechtgeleerde Frits Rüter een paar uur later zijn speech begon nogal af. «Ik ben 72, dus op de euthanasiegerechtigde leeftijd, maar ik leef nog steeds.» Rüter had zich geërgerd aan de inleiding van zijn voorgangster, een arts van de Landesärztekammer Berlin. Ook filosoof-verpleeghuisarts-publicist Bert Keizer was in Potsdam van de partij. Onder de kop «Duitsland-Nederland» verslaat hij het ethisch-sportieve treffen in zijn column in Trouw. Over deze Berlijnse arts noteert hij: «Rond het Levenseinde sprak een Duitse arts met loodzware ernst over de liefdevolle wijze waarop zij stervenden met inzet van al haar kunnen en al haar voelen naar het einde begeleidde. De boodschap was: in mijn totale toewijding ben ik zo verschrikkelijk lief voor ze dat euthanasie nooit aan de orde is. Na dit bericht uit kabouterland sprak van Nederlandse zijde prof. Rüter. Hij hield een zakelijk betoog over wat wij in Nederland proberen.»

Toen Frits Rüter zijn openingswoorden in het Duitse doel kopte, lag de Nederlandse supportersschare dubbel, terwijl de Duitse geen spier vertrok. Een van hen was de buurvrouw van Bert Keizer. In zijn column beschrijft hij hoe zij, «een jonge juriste, zojuist gepromoveerd op onze euthanasiewet», zich zat te verbijten. «Zij vond Rüter niet grappig, maar sinister. (…) Zij vertelde mij het volgende: wat Nederlanders niet weten is dat de huidige wet er slechts toe dient de bevolking murw te maken voor een geheel andere wet (…) waarin het artsen zal zijn toegestaan het leven te beëindigen van patiënten zonder hun toestemming te hoeven vragen. Ik stelde haar voor onmiddellijk het woord te vragen en deze internationale primeur wereldkundig te maken. Zij weigerde, in paniek.»

De jonge juriste stond niet alleen. Geen Duitser durfde het in Potsdam op te nemen voor de Nederlandse euthanasiewet. De Nederlanders hadden tenminste nog een dissident in het team, André Rouvoet van de ChristenUnie. Bert Keizer beschrijft hoe een «Nederlands delegatielid» tegen het einde van de conferentie vertwijfeld in de microfoon roept hoe deze «unisono» bezongen Duitse afkeer mogelijk is, terwijl de enquêtes toch uitwijzen dat een grote meerderheid van de Duitsers vóór zo’n wet is? Deze landgenoot was Keizer zelf.

De spreekwoordelijk spontane, tolerante Nederlander is in Duitsland graag gezien. Maar als besluitvormend collectief vormen die Nederlanders het schrikbeeld van de Bondsrepubliek. Het polderlandje had de eer als enige buitenland te figureren in de gezaghebbende Berliner Rede die de Duitse president Johannes Rau verleden jaar tot zijn landgenoten sprak. De sociaal-democraat Rau wierp de vraag op «Wordt alles goed?» en beantwoordde deze met een bezield pleidooi voor de bescherming van het embryo en de stervende mens. Waartegen? Tegen selectie. Selectie via de duizend gevallen per jaar van «levensbeëindigende handelingen zonder uitdrukkelijke wens» in Nederland, aldus Rau. En via pre-implantatiediagnostiek (PID), waarbij een embryo na de kunstmatige bevruchting op genetische afwijkingen wordt onderzocht – een techniek die in Maastricht wordt toegepast. Ieder onderzoek aan embryo’s is in Duitsland verboden.

Die «duizend doden van Rau» achtervolgden de Nederlandse conferentiegangers in Potsdam. Dit cijfer stond gewoon in de meegebrachte statistieken, vertaald en wel. Maar kom ter verklaring maar eens aan met comapatiënten die uit hun lijden worden verlost. Dergelijk handelen kennen de Duitsers als praktijk van de nazi’s. Selectie! Eugenetica! Euthanasie!

Volgens Rau is het wapen tegen selectie geen exclusief «Duitse ethiek». De moraal kent, aldus de president in zijn toespraak, geen geografische grenzen.

Duitse expansiedrift op basis van een universeel geachte moraal — zo verstaan de Nederlanders dat. En dat horen ze niet graag. De Duitse rechtsstaat ziet zichzelf als een warme deken die de mensen beschermt tegen hun naïeve selectiewensen (een goede dood, een gezond kindje) en liefst de mensen in het buurland erbij. Je kunt mensen nooit genoeg tegen zichzelf en elkaar beschermen, vindt nagenoeg de hele Duitse intellectuele elite. Zulk doemdenken past niet in het zelfbeeld van Nederlanders. Professor Rüter slaakte een vermoeide zucht toen een jonge Duitse moraaltheoloog zich hardop afvroeg of de mens wel principieel autonoom kan beslissen over zijn dood, gezondheid of nageslacht. Nee natuurlijk. Daarom kan de mens dat beter aan zo’n moraaltheoloog overlaten. Maar creëer je zo niet juist de twee klassen waar Fischer zo bang voor is? Uitgerekend bondskanselier Gerhard Schröder zag dat gevaar ook. Verleden jaar, kort voor de oprichting van een Nationale Ethikrat in zijn land, sprak hij zijn twijfel uit over het «delegeren van ethische thema’s die ons allen aangaan naar een commissie van bijzonder slimme en/of bijzonder morele mensen».

«De Duitsers vertrouwen zichzelf nog steeds niet», fluisterde de filosoof Tsjalling Swierstra in Potsdam. En Frits Rüter legde zijn landgenoten uit: «Wij Hollanders vinden de staat niet zo interessant.» Klinken de woorden van Gerhard Schröder ons niet Nederlands in de oren? Maar wat is dat Nederlandse ethische denken dan precies? Wanneer het Goethe Instituut twee gerenommeerde Duitse filosofen naar Amsterdam haalt voor een debat over bio-ethiek en gentechnologie, zit er een handjevol Nederlanders in de zaal. Waar een brede laag Duitse geïnteresseerden zich wekelijks door vele kloeke artikelen in de dag- en weekbladen heen worstelt over de «revolutionaire Zellen», doet ten onzent alleen Trouw mee aan het internationale biotechnologische en bio-ethische debat.

Het was dan ook in deze krant dat de Nijmeegse moraaltheoloog professor Jan-Pierre Wils verzuchtte dat het zo stil bleef in Nederland, «beangstigend rustig», terwijl we bezig waren zoiets fundamenteels als een Embryowet te ontwerpen. «Alsof het over een middel tegen neusbloeden gaat.» Wils schreef dit verleden jaar. De Embryowet is inmiddels door de Tweede Kamer en gaat binnenkort naar de Eerste. Welke Nederlander weet dat? En wie weet wat erin staat? Wij lezen liever de bijlagen «Gezond» over «Het maakbare kind». Met in de eerste regel het woord «kinderwens». Zeg nou zelf, een moraaltheoloog helpt ons niet aan een gezond kind!

Professor Wils gaf in Trouw nog een verklaring voor de Nederlandse stilte. «Je krijgt de indruk dat we na het slepend en slopend euthanasiedebat weinig zin hebben in een nieuwe morele discussie.» Maar was dat euthanasiedebat hier dan zo fundamenteel? De half-Nederlandse, half-Amerikaanse cultuurhistoricus James Kennedy publiceerde onlangs zijn boek Een weloverwogen dood, waarin hij de maatschappelijke ontwikkelingen in ons land beschrijft die uitmondden in de Euthanasiewet van verleden jaar. Zijn conclusie: de weg naar de wet was niet geplaveid met grondslagendebatten maar met consensusstrategieën. «Terwijl euthanasie in andere landen een explosief onderwerp is, dreigde het euthanasiedebat de Nederlandse samenleving nooit te verscheuren.»

Kennedy beschrijft Neerlands weg naar de Euthanasiewet als een gemoedelijk wandelpad. Toen regelgeving voor de dood op verzoek ruim vijftien jaar geleden bespreekbaar genoeg was en zelfs onvermijdelijk leek, maakte de artsenorganisatie KNMG er een plan voor. Haar leden moesten er immers mee uit de voeten kunnen, zoals dat in polderpragmatisme heet. Wat een principieel politiek hangijzer had kunnen worden, werd een oplosbaar medisch-logistiek probleem. Kennedy noteert geamuseerd hoe overtuigd Nederlanders ervan zijn dat euthanasie veilig is in handen van beleidsmakers en artsen. «‹Dat zal wel goed zitten›, zeiden de meeste gewone Nederlanders over het euthanasiebeleid. (…) Al wist vrijwel niemand mij correct te vertellen wat het Nederlandse euthanasiebeleid eigenlijk inhield.» Hij verbaast zich daarover, omdat de wettelijke regeling van actieve euthanasie op verzoek van de patiënt uniek is in de wereld.

Kennedy zou zich ook verbazen over de paar uitvoeringsprobleempjes die de ínvoering van de Euthanasiewet voortdurend vertragen. Ongetwijfeld is het ook typisch Nederlands dat niemand daar een punt van maakt — die wet legt immers enkel de praktijk vast. Op 1 april, bijna een jaar nadat hij is aangenomen, wordt de wet eindelijk van kracht.

James Kennedy presenteerde zijn frisse blik op naoorlogs Nederland eerder al in Nieuw Babylon in aanbouw: Nederland in de jaren zestig. In Een weloverwogen dood keert het terug, dat rare volkje dat het een na het andere taboe bespreekbaar maakt en dan slecht. Deze mensensoort in de polder heeft een afkeer van alle achterkamertjesgedoe: van de breinaalden in de vrucht en van stiekeme homoseks, van overdoses morfine aan stervenden, hasj roken of gewroet in embryo’s. Wij komen graag met ons gedrag uit de kast en nog liever komen we ermee op tv.

Maar dat alles doen we — in Duitse ogen en in die van Kennedy — met een aan onbenul grenzende onwetendheid over de historische en actuele feiten van het betreffende thema en over de betrokken wetten en grondrechten – laat staan over de morele kanten. Wij weten wél hoe we onze zaakjes praktisch moeten regelen. We kennen de weg naar de euthanasiearts, de coffeeshop, abortuskliniek en naar de kliniek waar ons embryo op genetische afwijkingen wordt gecontroleerd. Doen is ons denken geworden. Doendenken.

De Rotterdamse geneticus professor Galjaard opende zijn Zinderende Genendiashow op de Nederlands-Duitse conferentie in Potsdam met de woorden: «Nederlanders zijn kanaalgravers.» De metafoor was snel doorgetrokken naar Duitse dijkopwerpers. Waar de Duitsers het tij willen keren, maken Nederlanders sluipweggetjes voor het onvermijdelijke water. De doemdenkers versus de doendenkers.

Een weloverwogen dood nuanceert het beeld van de niet-denkende natie ook wel weer. Over euthanasie werd wel degelijk doorgedacht, dertig jaar geleden al. Rond 1970 werd euthanasie als goede, vrijwillige dood (weer) bespreekbaar. Toen braken ethische debatten los, bijvoorbeeld over euthanasie op coma patiënten. Toen ook vond de hervormde theoloog-ethicus P.J. Roscam Abbing dat er genoeg tijd was verstreken om een onderscheid te kunnen maken tussen verantwoorde euthanasie en gruweldaden. En de arts Geertruida Postma -van Boven, die in die tijd met de euthanasie op haar moeder in de openbaarheid trad, beweerde dat het «nuttigheidsdenken van de nazi’s» het best kon worden tegengegaan door een brede discus sie, «zodat mensen zelf gaan beslissen».

«Zelf beslissen» — mevrouw Postma’s woorden van dertig jaar geleden zouden de meeste Duitse beleidmakers van nu nog koude rillingen bezorgen. Is het Nederlandse pragmatisme, zoals dat naar voren komt in Een weloverwogen dood, ook te herkennen in de verdediging die het Nederlandse team voerde op die Nederlands-Duitse Ethiekwedstrijd in Potsdam? Nou en of. Oranjes meest gebruikte strategie was het olijk wijzen op de praktijk — de Nederlandse én de Duitse.

Zo reageerde cheffin d’équipe minister Els Borst op de Duitse vraag of het niet gevaarlijk was bij meerderheid te beslissen over zulke principiële zaken als euthanasie en embryo-onderzoek: «Het alternatief is dat een minderheid de meerderheid de ruimte ontneemt.» Wanneer je biotechnologische zaken principieel filosofisch behandelt, zoals de Duitsers doen, «laat je de mensen in de steek». Bovendien had menig Duitse arts Borst verteld zelf actieve euthanasie te hebben toegepast, «met de bekende morfinemethode».

De Berlijnse arts die vóór Rüter sprak, had dapper betoogd dat haar stervende patiënten al hun woede en angsten op haar mochten projecteren. Ze zou er zijn voor ze, zei ze, «maar niet actief worden». De arts-filosoof Gerrit Kims ma van de VU vond dat veel te autoritair-theoretisch klinken en sprak tot haar: «Met alle respect, maar u heeft wat gevaarlijks. Misschien bent u zelf wel de oorzaak van die woede en angsten.»

En de geneticus Galjaard relativeerde het ene na het andere voorbeeld van Duits doemdenken. Die paar keer per jaar dat de PID-techniek in een gezond kind resulteerde — waar hádden we het over? «Het is enkel goed voor filosofen en ethici.» Was niet de hele gentechnologie een zaak van het rijke Westen? De rest van de wereld had wel andere problemen! «En over euthanasie kan ik kort zijn. De cijfers zijn aanhoudend laag, 2,5 procent van de sterfgevallen in Nederland.»

Voor het feit dat een embryo in de Bondsrepubliek heilig is, maar dat embryonale stamcellen voor wetenschappelijk onderzoek wél ingevoerd gaan worden — met name uit Israël — had menig Nederlander een morbide grap klaar. En wat was zo’n klompje embryonale cellen nou helemaal? «Wanneer je dat op de tafel laat liggen, wordt het heus geen mens», sprak Borst.

Het Duits-Nederlandse treffen eindigde onbeslist. De Nederlandse schoten uit de dagelijkse praktijk misten effect en kwamen ver naast het Duitse doel terecht. «Maar we hebben weer wat aan politieke preventie gedaan, je moet alert blijven», zei D66-kamerlid Boris Dittrich. Want je weet nooit wat «Europa» voor juridische trucs verzint tegen het vooruitstrevende Nederland.

Ons land holt ondertussen al weer verder. Na de Euthanasiewet gaat de samenleving, voorgetrokken door de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie (NVVE), op weg naar een nieuwe wet. Die moet hulp bij zelfmoord zonder tussenkomst van artsen legaal maken. Waarom zou je medici belasten met mensen die zelf uit het leven kunnen en willen stappen, desnoods met wat hulp van een bekende? De eerste stap is de zoektocht naar een dodelijk middel dat geschikt is voor zelfmedicatie. Zelfbeschikking in optima forma — in Duitsland goed voor nachtmerries? Ja-Nein. Door een speling van het lot is deze hulp bij zelfdoding hier wel maar daar niet strafbaar. De betreffende Duitse regeling stamt vast uit de tijd dat het genadeschot voor een zwaargewonde kameraad vaak voorkwam.

Afgelopen zaterdag stond op de voorpagina van Trouw een commentaar op het NVVE-plan. De (hoofd)redactionele conclusie was, voor Trouw, verbazend kort door de bocht: «Het zelfbeschikkingsrecht komt op de voorgrond te staan, de verantwoordelijkheid van de gemeenschap verschuift vrijwel geheel naar de achtergrond.» Dat klinkt, met alle respect, nogal Duits.