Doeschka Meijsing (21 oktober 1947 - 30 januari 2012)

Je kunt een schrijver niet op een betere manier gedenken dan door haar werk opnieuw uit de kast te pakken. De verhalenbundel waarmee Doeschka Meijsing debuteerde, in 1974, De hanen en andere verhalen, maakte destijds diepe indruk op me. Ik zat op de middelbare school, Hella Haasse was uitgenodigd door onze culturele commissie, en zij zei: Doeschka Meijsing, die moet je lezen.

Medium meijsing  doeschka  c  leo van der noort zwart witrv

Doeschka Meijsing debuteerde in een tijdperk waarin serieus werk werd gemaakt van het opdienen van de eigen levenservaring als literair baksel. Een stoet van vrouwelijke auteurs rukte in de jaren zeventig op, een stoet waarin Meijsing opvallend niét thuishoorde. Haar debuut was direct al verrassend tijd- en sekseloos, kwalificaties die kenmerkend bleven voor hetgeen met stugge regelmaat volgde, en waarvan ik vooral heel graag de komende week Robinson (1976) en De kat achterna (1977) wil gaan herlezen.

Werd ze aanvankelijk bij de ‘academisten’ ingedeeld, samen met schrijvers als Dirk Ayelt Kooiman en Nicolaas Matsier, en was er even later zelfs sprake van ‘Revisor-prozaïsten’ als ultiem intellectualistische vergaarhoop, al snel zong ze zich met haar geheel eigen oeuvre en stijl overtuigend los van iedere categorisering.

Ondanks dat onmiskenbaar eigene, of misschien juist wel vanwege, is het niet eenvoudig de vinger te leggen op haar thematiek. Wanneer er een lijn wordt getrokken van haar debuutbundel via haar vriendschapsroman De weg naar Caviano (1996) naar haar academische roman De tweede man (2000) waarmee ze een groot lezerspubliek aan zich wist te binden, valt in ieder geval als overeenkomst op dat ze binnen kort bestek zeer uiteenlopende levensgeschiedenissen weet neer te zetten. Op een ingenieuze manier maakt ze duidelijk dat iedere persoon een verleden heeft dat zijn of haar handelen in het heden verklaart. In haar vroegere werk lag de nadruk op die ‘levenspuzzel’ als zodanig, en zorgde ze ervoor dat alle stukjes uiteindelijk in elkaar pasten. Gaandeweg liet ze de melancholieke onderstroom in haar werk meer de ruimte, ten gunste van de bezieling van haar personages, ten koste van hun perfecte pasvorm. Het wedijveren van de romantische en de rationele genius in Meijsings schrijversgeest is garant gaan staan voor even warmbloedige als weerbarstige romans en verhalen.

Met 100 procent chemie (2002), waarin ze op speelse wijze haar persoonlijke familiegeschiedenis vereeuwigde, sloeg ze een nieuw literair pad in. Of boorde ze een nieuwe bron aan. Het materiaal voor Moord & Doodslag (2005, samen met haar broer Geerten Meijsing) en Over de liefde (2008) haalde ze van dicht bij huis, en des te belangrijker werd de stilering. Haar werk groeide in humor, zeggingskracht en in zekere zin angstloosheid. Doeschka Meijsing was een absoluut iemand die geen grijstinten duldde. In een interview over de liefde zei ze: ‘Waar ik op hoop, is eeuwigdurendheid.’

foto: Leo van der Noort