Jos Perry, Revolte is leven: Biografie van Theun de Vries (1907-2000)

Dogmatisch en trouweloos

De grappigste zin uit deze biografie van Theun de Vries staat op bladzijde 221. De Vries was samen met partijleider Paul de Groot en enkele andere prominenten van de Communistische Partij Nederland op een internationale conferentie in Moskou, maar omdat de wijze waarop de Sovjet-Unie de Chinese communisten behandelde de Nederlanders niet aanstond, wilden zij naar huis. Ze kregen echter geen vliegtickets en ook weigerden de Russen hun paspoorten terug te geven. Kwaad en verontwaardigd waren ze. ‘Waren ze hier soms in een politiestaat?’

Medium jos perry theun de vries

Voor de goede orde: het was 1960, en Theun de Vries beschouwde zichzelf al sinds het begin van de jaren dertig als communist. In 1936 was hij partijlid geworden en had trouw elk optreden en elke koerswijziging van Moskou verdedigd. Stalins showprocessen tegen vermeende opposanten, het Molotov-Ribbentrop-pact van 1939, de Sovjetinval in Polen en Finland, de communistische staatsgreep in Tsjecho-Slowakije in 1948 – volgens De Vries was het allemaal nodig geweest in de nimmer aflatende strijd tegen ‘de klassenvijand’.

Hij had jubelende gedichten over Stalin geschreven en zag de Sovjet-Unie als ‘de tot op heden beste en voor het grootste aantal gelukkigste vorm van gemeenschap en gemeenschapsleven’. Als hij al eens twijfelde, hield hij dat voor zich. Sterker nog, als iemand anders die twijfel uitte, dan kreeg hij er van Theun de Vries ongenadig van langs. Zo had hij zich in 1949 bij de grote Poesjkin-herdenking geërgerd aan het feit dat de Sovjetpers van de geniale dichter een puriteinse heilige had gemaakt. Maar toen de jonge Karel van het Reve iets soortgelijks opschreef, kreeg hij van De Vries te horen dat hij de Sovjet-Unie beledigde en blijkbaar zijn eigen ‘kleinburger-misère’ moest afreageren. Ook vrienden die afstand namen van het communisme werden door hem in de ban gedaan, met hoon overladen en niet zelden bedreigd. Ook deinsde hij er niet voor terug om in een herdruk van zijn roman over Hannie Schaft, Het meisje met het rode haar, passages te wijzigen die te positief waren geweest over verzetsheld en voormalig partijvoorzitter Gerben Wagenaar, die inmiddels uit de partij was gegooid. En nog in 1981 beweerde hij dat de oude Gerard van het Reve met de Duitsers had gecollaboreerd, terwijl hij wíst dat dit gelogen was. Karel heeft het De Vries later vergeven, maar Gerard junior vroeg aan een luchtmachtofficier of het mogelijk was, ‘tegen vergoeding van gemaakte kosten’, De Vries’ woning in de Jordaan te bombarderen. ‘Het is een bovenhuis, dus het is wel precisiewerk.’

De Vries verstond onder eer en fatsoen heel andere dingen dan de meeste inwoners van het ‘burgerlijke’ Nederland

Theun de Vries heeft het grootste deel van zijn leven geloofd in een misdadige ideologie, die ook in hem bepaald niet het beste naar boven haalde. Daarnaast was hij een van de productiefste Nederlandse literatoren van de twintigste eeuw. Over dat oeuvre is zijn biograaf niet dolenthousiast. Telkens signaleert hij zwakke kanten, schematische voorstellingen, platte karakters en ideologische bevangenheid. Hoewel de overambitieuze, dogmatische en trouweloze De Vries zich als mens vaak abject heeft gedragen, hij politiek gezien fout zat, en bepaald niet Nederlands beste schrijver was, is deze biografie niettemin een prettig boek om te lezen. Jos Perry spaart hem niet, maar plaatst hem wel in zijn tijd, schetst met trefzekere hand zowel het literaire als het politieke klimaat waarin De Vries opereerde en probeert hem zo veel mogelijk recht te doen.

Belangrijker is echter dat Jos Perry, in tegenstelling tot veel auteurs van levensbeschrijvingen van Nederlandse schrijvers, een echte biograaf is. Dat had hij al bewezen met zijn formidabele boeken over sdap-voorman Willem Vliegen en de katholieke cultuurpaus Victor de Stuers, maar dat laat hij nu weer duidelijk zien. Een echte biograaf durft namelijk keuzes te maken, die voelt zich niet verplicht om alles wat hij gevonden heeft over de lezer uit te storten. Twee jaar geleden publiceerde Jan van Galen reeds een 640 bladzijden tellend boek over De Vries, dat echter slechts tot 1945 ging! Jos Perry heeft voor deze eerste 38 levensjaren van De Vries slechts honderd bladzijden nodig, terwijl je bepaald niet het idee hebt dat je op deze manier veel mist. Vergeleken met de oeverloze biografieën van Gerard Reve, Vasalis en Jo Otten is dit boek over een man die bijna honderd werd bijzonder elegant en slank.

De 340 bladzijden tekst lees je in twee avondjes gemakkelijk uit, en dan heb je ook wel je buik vol van Theun de Vries. Want hoewel deze stalinistische broodschrijver in 1971 met de cpn brak, was hij het levende bewijs van de juistheid van Kurt Tucholsky’s stelling: ‘Wie eenmaal geleerd heeft marxistisch te denken, kan helemaal niet meer denken en is verdorven.’ Stuitend is bijvoorbeeld de kritiek die De Vries had op Pressers Ondergang. Wat hij Presser verweet, was dat hij de moord op de Nederlandse joden louter ‘negatief’ beschreef, dat hij naliet een les uit het gebeuren te trekken, er een ‘zin’ aan te geven. Op aandringen van partijleider Paul de Groot trok De Vries zo’n les wél, en schreef hij dat de Europese joden met hun gewelddadige dood ‘een offer voor de democratische toekomst van het mensdom’ hadden gebracht. Tja, dan verbaast het niet meer dat zo iemand op het eind van zijn leven schrijft dat hij altijd zijn ‘eergevoel en fatsoen’ bewaard heeft. De Vries verstond onder democratie, eer en fatsoen nu eenmaal heel andere dingen dan de meeste inwoners van het ‘burgerlijke’ Nederland, waarin hij overigens meer dan genoeg erkenning heeft gekregen.


Jos Perry. Revolte is leven: Biografie van Theun de Vries (1907-2005). Ambo, 394 blz., € 34,95