Theodore Dalrymple, Beschaving, of wat ervan over is

Dokter Dalrymple

Theodore Dalrymple

Beschaving, of wat ervan over is: Nieuwe

essays van een spraakmakend cultuurcriticus

Nieuw Amsterdam, 352 blz., e 24,95

Voor al wie zich links noemt – of meent dat het begrip «links» in deze tijd van alomtegenwoordig cultuurpessimisme opnieuw gedefinieerd moet worden – zijn de essays van de Britse medicus Anthony Daniels, alias Theodore Dalrymple, onmisbare lectuur.

Dalrymple is een cultuurpessimist zonder weerga. Hij is zo pessimistisch dat hij voor de maatschappelijke kwalen die hij signaleert niet eens een therapie voorschrijft. Dat maakt zijn waarnemingen niet minder pertinent; ze worden er eerder scherper van. De toekomst moet uitwijzen of Dalrymple zal toetreden tot het conservatieve pantheon, maar hij heeft alvast een paar eigenschappen waarmee ook grote conservatieve denkers als Edmund Burke of Alexis de Tocqueville zich van de kleintjes onderscheiden.

De voornaamste is dat hij zich niet laat verblinden door abstracties. Zijn denkbeelden zijn ingegeven door zijn ervaringen als arts in onder meer Zimbabwe en Mozambique, Britse achterbuurten en een gevangenishospitaal, maar ook door zijn gave om ongehinderd door medische, statistische en ideologische vooronderstellingen zijn mede mens te observeren. In zijn geschriften is zijn conservatieve ideologie op de achtergrond wel steeds aanwezig, maar impliciet, bij wijze van fotonegatief van de misstanden die hij signaleert. Je wilt niet leven in de wereld zoals dokter Dalrymple zich die (waarschijnlijk) wenst, maar hij zegt veel behartigenswaardigs over de wereld zoals hij die aantreft.

Zijn eerste boek, Life at the Bottom: The Worldview That Makes the Underclass (2001), is een beschouwing uit de eerste hand over het leven van de Britse onderklasse en over de vraag waarom die onderklasse te midden van de postindustriële overvloed kan bestaan. Het leven aan de maatschappelijke onderkant staat in het teken van wat Dalrymple het «kleine kwaad» noemt. Dat kleine kwaad is de alledaagse variant van grote kwaden als oorlog en burgeroorlog, genocide, slavernij en an dere maatschappelijke rampen waarover we ons in politiek en media grote zorgen maken.

Hoewel datzelfde kwaad aan de zelfkant ongehinderd voortwoekert, maakt bijna niemand zich daar druk over. Misdaad bendes regeren als warlords over delen van onze binnensteden, drugshandelaren houden er eigen martelkamers op na waarbij Abu Ghraib mild afsteekt, kinderen worden door geestelijk onvolwaardige ouders doodgeslagen terwijl de kinderbescherming er met de neus bovenop staat. Voor de ideoloog Dalrymple is het geen verrassing dat het kwaad overal gedijt waar het goede niet dwingend aanwezig is: «De overwinning op wreedheid is nooit definitief, maar vergt net als het in stand houden van de vrijheid voortdurende waakzaamheid.»

Wat hem echter het meest steekt is de «lichtzinnigheid» waarmee het kwaad wordt getolereerd. Hij beschrijft een satanisch universum van incest, verkrachting, huiselijk geweld, diefstal, drugsverslaving, alcoholisme, ondervoeding, psychische en medische verwaarlozing, uitzichtloosheid en normloosheid waar de maatschappelijke elite al decennia hulpeloos en dadenloos tegenover staat. Zijn patiënten weten dat ze consequent verkeerde keuzes maken en geven het openlijk toe. Ze beseffen dat ze zichzelf en hun sociale omgeving – of wat daar in hun geestelijk verarmde bestaan voor doorgaat – kapotmaken. Maar ze zitten gevangen in «onze» ideologie die hun vertelt dat ze recht hebben op alles wat hun hart begeert, dat niets hun onmiddellijke behoeftebevrediging in de weg mag staan en dat de gemeenschap vanzelfsprekend opdraait voor de gevolgen van hun gedrag.

In wezen is dat onderklasse-universum onze eigen schepping, zegt Dalrymple in Beschaving, of wat ervan over is. Het is de uitkomst van de hedendaagse ideologie van zelfontplooiing, individuele rechten, onbeperkte consumptie en institutionele inkomensoverdracht: «Er is een onzalig verbond ontstaan tussen degenen ter linkerzijde die menen dat de mens wel rechten, maar geen plichten heeft, en liberalen van rechts die menen dat keuzevrijheid van de consument het antwoord is op alle sociale vraagstukken, een idee dat door links gretig is overgenomen, juist op die gebieden waarop ze niet van toepassing zijn. Je zou de beroemde maxime van La Rochefoucauld – ‹van de zon en de dood moet men de blik afwenden› – zo mogen uitbreiden dat geen enkel lid van de mo derne progressieve intelligentsia een maatschappelijk probleem erg lang onder ogen kan zien. Men voelt dan de behoefte op onpersoonlijke abstracties terug te vallen, op structuren of vermeende structuren waarover het slachtoffer geen controle heeft. En vanuit deze behoefte om de rauwe werkelijkheid te ontlopen ontwerpt men dan utopische constructies voor maatschappijhervorming.»

Als voorbeeld van die institutionele dwaasheid noemt hij de Britse overheidsplannen om iets te doen aan de kwalitatieve ondervoeding in bepaalde wijken, een verschijnsel waarvan Dalrymple in zijn eigen praktijk zowel de oorzaken als de gevolgen waarnam. In plaats van het gedrag van de «slachtoffers» onder handen te nemen, gaf de overheid de schuld aan de omgeving en introduceerde het be grip «voedselwoestijnen», oftewel gebieden waar bewoners binnen een straal van een kilometer geen gezonde voedingswaren kunnen kopen.

Het toeval wil dat Dalrymple geruime tijd in zo’n wijk woonde en kon constateren dat de Indiase migranten, die te midden van krotten en asociale excessen van de bewoners hardnekkig aan hun eigen cultuur vasthielden, lekker en gezond kookten en hun maaltijden ook nog gezamenlijk verorberden, in tegenstelling tot de blanke en zwarte bewoners die elkaar alleen bij de ijskast tegenkwamen en kwalitatief ernstig ondervoed waren. Be leidsmakers wilden dat onderscheid niet onder ogen zien uit angst van racisme te worden beschuldigd. Zo gaat het in voorkomende gevallen altijd, meent Dalrymple: de maatschappelijke elite «wil geen confrontatie aangaan met de menselijke consequenties van de veranderingen in moraal, omgangsvormen en sociaal beleid die zij altijd consequent heeft verdedigd».

Intussen gaan we onbekommerd door met het afbreken van waarden en instituties waaraan diezelfde onderklasse houvast zou kunnen hebben, zoals het gezin, openbare zedelijkheid en seksuele moraal, financiële zelfstandigheid en zelfs het meest elementaire onderscheid tussen goed en kwaad. De zelfhaat van de bourgeoisie kent schijnbaar geen grenzen en bestrijdt al meer dan honderd jaar met nimmer aflatende ijver alle taboes en instituties die de georganiseerde samenleving in stand houden. De helft van Dalrymples essays is gewijd aan symptomen van die zelfhaat waardoor hoge en lage cultuur, door toedoen van de eerste, langzamerhand niet meer van elkaar te onderscheiden zijn.

Die diagnose is niet nieuw. Bernard Henri Lévy schrijft in Les aventures de la liberté (1991) dat de geschiedenis van de twintigste-eeuwse intellectuelen en hun favoriete kunststromingen zich laat lezen als een langgerekt oorlogsverslag, doorspekt met strijdkreten over vernieuwing, revolutie en vernietiging en doortrokken van de wens om tabula rasa te maken met alle waarden en tradities die door voorgaande generaties zijn bevochten en zorgvuldig aan ons nagelaten. Zelfs het sleutelwoord, «avant-garde», is van oorsprong een militaire term. De hedendaagse museale kunst staat zo zeer in het teken van het «verleggen van grenzen» en het «doorbreken van conventies» dat zij zelf een conventie is geworden.

Evenmin als Lévy kan Dalrymple die oorlogstoestand helemaal verklaren. Daarvoor wordt hij te veel belemmerd door zijn ideologische optiek, die hem verhindert te zien dat de samenleving ook in vroeger tijden niet bepaald gevrijwaard was van het kleine kwaad en dat tal van politieke, sociale, morele en seksuele hervormingsbewegingen nu juist dit kleine kwaad wilden aanpakken. Daarentegen zet hij zijn scalpel onaangenaam diep in het zachte lijf van de twintigste-eeuwse burgerij.

Kenmerkend is zijn sarcastische commentaar op de publicatie in 1960 van het ongekuiste manuscript van D.H. Lawrence’ Lady Chatterley’s Lover door uitgeverij Penguin. De publicatie leidde tot een zedenzaak die qua maatschappelijke betekenis enigszins te vergelijken is met het ezelproces van Gerard Reve. Schrijvers, critici en opiniemakers buitelden over elkaar heen om te mogen getuigen van het «genie» van Lawrence’ banale plots en schuttingtaal. Het is akelig maar waar: een intellectuele elite die zich vertwijfeld afvraagt waaraan de Tokkies hun roem danken, moet het antwoord maar eens in haar eigen boekenkast zoeken.