Dokter o.

Veertig jaar geleden ging er een huivering door ons land. Met afgrijzen vernam Nederland de details van de moord van Dokter O. op zijn echtgenote. En van zijn overspel met de dienstmaagd. Eenmaal in het gevang volgde een tweede gifmoord. Goed voor een tweede keer levenslang.
DECEMBER 1954. ‘Verdachte heeft als echtgenoot en vader niet geschroomd zijn vrouw, de moeder van zijn drie jonge kinderen, van het leven te beroven’, zei de president van het Haagse Gerechtshof. ‘Deze daad is door hem langdurig en stelselmatig voorbereid en in koelen bloede ten uitvoer gelegd. Slechts de hoogste straf komt in aanmerking.’

Mei 1962. ‘De Berkelse arts zal de geschiedenis ingaan als een der meest geraffineerde moordenaars van de laatste vijftig jaar’, zei de procureur-generaal van het Leeuwarder Gerechtshof. 'Hij zal zijn gehele verdere leven in eenzame opsluiting moeten doorbrengen. Dat is een verschrikkelijk lot, maar passend voor de gemene daden van deze buitengewoon gevaarlijke en verstokte misdadiger.’
Zo werd dokter J. F. A. M. O. tot tweemaal toe tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, tot dat moment een unicum in de geschiedenis van Nederlandse rechtspraak. De kranten spraken van 'de Borgia van Berkel’, want beide keren had de arts zich van cyaankali bediend, zowel bij het uit de weg ruimen van zijn echtgenote Nol als, acht jaar later, bij de 'zelfmoord’ op Adriaan Lodder, eveneens wegens gifmoord gedetineerd in de strafgevangenis van Leeuwarden.
Reeds de eerste moordzaak, die op Nol O., had Nederland in rep en roer gebracht. Het vergt van de eigentijdse lezer enig voorstellingsvermogen. Een vergiftigde echtgenote is thans, in een verhard crimineel klimaat, hoogstens goed voor een tweekoloms bericht op een binnenpagina. Maar toen, halverwege de jaren vijftig, had de maatschappij nog iets onschuldigs. Bovendien betrof het een dokter, een man die boeken las, een man die het met nota bene zijn dienstmeid had aangelegd. Ook over een dergelijke misstap wordt tegenwoordig niet meer zo moeilijk gedaan, maar veertig jaar geleden, in de maanden van de 'eerste zaak-dokter O.’, daverden de donderpreken door de rechtszaal. Er was onmiskenbaar sprake van een 'schending van de huwelijksmoraal’, zei O.’s eigen advocaat, 'die ons slechts met afkeer voor deze man kan vervullen’, zei het Openbaar Ministerie.
HUIVEREND VAN GENOT nam het publiek, in de rechtszaal en in de huiskamer, kennis van het bezwarende feitenmateriaal: cyaankali voor mevrouw O., 'kussen en andere handtastelijkheden’ voor het dienstmeisje Nellie, een aantal keren leidende tot 'vleselijke gemeenschap’, bedreven op het linoleum van de spreekkamer, in de bosschages van Amstelveen en zelfs - vijf keer! - in het echtelijk slaapvertrek, als mevrouw O. toevallig op familiebezoek was.
O. stond niettemin bekend als een keurige man, in 1916 geboren als zoon van een officier, in 1936 naar Nederland gekomen om medicijnen te gaan studeren. Voor studentenjool had hij geen tijd, geen geld en geen temperament - zijn studietijd viel trouwens grotendeels samen met de oorlog. Hij trouwde in 1947, het jaar waarin hij bovendien afstudeerde, leende geld om een plattelandspraktijk te kopen en werkte zich vervolgens andermaal het bloed in de schoenen om die lening af te betalen. Een gezellige man was O. nog steeds niet, een beetje nurks, hij nam niet deel aan het sociale verkeer in het dorp en voor small talk aan de leestafel van het lokale cafe voelde hij ook niet veel.
'Ik heb hem altijd onbetrouwbaar gevonden’, zei de burgemeester van Berkel, toen zijn dorpsgenoot achter de tralies was verdwenen. 'Hij nam onvoldoende deel aan het godsdienstig leven’, sprak de plaatselijke pastoor met stroeve mond.
O. ontkende de moord op zijn vrouw in alle toonaarden. Hij was, gegeven de vele verdachte omstandigheden, kansloos. In de gevangenis werkte hij als een bezetene aan de revisie van zijn zaak, met sceptische belangstelling gadegeslagen door zijn medegedetineerden. Met name bij Adriaan Lodder vond O. - gifmengende vrouwenmoordenaars-onder-elkaar - een willig oor. O. schreef zelfs een heel toneelstuk over zijn affaire en toen de gevangenisdirectie toestemming gaf het op te voeren, vervaardigde Lodder er de affiches bij: 'Grote toneelavond, Onschuldig veroordeeld, toneel van John Opdam. Met John Opdam en Adriaan Lodder. Kom zien, vanavond in de feestzaal.’ Het was een nauwkeurige reconstructie van de zaak-Berkel, met dit verschil dat de auteur het levenslang in vrijspraak had veranderd. Andermaal in de verdachtenbank gezeten, nu in de gevangeniskantine, merkte O. tot zijn woede dat zijn mede- acteurs, in de rol van officier en rechter, eigenhandig in de tekst hadden ingegrepen: hij werd voor de derde keer tot levenslang veroordeeld, nu door zijn mede-bajesklanten, die te verstandig en ervaren waren om in de kletspraatjes van 'de pil’ te geloven.
OP 5 FEBRUARI 1958 werd Adriaan Lodder dood in zijn cel gevonden. Vergiftigd, zoals bleek. Tegelijkertijd ontving de ge vangenisdirecteur per interne post een brief van de overledene, met de bekentenis dat niet O. maar L. de moordenaar van Nol O. was geweest. Lodder had een verhouding met O.’s echtgenote gehad, schreef hij (de woordkeuze van de brief leek overigens verdacht veel op die van O.), een verhouding die op zwangerschap was uitgelopen, waarna hij van de paniek en het schuldgevoel van zijn minnares gebruik had gemaakt om haar tot het nemen van het fatale vergif te pressen. En nu had Lodder, geconfronteerd met de man die voor zijn misdaad moest opdraaien, uiteindelijk zo'n berouw gekregen dat hij niet langer wilde leven. Vandaar dat hij besloten had zelfmoord te plegen, met behulp van het vergif dat O. via duistere wegen de gevangenis in had weten te smokkelen.
Aldus werd de Berkelse arts toch nog gerehabiliteerd. Zo was althans de bedoeling. Het feitelijke effect van dit fantastische verhaal was namelijk dat O., andermaal van moord beschuldigd, ten tweede male voor zijn rechters moest verschijnen.
De advocaat in de eerste zaak-O. was mr. M. H. Huygens geweest, een opgewonden standje, zo'n romantisch, inmiddels grotendeels uitgestorven type strafpleiter van Franse of Amerikaanse signatuur, die de rechtbank toespreekt alsof het een jury is. Dit soort juristen wordt in het bedaagde Nederland per definitie niet serieus genomen. De advocaat in de tweede zaak-O. was mr. H. Schootstra, een rustige en redelijke Fries, die besloten had dat zijn client ten minste het voordeel van de twijfel verdiende. Zijn slotpleidooi geldt als een klassieker in de historie van recht en wet. Ademloos luisterden publiek en pers naar Schootstra’s beschrijving van Lodders laatste minuten. Daarin vertoonde Lodder wel degelijk het gedrag van een zelfmoordenaar, constateerde de verdediger. Wij kunnen niet het feit negeren dat er sprake is van niet minder dan twee afscheidsbrieven, aan de gevangenisdirecteur en aan de moeder van de gestorvene. Zouden die hem allebei door O. zijn ingefluisterd? In de mondhoek van het lijk zijn trouwens chocoladeresten gevonden, de enige juiste smaakverdrijver bij het innemen van het gebruikte gif. Ondanks de smerige cyaankalismaak had Lodder geen gebruik gemaakt van de alarmbel, die hij binnen handbereik had. In plaats daarvan heeft hij de dekens tot de kin opgetrokken en de handen op de buik gevouwen. 'Na zichzelf aldus keurig te hebben afgelegd gaat Lodder de zelfverkozen dood in. Mijnheer de president, ik kan niet anders dan tot de overtuiging komen dat Lodder zelfmoord heeft gepleegd en dat O. onschuldig is aan hetgeen hem ten laste is gelegd. Daarom vraag ik vrijspraak’, sprak mr. Schootstra.
Even later troffen de rechtbankverslaggevers van de Leeuwarder Courant, de Friese Koerier, Ons Noorden, het Nieuwsblad van het Noorden en het Friesch Dagblad elkaar in het nabijgelegen cafe De Klanderij. Zij kregen al spoedig gezelschap van hun jonge collega van de lokale editie van Het Vrije Volk, die overigens slechts als intermediair had opgetreden tussen de redactionele telex en de regelrecht ter zitting geschreven verslagen van zijn ervaren collega Gerda Brautigam, die speciaal voor deze zaak uit Amsterdam was overgekomen. Het pleidooi had op iedereen diepe indruk gemaakt. Er moest, besloot men na het derde glas Beerenburg, sprake zijn van een justitiele dwaling. Nog twee glazen later begaf de HVV-verslaggever zich naar de HVV-vestiging, waar Gerda Brautigam net aan haar laatste alinea’s bezig was. Rustig liet zij haar even jeugdige als opgewonden collega uitspreken. 'Lieve jongen’, zei zij uiteindelijk, 'geloof mij nou maar, die man is guilty as hell.’
DE PSYCHIATERS hadden O. 'een ernstig gepsychopathiseerde persoonlijkheid van het schizoide type’ genoemd, 'agressief, zelfingenomen, rancuneus, eigenwijs en querulant’, een 'ten diepste gestoorde’ fantast in 'psychische nood’. Zo iemand hoort men niet alleen op te sluiten, maar ook te behandelen, zou men denken. Maar zover was het Nederlandse rechtsbestel nog niet in het begin van de jaren zestig. O. ging de isoleercel in. Vrienden had hij niet, zijn familie meed hem, zijn medegevangen waren bang voor hem. Totdat hij, na een tocht langs zo'n half dozijn strafgevangenissen, uiteindelijk in Scheveningen bij een therapeut terechtkwam die besefte dat zelfs dokter O. recht had op een menswaardige behandeling. O. kreeg een bureautje plus een paar woordenboeken en begon, onder het pseudoniem O. P. Dam, wat vertaalwerk te doen voor een uitgeverij in Bussum. Bovendien kreeg hij eindelijk bezoek, van een jonge vrouw uit Amsterdam die zich zijn lot had aangetrokken. Eerst kon het tweetal goed met elkaar opschieten. Toen begon, tot bittere teleurstelling van de vrouw, het besef door te dringen dat O. wel degelijk een 'pathologische leugenaar’ was, die iedereen alles wijs dacht te kunnen maken. Zelfs haar, die het goed met hem voorhad. Had O. in de oorlog in Dachau gezeten? Hoe kwam die man erbij zo'n aantoonbare onwaarheid een heel jaar lang vol te houden? 'Hij weet gewoon niet meer wanneer hij liegt’, zei de vrouw later, 'hij gaat het op het laatst zelf geloven’. Natuurlijk, beter dan wie ook wist zij dat O. wel degelijk zijn vrouw had vergiftigd. 'Ik zei altijd: Tja, als jij Nol had laten leven was dit allemaal niet gebeurd.’ Deze conclusie werd, significant genoeg, door de gevangene zonder protest of tegenstribbelen geaccepteerd.
Dokter O. is in 1975 vrijgelaten. Na anderhalve bekentenis. Inderdaad, hij was verantwoordelijk voor de dood van zijn echtgenote, gaf hij toe. Maar bij het overlijden van zijn medegevangene Lodder had hij slechts hand- en spandiensten verleend. Zeker zullen wij het nooit weten - waarschijnlijk zijn het de enige ware woorden die O., de overfantasierijke 'Borgia van Berkel’, gedurende dertig jaar detentie heeft gesproken.