Inleiding

Doktor Faustus, een muurschildering

Thomas Mann schreef zijn roman Doktor Faustus tussen 1943 en 1949 in Californië. In een brief uit 1949 schrijft hij aan Albert Oppenheimer: ‘De held van de roman, de componist Leverkühn, is een buitengewoon trotse, koele en slimme geest, te slim eigenlijk voor de kunst, maar die desondanks is vervuld van een drang om te creëren en zich daartoe dient te ontdoen van remmingen, waar binnen het ideële bereik van het boek alleen de Boze voor kan zorgen. Met zijn zondeval wordt ook in zekere mate op het politieke vlak van het boek gezinspeeld op de fascistische bedwelming der volkeren.’
Het gepersonifieerde kwaad lijkt uit het serieuze levensbeschouwelijke discours verdwenen te zijn. De dun geworden geloofskrachten van de verlichte westerse mens lijken in het beste geval net voldoende voor een ietsachtige god, een overkoepelende energie die ofwel goed en zoet is ofwel als yin en yang, het goede en kwade in zich verenigt. Inderdaad niet meer dan krachteloze troostvoorstellingen voor mensen die niet zijn opgewassen tegen een natuurwetenschappelijk wereldbeeld. Moderne mensen belijden ofwel een naar de letter radicaal darwinistische toeval/determinatiegedachte (overigens: toeval betekent niets meer dan dat je de samenhang tussen twee fenomenen niet begrijpt), waarvan ze de bittere waarheid onmogelijk tot hun hart kunnen laten doordringen, ofwel een illusoire vrijheid die alleen tussen de oogkleppen van deze geprivilegieerde individuen voelbaar is. In werkelijkheid is ieder mens voor een belangrijk deel een speelbal van invloeden waarvan moeilijk te achterhalen is of ze van biologische of demonische oorsprong zijn. Een van de grote kwaliteiten van Doktor Faustus is dat Mann juist dit probleem van het wezenlijke kwaad onopgelost rond laat zingen tussen de verschillende gebeurtenissen en personages in zijn boek.
De inzet van de roman is een vertwijfelde analyse van de corrumpering van de Duitse cultuur door het nationaal-socialisme. Daarmee verweven is de vraag naar het wezen van de cultuur zelf, geplaatst in het spanningsveld tussen scheppingsvermogen en beschouwende kritiek. Vanuit een grote hoeveelheid invalshoeken, raamvertellingen en personages belicht Mann de vraag hoe het kan dat het 'grote kunstwerk’ in onze tijd niet meer mogelijk lijkt te zijn. 'Een tijd die zoveel over cultuur praat is er zelf waarschijnlijk geen’, zegt Leverkühn tegen zijn vriend Zeitblom, om dan te vervolgen: 'En toch zal zij komen; een nieuwe, eenvoudige kunst, onfeestelijk en met het volk op gelijke voet.’
Het idee om met verscheidene mensen een muurschildering te maken over dit boek is ontstaan uit een persoonlijk verlangen naar het 'Grote Kunstwerk’. Een werk dat inhoudelijk voorbij de horizon van de beeldende kunst kijkt, dat de individuele posities van de deelnemende kunstenaars overstijgt en dat voor een groot publiek toegankelijk is. Wij verbeelden ons niet dat mensen die Doktor Faustus niet kennen het verhaal uit onze tentoonstelling kunnen opmaken. Ons project is een eerste stap; niet zozeer een voorzichtige maar eerder een naïeve en drieste poging tot een nieuwe vorm van verhalende schilderkunst.
Wij zijn als volgt te werk gegaan: nadat ik Gijs Assmann, Natasja Kensmil, Axel Linderholm, Joris Lindhout, Dick Tuinder, Menso Groeneveld, Paul Klemann en Charlotte Schleiffert had uitgenodigd, zijn we begonnen om allemaal individueel het boek te lezen. We spraken af dat iedereen op grond van deze eerste lezing tekeningen zou maken over de passages, scènes en personen die hem of haar aanspraken. Twee maanden later legden wij deze tekeningen bij elkaar, zochten verdubbelingen en ernstige lacunes op en maakten vervolgens een op de achterzaal van W139 geprojecteerde compositie die de chronologie van het boek losjes volgt. Deze ontspannen werkwijze maakte het mogelijk om zonder al te veel discussies (die waarschijnlijk even oeverloos als zinloos zouden zijn) te beginnen. We begonnen op maandag 1 februari te schilderen en zijn als deze publicatie verschijnt een paar dagen klaar.
Inhoud in de schilderkunst biedt toegang, het is de oppervlakkige, talige kant. In de diepte zijn de kleuren. Schilders weten dat de eigenlijke ervaring van kleur pas ontstaat in een aaneengesloten veld. Zodra zij de kans krijgen werken kleuren op elkaar en op ons in. De huidige gebruikelijke wijze van het presenteren van schilderkunst, namelijk binnen rechthoekige kaders omgeven door wit, is eigenlijk in fundamentele tegenspraak met het wezen van kleur. Het plaatst de toeschouwer in een afstandelijke beoordelende positie tegenover het werk. Kunst vraagt echter om een bereidwillige, medeplichtige blik.
Beeldende kunstenaars zijn wel eens jaloers op de kracht van muziek. De overspoelende werking van muziek op de ziel ontstaat echter voor een belangrijk deel door het aaneengesloten karakter ervan. Als er tussen alle recitatieven, aria’s en koralen van de Matthäus Passion enkele minuten stilte zouden zitten, vergelijkbaar met de meters witte muur tussen de schilderijen en beelden in de gemiddelde tentoonstelling, zou het onmogelijk worden om in de muziek op te gaan. Mijn hoop is dat de soortelijke dichtheid van deze tentoonstelling, de intensiteit en hoeveelheid verschillende beelden, stijlen en kleuren zich in de ruimte samenvoegen tot een ervaring die de muzikale benadert.
Tijdens het eerste gesprek over deze bijlage ontstond het idee om de in een tijdschrift gebruikelijke advertenties onderdeel te maken van het project. Het idee van een pact. Groene Amsterdammer-aquisiteur Tiers Bakker, W139-marketingmedewerker Femke Gerritsma en kunstenaar Teun Castelein vonden tien adverteerders, Castelein en ondergetekende schilderden ze op de muren van W139.

Bekijk de special in pdf formaat