13 en 14 juni in het Filmmuseum Amsterdam

DokuArts

Het kleine festival DokuArts, dat in 2008 uit Berlijn naar Amsterdam overkwam, biedt een fijn programma van zo’n dertig films op de grens tussen televisie, cinema en de kunsten. Dit jaar spelen architecten en architectuur een belangrijke rol, met films over Santiago Calatrava, Rem Koolhaas, Charles Correa en over het merkwaardige draaiende huis Il Girasole bij Verona, een ontwerp van Angelo Invernizzi uit de jaren dertig.

Zeggen dat er een nauwe relatie is tussen architectuur en film is een open deur intrappen. Metropolis (1927), Berlin: Die Sinfonie der Grossstadt (1927) en Dziga Vertov’s De man met de camera (1929) zijn vroege getuigen van de grote belangstelling van filmmakers voor bouwkunst. Anderzijds zochten in dezelfde periode nogal wat architecten de film op, om (bij gebrek aan bouwopdrachten) hun ideeën onder de aandacht van een groot publiek te brengen. In 1929 verfilmde Pierre Chenal in l’Architecture d’aujourd’hui Le Corbusiers manifest 5 points d’une architecture nouvelle. Die film werd gedraaid in de Villa Savoye, toen het sleutelwerk van de architect. De camera maakte door het gebouw een promenade architecturale, een langzame beweging die beantwoordde aan Le Corbusiers ideeën over hoe de gebruikers zijn gebouw zouden ervaren. Dergelijke waarnemingen door de camera leidden bij architecten weer tot gedachten over gebouwen als scenario’s, waarin de gebruiker zich als het ware van scène naar scène beweegt.
De documentaires over architecten zijn overigens een genre op zich. In 2005 maakte regisseur Sidney Pollack (Tootsie) met Sketches of Frank Gehry (niet op het festival) een portret van architect Frank Gehry (Guggenheim Bilbao). De onderlinge schouderklopperij door de twee vrienden is gênant. Beiden zien ze zichzelf als integere kunstenaars in een banale, commerciële wereld waar ze, helaas, af en toe concessies aan moeten doen. Onbewust of, waarschijnlijker, bewust zet Pollack Gehry neer als het Hollywood-stereotype van de architect, dat gemunt werd in The Fountainhead van King Vidor (1949). Daarin is de architect (gespeeld door Gary Cooper) de creatieve, compromisloze individualist pur sang: ‘…men of unborrowed vision went ahead. They fought, they suffered, and they paid – but they won.’ Veel architectuurdocumentaires kunnen zich niet aan dat sjabloon ontworstelen. Een reden zou kunnen zijn dat regisseurs zich verwant voelen met de architect, als de echte visionair, de creatieve kern van een grote complexe logistieke organisatie.

Een mooie uitzondering is Koolhaas Houselife van Ila Bêka en Louise Lemoine. De film portretteert een van Koolhaas’ onbetwiste meesterwerken, de villa in Floriac uit 1998. De ster van de film is niet de architect maar de schoonmaakster, Guadalupe, die de camera mopperend laat zien dat ze met de stofzuiger nergens bij kan, dat het gebouw enorme lekkages heeft en dat het centrale liftplateau, dat alle verdiepingen verbindt, makkelijk vast komt te zitten als iemand een boek laat rondslingeren. De satire doet denken aan Tati in Mon oncle (1958), maar Guadalupe vertelt ook wat ze mooi vindt aan het huis – het licht, de beweging, de vernuftige constructie. Ze kraakt de mythe van de geniale architect, maar ze verandert tegelijkertijd het huis van een woonmachine in een levend organisme – zoals Koolhaas het, waarschijnlijk, voor ogen had.

DokuArts. Nederlands Filmmuseum, Amsterdam, 11 t/m 14 juni. www.doku-arts.com