Kunst

Dolen door de stad

KUNST Mapping the City

Een paar jaar geleden deed ik mee aan het project Realtime: Sporen door de stad van de kunstenaar Esther Polak. Polak gaf een aantal vrijwilligers een gsm-‘tracker’ die men een week lang overal mee naartoe moest nemen. Elke beweging werd met behulp van een satelliet geregistreerd en ‘live’ in kaart gebracht in een tentoonstellingsruimte. Wat bleek: mijn bewegingen door de stad beperkten zich tot een saai patroon tussen Amsterdam-West en het Centrum, van wonen naar werken en vice versa, afgewisseld door wat andere ingeroeste plekken als een vast café, de afhaal-Indonees en nog zo wat. Mijn grotestadsgevoel bleek in werkelijkheid niet veel meer dan het doelgericht verplaatsen van A naar B, binnen een terrein van enkele vierkante kilometers. Mededeelnemer Chris had dit voorspelbare gedrag voorzien en een poëtische tegendaad gesteld: in de plattegrond van de grachtengordel had hij een route uitgestippeld die door de volgzame satelliet werd opgetekend als een prachtige, zij het wat hoekige afbeelding van een duif.

Door het project kreeg ik zin om doelloos door de stad te fietsen, te ontsnappen aan mijn geconditioneerde handelen. Ik ging er ook, althans voor even, wat oplettender door naar de stad kijken. Waar ik behoefte aan had, begrijp ik na het zien van Mapping the City, was een ‘dérive’. Dit begrip, dat een van de uitgangspunten is van deze tentoonstelling en zoiets betekent als ‘willekeurig ronddolen’, werd eind jaren vijftig gelanceerd door de Franse grondlegger van de Situationisten Guy Debord. Doel van de dérive was af te zien van het normale verplaatsingsgedrag, van de gangbare relaties met mensen, van werk of afspraken en ander ingeslepen gedrag, en zich over te geven aan de prikkels van de stad.

Bij de ingang van de tentoonstelling in het Stedelijk Museum is een tv-opname te zien van een van de eerste Nederlandse dérives: de Mars door Amsterdam van Wim T. Schippers en Willem de Ridder. Zes anonieme heren lopen op 6 december 1963, om drie uur ’s middags, volgens een vooraf bepaalde maar ‘nutteloze’ route vanuit de voetgangerstunnel onder het Centraal Station richting Rembrandtplein. De mars is weinig spectaculair, onopvallend, een beetje droogkomisch zelfs, en na zeventien minuten ook weer voorbij. Maar juist door de zinloosheid van het gebaar benadrukt het vreemd genoeg de aanwezigheid van de stad zoals hij is. Schippers en De Ridder heffen met hun actie de scheiding op tussen kunst en de straat en maken de stad tot hun werkterrein.

Datzelfde doet ook de als architect opgeleide kunstenaar Francis Alÿs. In het videowerk Railings (2004) slentert hij gewapend met een trommelstokje door de straten van Londen. Alles waar hij langskomt tikt hij even aan; hekwerk, lantarenpalen, brievenbussen. Het leidt tot een fraai lichtvoetig muziekstuk. Onbevangen als een schooljongen brengt Alÿs zijn omgeving in kaart, hij bezielt de dingen door ze aan te raken. Alÿs benadrukt met zijn wandeling de functie en betekenis van de alledaagse dingen in de stad.

De poëtische kracht van Railings maakt op zichzelf al een bezoek aan Mapping the City de moeite waard. Gaandeweg de tentoonstelling zie je echter ook een andere, minder vrolijk stemmende ontwikkeling. Mapping the City laat zien hoe kunstenaars vanaf de jaren vijftig de stad hebben waargenomen, en dus ook hoe de sociale context van de stad in de tussentijd is veranderd. De betrokken en levendige straatbeelden die er te zien zijn van Ed van der Elsken, Saul Leiter en Lee Friedlander maken plaats voor werken die anonimiteit, angst en wantrouwen uitstralen. De foto’s van Dan Graham, Bill Owen en Jeff Wall bijvoorbeeld brengen de desolaatheid, eenvormigheid en eenzaamheid van de suburbs in beeld. In Doug Aitkens indrukwekkende video-installatie Electric Earth overheersen verlatenheid en vervreemding van de stedelijke omgeving. En Ed Ruscha’s observerende beelden van parkeerplaatsen en benzinestations zijn vooral afstandelijk, alsof ze zijn opgenomen met een bewakingscamera. De openbare ruimte is in de afgelopen decennia leger geworden, lijkt het wel, geestelijk in ieder geval.

Dat brengt ons weer bij de dérive. Met zijn Theorie van het ronddolen liet Guy Debord zien dat moderne steden een zogenoemd psychogeografisch reliëf hebben en dat hun gebruikers zich steeds meer houden aan, zoals hij dat formuleerde, de ‘dominante invloedssfeer’ van kantoorwijken, winkel- en vermaakcentra. De dérive werd ingezet als een protest hiertegen, een manier om deze situatie te ontregelen. Zo zou een radicaal andere ervaring van de stad mogelijk worden en het spektakel van de consumptiemaatschappij worden ondermijnd. Hoe een eenvoudige wandeling grote pretenties kan hebben.

Deze pretentie heeft Mapping the City niet. De expositie toont daarentegen fijntjes dat Debords theorie werkelijkheid is geworden. In het meest recente werk in de tentoonstelling, de video Miami (2005) van Sarah Morris, is de ‘spektakelmaatschappij’ in al haar vette glorie zichtbaar – en waarschijnlijk in een extremere vorm dan Debord zich ooit had voorgesteld. Morris cruist met een glimmende auto langs een zonovergoten boulevard, langs potsierlijk glimmende hotels, fitnesscentra, zwembaden, mega-supermarkten. De stad die ze filmt kent maar één realiteit, die van consumeren, consumeren en nog eens consumeren. De stad is hier in feite alleen nog maar een decor voor, nauwelijks nog een plek waar echt wordt geleefd. De moderne stad is van plastic, siliconen en bordkarton. Het bezoeken van Mapping the City is in die zin een onheilspellende gewaarwording. Maar zolang er mensen zijn die een satelliet zo ver krijgen dat die een duif tekent, is nog niet alles verloren.

Mapping the City. Stedelijk Museum CS Amsterdam, tot en met 20 mei

www.stedelijk.nl