Graaf Moïse de Camondo (rechts), ca. 1890 © Jean-Marie del Moral / Musée Nissim de Camondo, MAD, Parijs

Het Musée Nissim de Camondo in Parijs bevindt zich in de elegante ambassadewijk rond het beeldschone Parc Monceau, waarvan Tucholsky schreef: ‘Hier ist es hübsch. Hier kann ich ruhig träumen./ Hier bin ich Mensch – und nicht nur Zivilist.’ Twee huizen verder bevindt zich het betoverende Musée Cernuschi, met Aziatische kunst, iets verderop is het Musée Jean-Jacques Henner, het verstild atelier van zo’n ooit-wereldberoemde Franse schilder waar u nog nooit van gehoord hebt. In het park staat de mooiste draaimolen van de wereld.

Musée Nissim de Camondo is een museum voor dapperen. De stichter, graaf Moïse de Camondo (1860-1935), was een devote liefhebber van de cultuur van de achttiende eeuw, de Franse, welteverstaan. Het huis dat hij tussen 1911 en 1914 liet bouwen is gevormd naar het Trianon in Versailles, een L-vorm met een hoge pilastergevel aan het voorplein en een ronde uitbouw naar de tuin en het park. Zijn verzameling meubilair, beelden, textiel en keramiek biedt een perfecte illusie van die oversierlijke eeuw, toen elk denkbaar detail van het interieur krols krulde en koerde, elk oppervlak bestond uit duizenden splinters exotisch hout, elk flinterdun porseleinen bordje uitzicht bood op een exotische volière, op China, op Japan. Rococo is opium, roesgif, het zet de wereld in beweging, daar kan niet iedereen tegen.

Het museum is een tombe. De graaf schonk het compleet, tot en met de eierlepeltjes en de lege valiezen op zolder, aan de Franse staat, in 1935. Hij bepaalde dat er geen flinter mocht worden verplaatst, en noemde het naar zijn enige zoon, Nissim, die in 1917 aan het front was gebleven, mort pour la France. In die tombe begeeft Edmund de Waal zich, hij richt zich in zijn boek tot de graaf in een eenzijdig gesprek in vijftig brieven, waarin hij mijmert en peinst, zijn opmerkingen beleefd aan De Camondo richtend, zonder antwoord te verwachten. En passant schetst hij de geschiedenis van de familie. Die kent hij, want zijn eigen familie, de Ephrussi’s, was innig met die van De Camondo verbonden. Ze woonden bij elkaar in de straat, net als de Reinbachs en de Rothschilds.

Het Franse antisemitisme had in de beschaafde wereld zijn gelijke niet

De Waal is pottenbakker. Zijn eerste twee boeken gingen over aanraking, of liever gezegd: ze gingen van aanraking uit, en ze probeerden te laten zien hoe de alert voelende mens met zijn vingers contact maakt met de substantie van de wereld, en zo met de efemere wereld die in die materie besloten ligt: kwaliteit, traditie, liefde, geschiedenis, aanwezigheid. De witte weg ging over De Waals obsessie met de witte klei waarmee porselein gemaakt kan worden; De haas met ogen van barnsteen behandelde een verzameling netsuke, harde kleine Japanse beeldjes (knopen, eigenlijk), waarvan de schrijver er altijd één in zijn zak had, om te bevoelen.

Brieven aan Camondo is een tweelingbroertje van dat laatste boek, een spiegeling van de geschiedenis die De Waal vertelde over de Ephrussi’s, net als de De Camondo’s steenrijke joodse ondernemers en bankiers. Zij maakten in de tweede helft van de negentiende eeuw furore in de Parijse culturele elite en werden tegelijkertijd door die elite uitgekotst; het Franse antisemitisme had in de beschaafde wereld zijn gelijke niet. Moïse de Camondo bood dat het hoofd, als patriot en filantroop, als beschermer van Frans erfgoed; zijn zoon nam fier dienst, en sneuvelde. Alles vergeefs: de familie zou in Auschwitz ten onder gaan.

De Waals dolen door de lege volle kamers en zijn voortdurende begroeting van de kostbare materie, de meubels, de boeken, de tapijten, is het spiegelbeeld van de reis in dat andere verhaal. Hij is een levende nazaat van de Ephrussi’s, maar hun kostbare bezit is (op de netsuke na) verloren in de tijd, geplunderd door de nazi’s. Van graaf Moïse de Camondo staat alles er nog, alles is gereed voor het diner, maar er leeft niemand meer.

In het laatste fragment van het boek vraagt de schrijver zich af waar zijn geschiedenis hem ‘plaatst’, letterlijk: waar hij ‘thuis’ is. Het is kennelijk iets wat hem, als schrijver van joodse geschiedenis, geregeld door belangstellenden wordt gevraagd: ‘Komt u terug?’ – naar Parijs, naar Wenen? De Waal is zoon van een half-joodse anglicaanse geestelijke, hij is half Engels, een kwart Nederlands, een kwart Oostenrijks, maar hij is ‘een afvallige van alles’. Zijn taak is, schrijft hij, getuige te zijn, ‘iets bijzonders te maken van wat verstrooid is’, om zo ‘de stilte van de minachting tegen te gaan’.

Is Musée Nissim de Camondo zo’n getuige? Er zijn veel van dit soort museale huizen, met fraaie collecties, door de eigenaren nagelaten aan de samenleving als geschenk en vaak ook als ijdele poging een naam en iets van een boodschap of een visie te laten voortleven. Devoot sjokt de bezoeker daar langs de familieportretten, merkt op ‘dat de bedden toen vrij klein waren’, vergaapt zich aan de keuken, beklaagt het lot van de bedienden, verbaast zich over het elementaire sanitair, enzovoort. Wat altijd ontbreekt is het recht de dingen aan te raken, op het bed te gaan liggen, een kopje Sèvres-porselein naar de lippen te brengen, de in rood marokijn gebonden Gazette des Beaux Arts van de plank te nemen, zoals de heer des huizes moet hebben gedaan. De Waal bewijst vooral hoe essentieel de intieme omgang met de dingen is, want in de aanraking ligt de herinnering besloten, in de aanraking opent zich de geschiedenis. De rest is toerisme.