Dolen in een woud van vraagtekens

Pol Hoste, High key: Monologen, dansen en verhalen. Uitgeverij Prometheus, 231 blz., f34,90
POL HOSTE IS, zo blijkt ook nu weer uit zijn nieuwe roman High key, geen auteur die gemakkelijk aansluit in de reidans van de traditionele vertellers. Liever houdt hij zich wat apart. De auteur is een rusteloos zoekende geest die zaken graag binnenstebuiten keert of ondersteboven zet vooraleer hij iets onderneemt. Hij is niet wars van tegenspel en contramine, schept daar zelfs een zeker behagen in. Dat hij nogal dwars tegen de dingen aankijkt, zeker als het om de vorm gaat, maakt het lezen van elk nieuw boek van hem tot een spannend avontuur. De vraag is altijd waarmee hij je nu weer zal verrassen.

Dat is met High key niet anders. Een roman noemde ik het, maar dan wel een ‘op zijn Hostes’, want een echte roman is het eigenlijk niet. Evenmin trouwens een verhalenbundel of iets wat tussen die twee genres in ligt. Een 'stemmenspel’ lijkt nog de meest adequate typering. 'Monologen, dansen en verhalen’ heeft hij er zelf als regie-aanwijzing onder gezet. Dansen? Dat lijkt vreemder dan het is. Titel en ondertitel verwijzen naar een methode van werken. Het woord high key komt uit de wereld van de fotografie, waar het de technische term is voor een fotobeeld waarin door belichten, ontwikkelen of afdrukken de tinten erg licht uitvallen. Dat refereert in feite ook aan de wijze waarop hij zelf aan beeld en taal een zekere transparantie en betovering geeft, gebaren en bewegingen neerzet waarin een innerlijk zichtbaar wordt. Dansen dus, maar uiteraard in taal. En Hoste is als schrijver verleider genoeg om te weten hoe hij de lezer in zijn volstrekt eigen en originele choreografie kan betrekken, gebruikmakend van alle verteltrucs die hij in huis heeft. Een contradans, zou je kunnen zeggen.
Pol Hoste debuteerde met De veranderingen (1979) - een programmatische titel zou achteraf blijken. Het taalgebruik en de verhaalstructuur waren volstrekt onconventioneel, de inhoud demonstreerde vooral een kritische instelling tegen alles wat vals was, wat niet deugde in de samenleving. Zijn sociale bewogenheid, zijn politieke engagement en zijn onmiskenbare sympathie voor de slachtoffers uit de bourgeoissamenleving, krijgt een krachtige emotionele ontlading in het prachtige Vrouwelijk enkelvoud (1987), zijn tweede boek. Daarin gaat het om herinneringen aan de vrouw die hem grootbracht, zijn grootmoeder. Ze komt overigens zelf nauwelijks in beeld, alleen indirect wordt duidelijk wie ze was, via vijf parallelle geschiedenissen: verhalen over werkende en werkloze vrouwen van deze tijd, momentopnames uit een bestaan waarin onderdrukking en uitbuiting het leven bepalen - een kaleidoscoop van kwellingen. Hoezeer het lot van deze meisjes en dat van zijn grootmoeder hem aan het hart gaan, blijkt vooral uit de secure waarneming van hun taal en leefwereld.
Met Een schoon bestaan (1989) en Ontroeringen van een forens (1993, vorig jaar genomineerd voor de Libris Literatuurprijs) versterkte Hoste vooral het autobiografische element in zijn schrijfwerk. Al de elementen - politiek engagement, sociale satire en verhulde autobiografie - keren terug in High key, nu vermengd met een stevige portie lyriek.
HET BOEK IS zo'n eenentwintig bladzijden gevorderd als de kennelijke aanleiding voor het schrijven ervan wordt prijsgegeven: 'Ik heb ooit een choreograaf ontmoet. Hij lag languit in een versleten lederen fauteuil. Niet een teken in het interieur verwees naar beweging, stilstand, vormgeving of dans. Geen tekst viel te bespeuren, geen schets, geen woord besteedde hij aan de uitvoering. Hij dacht aan enkele losse delen die na een feest worden gedanst. Van elke stap ontbrak elk spoor. Wellicht dat hij zijn ideeen voortdurend uitwiste, bijvoorbeeld door ze te formuleren. Hij concentreerde zich op een of ander thema zoals de moeite in zijn lichaam, zijn verwondering, zijn verbijstering over de stilstand en toonde mij een paar landschappen uit een boek. Soms leken de spelers maar wat te dolen. Iedere weigering van de geest kreeg haar plaats.’ Maar tevens is het alsof het boek hier over zichzelf spreekt.
Het begint bijvoorbeeld eveneens met een feest, een bruiloft in het door Claus beroemd gemaakte Oostakker. Van daar waaiert het verhaal alle kanten uit. Een intrige is er nagenoeg niet; Hoste toont zich vooral een filmisch verteller. Hij schrijft scenes, snijdt abrupt van beeld naar beeld en wisselt voortdurend van locatie. De snelle wisseling van decor heeft als effect dat de verschillende scenes elkaar zo snel opvolgen dat ze elkaar lijken uit te wissen. De lezer wordt van hot naar haar gesleept: het theater in, de concertzaal uit, naar Brussel, naar Detroit.
Een hoofdpersoon is er niet. Het gezelschap waarin de lezer verkeert, bestaat uit louter figuranten die met elkaar aan de praat zijn of door elkaar heen praten. Ze zijn nog naamloos ook, worden aangeduid met de schrijfster, haar zus, de spreker of de danseres. Verleden en opleiding van de schrijfster - afkomstig uit een communistisch nest, haat haar ouders, heeft ooit een studie Nederlands gedaan - doen aan Hostes eigen levensloop denken. In deze monologen en dialogen komt van alles aan de orde: opvoeding, politiek, oude en moderne mythen, kunst, verleden en heden. Ze zitten vol poezie, gein en chagrijn, lief en leed. Doordat de dialogen niet zijn ingesnoerd in een strak verhaal komt de lezer al snel in de verleiding om zichzelf de hoofdpersoon te wanen. En misschien is dat zo gek nog niet. Het is immers de lezer die dit libretto als medespeler of tegenspeler, al naar gelang de houding die hij of zij kiest, betekenis moet geven.
Al deze personages dolen rond in een woud van vraagtekens: retorische vragen, vragen naar de bekende weg, levensvragen. Sommige lijken gesteld om bij af te haken, andere om bij aan te haken, maar hoe dan ook worden de meeste gebruikt om samenhangen te zoeken. Anders staan ze wel in het perspectief van de alomvattende vraag: wie ben ik? 'Waarom probeer ik heel mijn leven het verband te vinden tussen wat ik weet en de plaats waar ik woon?’ wil iemand weten. 'Brengt menselijke aardrijkskunde menselijke wezens op het spoor van leed, vreugde, puur geluk en noem maar op?’ vraagt de schrijfster. 'Wil men niet steeds het onbekende doorgronden terwijl alles in ons ligt, het vertrouwde begrijpen ook al is men een vreemdeling van zichzelf?’ Andere vragen fungeren als breekijzer om de stemmen en stemmingen van het innerlijk bewegingsvrijheid te geven. En daar was het Hoste tenslotte om te doen.
En de humor en satire? Wees gerust, ook die zijn volop aanwezig in de talloze anekdotes, verhalen in verhalen en intermezzo’s over deze dolgedraaide wereld, waar de waar de belangrijkste waarde is, diploma’s zwaarder tellen dan levenservaring en kunstenaars buigen naar hun sponsors. Er is heel wat waarover een narrig verteller als Pol Hoste zich met een knipoog naar de lezer vrolijk kan maken. Dat de macht van een nar niet al te ver reikt, beseft hij maar al te goed. 'Ik schrijf, dat is alles’, laat hij in de laatste regel van zijn boek een auteur zeggen. Iemand die sterk op hem lijkt: 'Aan grapjes ontbrak het hem niet. Ik wil het niet hebben over zijn vlegelachtige verschijning. Hoe oud die man ook werd, hij bleef eruitzien als een kwajongen. Toch was wat hij te vertellen had iets wat men beter nog eens kon nalezen.’
Het proza van Pol Hoste wekt nergens de indruk van achter een schrijftafel te zijn bedacht. Het is levendig, zit vol verrassingen en lijkt regelrecht uit zijn levenshouding voort te komen. Nu eens zwierig, dan weer weerbarstig, hartstochtelijk of melodieus. En het kan per alinea, ja zelfs per zin genoten worden.