Winti in de RIAGG

Dolende geesten

Tussen de allochtone patiënt en de geestelijke gezondheidszorg bestaat een moeizame relatie. Therapieën worden vroegtijdig afgebroken en allochtonen vluchten naar esoterische genezers.

De geesteszieke allochtoon doolt door de Nederlandse gezondheidszorg. Wantrouwen en het gevoel door artsen en hulpverleners niet serieus genomen te worden, leiden tot vroegtijdig afgebroken therapieën en verkeerde diagnosen. Het rapport van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg over de allochtoon in de Nederlandse gezondheidszorg — eerder deze maand aangeboden aan minister Els Borst — schetst een somber beeld. De gezondheid van allochtonen is volgens het rapport over het algemeen slechter dan die van autochtonen; ze komen er niettemin bekaaid van af: «Hoewel bekend is dat een grondig consult met allochtone patiënten meer tijd vergt, blijkt uit onderzoek dat inhoud en duur van hulpverleningscontacten met allochtone patiënten korter zijn dan bij autochtone patiënten.»

Met name in de geestelijke gezondheidszorg is de situatie zorgelijk. Hier worden zonder doelmatig ingrijpen grote problemen verwacht. In de psychiatrie is een «etnocentrische interpretatie een valkuil van de eerste orde». Onbegrip en miscommunicatie zijn al te vaak de oorzaak van verkeerde diagnosen en behandelingen. Schaamte, onwennigheid en onbekendheid met de Nederlandse zorg maken dat allochtonen een bezoek aan het Riagg of aan zusterinstellingen uitstellen. En als de drempel genomen is, blijkt het vaak ondoenlijk om het juiste loket te vinden. Voor vrouwen is het al helemaal treurig: «Het contact blijft vaak beperkt tot de intake», staat in het rapport. Er zijn weliswaar pogingen ondernomen de gezondheidszorg toegankelijker te maken voor de allochtoon, maar die waren veelal ad hoc en persoonlijk geïnitieerd. «Zorgverleners zijn onvoldoende voorbereid en toegerust op de zorg aan allochtone cliënten», vat het rapport koeltjes samen. Kortom: de Nederlandse gezondheidszorg mag ondanks de ontbrekende miljarden guldens en het tekort aan personeel nog steeds van hoge kwaliteit zijn, voor de allochtoon geldt dat niet.

De spreekkamer van Cecilia Pengel in Riagg Zuid/Nieuw-West te Amsterdam is klein en eenvoudig. Een bureau in de hoek, een zitje met wat vetplanten, een grote doos tissues en een onbetekenend prentje aan een van de witte muren. Dubbele deuren zorgen ervoor dat emotionele uitbarstingen binnenskamers blijven.

Pengel is zwart. Ze woont al decennia in Nederland, genoot haar opleidingen hier en sinds 1978 werkt ze als psychotherapeut, maar ze is en blijft Surinaamse. «Ik kan de specifiek Surinaamse aspecten van psychische problemen beter behappen dan mijn autochtone collega’s.» Dat kan een verschil van dag en nacht uitmaken. Neem nou het geval van fyo-fyo waar ze onlangs bij betrokken raakte. Een Surinaamse moeder kreeg ruzie met haar ongehuwde dochter omdat de dochter ondanks de vele waarschuwingen toch zwanger raakte. De moeder keerde haar de rug toe. Doodsbang en totaal overstuur kwam de dochter na de nodige omzwervingen bij een opvanghuis terecht. Daar kreeg ze het advies: kies voor jezelf en je kind, laat je moeder maar razen en tieren, verbreek het contact. Maar de problemen stapelden zich op en na een escalatie haalde de behandelend therapeut haar collega Pengel erbij. Pengel: «Dat advies om de relatie met haar moeder te verbreken was totaal onzinnig. Tijdens de zwangerschap en de bevalling zal de dochter hevige angsten uitstaan. Wij Surinamers kennen immers de ‘moedervloek’: als een moeder ruzie met haar dochter heeft en niet bij de bevalling mag zijn, kan de moeder de bevalling rampzalig laten verlopen. De dochter had naar verzoening moet streven en niet naar afzondering.»

En zo kan Pengel vele voorbeelden geven van het gebrek aan culturele kennis bij de witte hulpverlener en de schadelijke gevolgen daarvan. Daarnaast luisteren de witte psychotherapeuten vaak slecht en vragen ze niet goed door — uit onbegrip en onmacht. Pengel: «Het komt wekelijks voor dat zwarte patiënten in mijn spreekkamer verschijnen omdat ze het met de witte hulpverlener niet konden vinden. De verhalen zijn soms stuitend. Ze voelen zich niet begrepen, ze vertrouwen de hulpverlener niet. Er ontstaat kortsluiting en ze blijven weg. En vergeet niet: deze mensen hebben hulp nodig, maar ze krijgen die niet.» Sommigen komen dan bij Pengel terecht. Pengel: «Ik probeer met een à twee consulten de therapie weer op de rails te krijgen. Maar helaas willen ze bij mij blijven. Ik kom niet meer aan mijn gewone werk toe, sommigen vragen bij het intakegesprek al specifiek naar mij.»

Patiënt en therapeut kunnen fundamenteel van mening verschillen. Wat voor de therapeut abnormaal is, kan voor de patiënt de normaalste zaak van de wereld zijn. Wat zijn waanbeelden en wat niet? Menige poldertherapeut fronst de wenkbrauwen als de patiënt vertelt dat geesten zijn ziel belagen. Psychose, luidt de diagnose. Pengel: «De belevingswereld van de allochtoon wordt niet serieus genomen. Patiënten kunnen psychiatrische klachten hebben, zoals depressies, maar ze kunnen ook een bovennatuurlijk probleem hebben. Wat de reguliere geestelijke gezondheidszorg psychosen noemt, zoals stemmen horen of visioenen zien, wordt door veel Surinamers toegeschreven aan boze krachten. Het niet kunnen vinden van een partner of het niet kunnen krijgen van kinderen wordt eveneens toegeschreven aan een kracht die het slachtoffer belaagt. Dat is voor u misschien een waanidee, maar voor hen is het een reëel probleem dat opgelost moet worden. Het moeilijke is: hoe ga je daarmee om? Ik volg in mijn behandelingen twee sporen: ik ga met de achterliggende psychische problemen aan de slag en daarnaast adviseer ik de patiënt contact op te nemen met een alternatief genezer. Bijvoorbeeld een bonuman, een winti-ingewijde.»

Diep in Amsterdam-Oost woont Henri Stephen. Hij is bonuman. Tot aan zijn pen sioen werkte hij als verpleegkundige op de psychiatrische afdeling van het AMC. «Ik heb heel wat mensen genezen», zegt Stephen, «zowel van hun psychiatrische stoornissen als van hun wintiproblemen. Want wanen en hallucinaties kun je met medicijnen genezen, maar ook met rituelen.»

Stephen schreef boeken met titels als Winti en hulpverlening en Winti en psychiatrie. Trots wijst hij erop dat hij koninklijk onderscheiden is voor zijn werk. Stephen: «Ze bellen me nog steeds. Het Riagg, het AMC, de gevangenis. Er zijn nu eenmaal aandoeningen waar de witte hulpverlener niet mee uit de voeten kan.» Van een A4'tje leest hij voor wat hij deze week zijn toehoorders voorhield: «Het gedachtegoed van de Afro-Surinamer is dualistisch. Aan de ene kant is er het rationele denken en aan de andere kant het magisch-spirituele element. In de wintireligie neemt de natuur een centrale plaats in; gezondheid en voorspoed worden hieruit verklaard. De beleving van ziekten is bij de Afro-Surinamer dan ook anders dan bij de autochtone Nederlander. Irrationele aspecten spelen een belangrijke rol. Een ziekte kan als een straf of een lot worden beschouwd. Daarnaast ziet de Afro-Surinamer ziekte als een sociale gebeurtenis waarbij collectieve verantwoording past.»

De meeste ceremonies vinden daarom in familieverband plaats. Soms in het ziekenhuis, soms thuis. Stephen pakt een vierkante, houten staaf van ongeveer twintig centimeter lang. Op de uiteinden zijn spiegeltjes en andere versierseltjes gemonteerd. «Met deze aputu lokaliseer ik de klacht. Tijdens de luku, zoals dit ritueel heet, blaas ik sigarenrook rondom de patiënt. De aputu werkt als een soort wichelroede en vertelt me de bron van de klacht.» Een goed gesprek met de patiënt geeft aanvullende informatie, maar ook medische informatie afkomstig van bloedtests en echoscopieën kan uitkomst bieden. Stephen: «Vervolgens doe ik rituele wassingen met geneeskrachtige kruiden en helend geurende bloemen. Of ik smeer de patiënt in met geneeskrachtige zalfjes, draag gebeden voor of prevel bezwerende spreuken. Bij al die onderdelen horen verschillende rituele gebaren en bewegingen.» De rituelen en ceremonies helpen. Stephen: «De mensen knappen er enorm van op. Het neemt de angsten weg. Als een Nederlander geopereerd moet worden en hij is zenuwachtig, moet hij steeds naar het toilet of hij neemt een pil. Een Surinamer voert rituelen uit en roept geneeskrachtige wintigeesten op zich aan zijn zijde te scharen.»

Ook ik krijg een traditioneel kruidendrankje te drinken. Het is een bruin goedje met takjes en stukjes schors erin. «Het smaakt naar cognac», zeg ik. «Dat is voor de houdbaarheid. Is het niet bitter?» vraagt Stephen. «Nee, niet echt. Je wordt er wel warm van.» «Hmm», antwoordt Stephen bedenkelijk. Drie dagen later signaleren mijn smaakpapillen nog steeds een bittere nasmaak.

Maar «ondersteunende wintitherapie» is niet altijd voldoende. Winti is een natuurgodsdienst waarin het geestenrijk zich veelvuldig met het aardse bemoeit. De bonuman kan via rituelen goede geesten oproepen om kwade geesten te bestrijden. Want kwade geesten kunnen bezit nemen van een persoon. Stephen: «Wisi heet dat. De patiënt is behekst. In de reguliere gezondheidszorg noemen we dat psychosen, wanen of hallucinaties. Het komt veel voor dat Surinaamse patiënten meer waarde hechten aan deze uitleg dan aan de biomedische.»

Een rituele dans is de remedie en moet de geesten uit de patiënt verjagen. Tijdens de exorcistische dans verliest de patiënt alle controle; hij danst extatisch, kronkelt als een slang over de vloer en spreekt vreemde talen. Het is geen psychose. Stephen: «Tijdens de rituele dans raakt het slachtoffer meestal in trance en de stemmen van de voorouders of de wintigeesten spreken via hem in talen die de patiënt normaal gesproken niet kan spreken. Deze stemmen kunnen alleen door de bonuman begrepen worden. De voorouders liegen nooit en als zij de oorzaak van de klacht onthullen is de daaropvolgende behandeling vaak raak. Daarnaast kan ik wintigeesten oproepen de kwade geesten te bestrijden. Als dat lukt, is de persoon van zijn beheksing verlost.» Laat er geen misverstand over bestaan, stelt Stephen: vele psychiatrische aandoeningen moeten met medicijnen en psychotherapie worden bestreden en wintitherapie is dan geen substituut. «Maar het probleem is dat de meeste psychiaters bijna niets weten van de Surinaamse cultuur. Als verpleegkundige heb ik vaak meegemaakt dat een witte psychiater een Surinamer als psychotisch diagnosticeert, terwijl de patiënt alleen maar uitdrukking geeft aan iets wat voor ons Surinamers de normaalste zaak van de wereld is.»

Het kostte hem tien jaar, een studie Marokkaans-Arabisch en honderden bezoeken aan islamitische genezers, maar begin dit jaar lag het er: zijn proefschrift Volksgeloof en religieuze geneeswijzen onder moslims in Nederland. De socioloog-antropoloog Cor Hoffer is een ware connaisseur van de praktijken van de Marokkaanse fqih en de Turkse hoca, de traditionele islamitische genezers. Het islamitische volksgeloof is bij autochtone Nederlanders relatief onbekend, maar volgens Hoffer breidt het aantal praktijken van fqihs en hoca’s zich snel uit. Een enquête onder enkele honderden patiënten en herhaalde bezoeken aan behandelkamers van fqihs en hoca’s leverden hem een consistent beeld op. Hoffer: «Veel moslims lopen vast in de reguliere geestelijke gezondheidszorg. Het contact met de huisarts, de psychiater of het Riagg loopt stroef. Er is onbegrip, miscommunicatie, wantrouwen. De therapieën sukkelen zo'n beetje door, of iemand gaat shoppen van hulpverlener naar hulpverlener, almaar met dezelfde zorgvraag. Dan zegt eindelijk iemand in de omgeving: waarom ga je niet eens naar een fqih?»

Niet alle moslims geloven in de helende krachten van religieuze geneesheren. Veel orthodoxe en liberale imams en hun volgelingen moeten er niets van hebben. Hoffer schat dat twintig procent van de Nederlandse moslims regelmatig bij de religieuze genezer te rade gaat. «Net zoveel als autochtonen naar aromatherapeuten of handopleggers gaan.» De klachten waar de fqihs en de hoca’s mee te maken hebben, zijn zowel psychosomatisch als psychiatrisch en kunnen variëren van spanningshoofdpijnen en onverklaarbare buikpijn tot hevige angsten of waanideeën. Hoffer: «Frappant is dat bij de traditionele genezer een doorsnee van de allochtone bevolking te vinden is. Je vindt er alle opleidingen en alle leeftijden. En opvallend veel jongeren.»

«De muur van wederzijds onbegrip» tussen de allochtone patiënt en de geestelijke gezondheidszorg kan verstrekkende gevolgen hebben. Hoffer: «Laatst was ik bij een consult van een vrouw en haar zoontje. Het jongetje was in korte tijd van drie scholen gestuurd. 'Hyperactief’, legde een van de vele psychologen uit bij wie ze was geweest. Daar moest de moeder niets van hebben en ze onthield haar zoontje de voorgeschreven medicijnen. Volgens haar was er niets mis met haar zoontje, maar waren het djinns, kwade geesten, die bezit van het jongetje hadden genomen. Wat konden pillen daar nou tegen uitrichten? De hulpverleners konden op hun beurt niets met dat verhaal, dus ging de moeder op zoek naar het volgende loket. Uiteindelijk hadden de vrouw en haar zoontje geluk toen een verstandige psychiater haar naar een fqih verwees die de djinns zou verjagen. Hij kweekte hiermee begrip en vertrouwen, en hij kreeg gedaan dat ze nu wel de pillen aan haar zoontje geeft.»

Volgens het islamitische volksgeloof — er zijn nuanceverschillen tussen streken — zijn er naast Allah verschillende geestelijke krachten. Vooral djinns kunnen gevaarlijk zijn, zoals bij het hyperactieve jongetje. «Djinns worden ook in de koran genoemd», zegt Hoffer, «maar in het volksgeloof is er veel meer omheen gefantaseerd. Het zijn bovennatuurlijke wezens, geschapen door Allah. Ze zijn onzichtbaar maar kunnen zich als dier of mens manifesteren. Sommige zijn goedaardig, andere kwaadaardig. Ze kunnen mensen slaan, wat verlamming tot gevolg kan hebben, en ze kunnen bezit nemen van mensen. Dat laatste zouden wij psychiatrische aandoeningen noemen.»

Wie last van een djinn heeft, kan zich bij de fqih of hoca laten bevrijden. Er zijn diverse therapieën. Sommige koranverzen bevatten baraka, zegenbrengende krachten, die een patiënt van bovennatuurlijke kwalen kunnen genezen. De koranverzen worden achter elkaar gepreveld, of bijvoorbeeld op papier geschreven en opgelost in water en daarna opgedronken. Er zijn ook uitgebreidere hypnotische sessies die het slachtoffer van hun zielennood moeten verlossen. Hoffer: «Ik ken een fqih die zegt contact te hebben met 21 geesten. Tijdens een behandeling brengt hij de geest van de patiënt daarmee in contact. De patiënt ligt op een sofa en is van top tot teen bedekt met een wit laken. Vervolgens wordt hij gehypnotiseerd en de fqih leidt hem tijdens de hypnose in gedachten naar allerlei plaatsen, variërend van de eigen woonkamer tot en met bijvoorbeeld Mekka. Op die plaatsen moet hij contact leggen met geesten en zij zullen hun helende krachten doen gelden. Zo'n sessie kan uren duren en ondertussen worden op verschillende momenten koranverzen gepreveld en moet de patiënt heilig water drinken of geneeskrachtige kruiden eten. Aan het eind van de sessie knipt de fqih met zijn vingers en is de hypnose beëindigd.»

Het rapport van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg besteedt slechts een zinnetje aan de allochtone vlucht naar esoterische geneeswijzen. Maar het betreden van de rafelranden van de geestelijke gezondheidszorg is niet zonder gevaar. Stephen: «Niet alle bonumannen zijn vakkundig en betrouwbaar. De laatste jaren is er sprake van wildgroei, en van de ruim tweehonderd bonumannen die actief zijn, schat ik dat de helft niet oké is. Dat kan gevaarlijk zijn: iemand met waanideeën moet je niet klakkeloos gaan aanpraten dat zijn buurman een winti op hem af heeft gestuurd.» Het liefst zou Stephen zien dat er een keurmerk voor bonumannen komt. Stephen: «Er moet veel meer samenwerking komen tussen de reguliere geestelijke gezondheidszorg en de bonumannen. Enige medische kennis is vereist en dat kun je met een keurmerk afdwingen. Als verpleegkundige zie ik het verschil tussen een trance en een epileptische aanval. Als je dat niet ziet, kan de boel aardig uit de hand lopen.»

Hoffer: «Ik ken traditionele genezers die alles afschuiven op het bovennatuurlijke. Daarmee wordt de oorzaak buiten de patiënt geplaatst. Hierdoor lopen patiënten het gevaar dat structurele psychiatrische problemen onbehandeld blijven.»

Ook Pengel ziet gevaren: «Sommige pa tiënten verdwalen in het winticircuit. Ik heb laatst nog zo'n geval behandeld. Zeer ernstig. De psychosociale klachten zijn enorm toegenomen en er is financieel misbruik gemaakt van de patiënt. Niet alle wintigenezers zijn genezers. Er zitten ook kwakzalvers tussen.»