Amerika’s steun is funest voor de vrede en voor Israël

Dollars voor Israël

Jaarlijks gaat een derde van Amerika’s buitenlandbudget naar Israël, dat zich vervolgens nergens voor hoeft te verantwoorden. Die steun is niet alleen funest voor de vrede, maar ook voor Israël zelf.

«Het verheugt mij zeer dat president Bush in zijn aanvullende begrotingsverzoek dat zojuist naar het Congres is gestuurd één miljard dollar heeft opgenomen om Israël te helpen zijn militaire en civiele defensie te versterken. And that’s just for starters.» Colin Powell, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, oogstte groot applaus na deze mededeling. Geen wonder, er zat geen Arabier in de zaal. Hij sprak voor een bijeenkomst van Aipac, de American-Israel Public Affairs Committee, die zichzelf op de website trots «Amerika’s pro-Israël-lobby» noemt.

Inderdaad, het was slechts for starters. Powell kreeg de handen op elkaar op 30 maart jongstleden. Nog geen maand later werd het volledige hulppakket aan Israël door het Congres geloodst: boven op Powells één miljard dollar kwamen er nog eens acht. Om misverstanden te voorkomen: het betreft hier een aanvullende som die opgeteld moet worden bij de grofweg drie miljard dollar Amerikaanse staatshulp die jaarlijks naar Israël vloeit. Daarbij zijn nog niet de ongeveer één miljard privé-dollars opgeteld die via Amerikaanse liefdadigheidsinstellingen elk jaar het beloofde land bereiken. Terwijl de federale overheid het doorsluizen van geld via islamitische liefdadigheidsorganisaties zoveel mogelijk aan banden heeft gelegd wegens het terrorismegevaar, is het «geven voor Israël» belasting aftrekbaar. Ook de giften die rechtstreeks ten goede komen aan het heil van de Israëlische soldaat.

De cijfers zijn duizelingwekkend. Volgens de Washington Report on Middle East Affairs ging sinds 1948 al meer dan 89 miljard dollar naar Israël; 42 miljard daarvan was bedoeld voor militaire doeleinden. Geen enkel land ter wereld ontving ooit meer hulp van één enkel ander land. Israël slokt een derde van het totale Amerikaanse budget voor buitenlandse hulp op, terwijl de Israëlische bevolking nog geen duizendste uitmaakt van de wereldpopulatie. Bovendien is Israël niet bepaald een arm land: in 2002 bedroeg het bruto nationaal product negentienduizend dollar per persoon. Ter vergelijking: dat van Nederland was in dat jaar 26.900 dollar, en dat van het olierijke Saoedi-Arabië 10.500. Israël is in het Midden-Oosten niet alleen militair onverslaanbaar, ook economisch staat het zijn mannetje. Het bnp per hoofd van de bevolking is groter dan dat van al zijn buren — Egypte, Libanon, Jordanië, Syrië en de Palestijnse gebieden — bij elkaar. Desondanks stelde het onderzoeksbureau van het Amerikaanse Congres, dat vorig jaar een poging deed de hulp te becijferen: «Israël is niet economisch zelfstandig en steunt op buitenlandse hulp en leningen om zijn economie te handhaven.»

Het kan nog gekker. Elk land dat Amerikaanse hulp ontvangt, moet specificeren waaraan dat wordt uitgegeven. Een speciale missie van USAid, de distributeur van de hulp, houdt ter plaatse een oogje in het zeil. Zo niet in Israël, dat de hulp zonder omhaal in de schatkist stort en zich nergens voor hoeft te verantwoorden. Elk land dat Amerikaanse hulp ontvangt, krijgt die uitgekeerd per kwartaal. Israël niet, dat krijgt sinds 1982 het geld in één klap aan het begin van elk fiscaal jaar. Daardoor kan het profiteren van renteopbrengsten (die de VS dus mislopen), en mag het zelfs Amerikaanse staatsobligaties kopen, waarover de VS dan nog weer eens rente uitkeren. Vrijwel elk land dat Amerikaanse hulp ontvangt, krijgt die in de vorm van rentedragende leningen. Israël ook. Alleen zijn alle Amerikaanse staatsleningen uiteindelijk omgezet in giften, en het is de bedoeling dat dat ook met toekomstige leningen gebeurt. Dat werpt nieuw licht op de stelling van de Israëlische regering dat Israël «nog nooit heeft verzaakt bij de terugbetaling van Amerikaanse leningen». Door de kwijtscheldingen kostte de hulp de belastingbetaler tot nog toe 135 miljard dollar — een bedrag waarvan de staat New York meer dan honderd jaar lang de ambtenarenpensioenen zou kunnen betalen.

Maar het toppunt van alle gekkigheid: het jaarlijks toekennen van hulpgelden aan Israël is illegaal. Of hoe noem je dat, als het Amerikaanse Congres, de wetgever nota bene, met grote meerderheid van stemmen de wet overtreedt? De Amerikaanse overheid mag geen hulp verstrekken aan landen die «volgens een consistent patroon op grove wijze internationaal erkende mensenrechten schenden», en aan landen die wapens gebruiken voor andere doeleinden dan «interne veiligheid en rechtmatige verdediging». In de bezette gebieden doet Israël beide. Met Amerikaanse wapens. In haar jongste mensenrechtenrapport (2002) spreekt het Amerikaans ministerie van Buitenlandse Zaken van Israëls «slechte en verslechterende» mensenrechtenbeleid en van «ernstige mensenrechtenschendingen» in de bezette gebieden.

De halsstarrige houding van de Israëlische premier Sharon droeg veel bij aan het verpulveren van de «routekaart naar de vrede». Vorige week beet Sharon zich vast in het uitschakelen van de Palestijnse president Arafat, door verbanning of door de kogel. De regering-Bush heeft herhaaldelijk aangegeven dat daarvan geen sprake kan zijn. Nu het zeer slecht gaat met de Israëlische economie zou financiële druk effectief kunnen zijn. Maar op geen enkel moment werd de hulp aan Israël — dit jaar zeker elf miljard dollar — door de VS ter discussie gesteld.

Volgens Stephen Zunes, bijzonder hoog leraar aan de San Francisco University, is dat slechts te begrijpen als je de moraal terzijde schuift en kijkt naar de geopolitieke en economische belangen. «Voor de VS is een Israël in halve staat van oorlog altijd beter geweest dan een vreedzaam Israël.» Zunes analyseerde de Amerikaanse hulp sinds 1948, en zijn conclusie is dat die minder te maken heeft met een traditionele pro-Israël-moraal dan met ijskoude strategische visies. Hoe kan het anders dat de Amerikaanse hulp pas grootschalig werd na de Zesdaagse Oorlog in 1967, toen Israëls suprematie in de regio begon? Zunes: «Je zag het ook na het sluiten van de Camp David-akkoorden. Israël kreeg toen een enorme hoeveelheid militaire hulp, net als Egypte, terwijl die landen juist vrede hadden gesloten. Het is de klassieke tactiek van verdeel-en-heers. We willen een pax Americana; geen oorlog, maar ook geen echte vrede.»

Volgens Zunes is Israël de perfecte Amerikaanse bondgenoot in het Midden-Oosten. Israël is een stabiele democratie. «Denk aan wat er gebeurde in Iran, toen onze bondgenoot de sjah werd verdreven, hoe Bin Laden zich ontpopte, en Saddam Hoessein. En kijk naar de moeizame verhoudingen met Saoedi-Arabië. Over Israël hoeven we ons geen zorgen te maken, en bovendien is het verreweg het machtigste land in de regio. Dat willen we dus graag zo houden.» Er zijn meer voordelen. De Amerikanen maakten in Irak gebruik van Israëlische ervaring met de woestijnoorlog; de CIA heeft veel te weinig Arabisch taligen in de gelederen, dat geldt bepaald niet voor Israël; en als een Amerikaanse president wapens wil leveren aan een omstreden land, dan kan dat via de Israëlische vrienden. Dat gebeurde met Iran en de Nicaraguaanse Contra’s, en met Zuid-Afrika en Guatemala. «Israël doet voor ons het vuile werk. Een Israëlische analist zei naar aanleiding van het Iran-Contra-schandaal: ‹Het is alsof Israël een Amerikaans federaal agentschap is geworden. Zo een die je gebruikt als je wilt dat iets geruisloos gebeurt.›»

Wat Zunes betreft wordt er korte metten gemaakt met de mythe dat «de joodse lobby» in de VS achter de Amerikaanse steun aan Israël zit. «Pro-Israëlische organisaties als Aipac spelen een zekere rol, maar tegen de macht van de wapenindustrie kunnen ze niet op.» Volgens hem is het met name de Aero space Industry Association die de constante dollarstroom op gang houdt. Tijdens de twee vorige verkiezingen besteedde deze lobby organisatie steeds ruim zeven miljoen dollar aan het spekken van de verkiezingskassen, veel meer dan de pro-Israël-organisaties. Inmiddels zijn de militaire industrieën van Israël en de VS nauw met elkaar verweven. De Amerikaanse militaire hulp wordt voor het overgrote deel gespendeerd aan Amerikaans fabrikaat, en Israëls oorlogen en bezetting bieden waardevolle testmogelijkheden. De laatste deals behelzen een megaorder bij Lock heed Martin (F16’s), plus Israëls participatie in het peperdure Joint Strike Fighter-project. De beruchte Merkava-tanks die Israël in de bezette gebieden inzet, werden ontworpen met Amerikaans geld. En de VS betaalden achthonderd miljoen dollar aan de ontwikkeling van de Arrow antiraket-raket, wat weer handige inzichten bood voor de Amerikaanse inspanningen voor een National Missile Defense. Zunes: «De Arrow is een mobiel systeem. Israël is zo klein dat het genoeg heeft aan een goedkoper immobiel systeem. Dat was blijkbaar niet de bedoeling.»

De Amerikaanse wapenindustrie profiteert dubbel. Elk wapentransport naar Israël creëert nieuwe behoeftes aan Arabische zijde, die doorgaans worden bevredigd door inkopen te doen op de Amerikaanse wapenmarkt. Zunes: «In 1993, toen het Oslo- vredesproces op gang kwam, wilde de Senaat dat Clinton toch vooral de militaire hulp aan Israël niet verminderde, aangezien Arabische landen net een grote hoeveelheid wapens hadden besteld. Ze vergaten erbij te vermelden dat dat voornamelijk Amerikaanse wapens waren. Als ze de vrede hadden willen dienen, hadden ze beter die zendingen kunnen tegenhouden.» Eerder, in 1991, kondigde Israël aan te voelen voor een bevriezing van de wapen arsenalen in het Midden-Oosten. De Amerikaanse regering blokkeerde het plan.

Er waren slechts twee Amerikaanse presidenten die de hulp aan Israël gebruikten als drukmiddel. En verdomd, het werkte! In 1953 dwong Eisenhower Israël te stoppen met een project in een gedemilitariseerde VN-zone dat Syrië van een deel van zijn watertoevoer zou beroven. In 1991 gebruikte Bush de Oudere de hulp om de Israëlische haviks premier Sjamir aan de onderhandelingstafel te krijgen in Madrid. Sjamir had aangegeven maar liefst tien miljard aan extra leningen van de VS te willen vragen wegens «geleden schade» in de Golfoorlog. Hij was niet van plan in Madrid met de Palestijnen en andere Arabische vijanden te gaan praten, zoals de Amerikanen verlangden. Bush senior vroeg daarop het Congres de stemming over de hulp aan Israël uit te stellen tot het volgende jaar. Grommend trok Sjamir naar Madrid. De gesprekken die Israël er voerde zouden de opmars vormen naar de Oslo-akkoorden. Toen Sjamir vervolgens weigerde de bouw van nederzettingen te bevriezen, besloot het Congres, zo langzamerhand goed chagrijnig, geen leningen meer te verstrekken totdat Sjamir toegaf. Ook dat lukte, althans korte tijd. Toen er toch weer nederzettingen bijkwamen, trok het Congres de kosten daarvan jaarlijks af van het hulpbedrag.

Ook de huidige regering-Bush heeft afgelopen maandag aangekondigd in te grijpen in het hulpbedrag als Israël doorgaat met de bouw van nederzettingen. Dat kan effect hebben, maar succes is niet gegarandeerd. Bill Clinton compenseerde Israël langs een achterdeur voor de nederzettingenstrafkorting, met militaire hardware en honderden miljoenen dollars om het terugtrekken van Israëlische eenheden te bekostigen, op grond van het merkwaardige idee dat de aftocht meer zou kosten dan het bezet houden van Palestijns gebied.

De laatste tijd begint het besef door te dringen dat de Amerikaanse steun niet alleen funest is voor de vrede, maar ook voor Israël zelf. Die militaire hulp «heeft niets te maken met onze veiligheid, maar dient vooral om de assemblagebanden van Lockheed Martin rollende te houden», schamperde een Israëlische generaal eens tegen Stephen Zunes. Ook steeds meer Israëlische economen en politici verzetten zich tegen de dollar-afhankelijkheid van hun economie. Het Israëlische Institute for Advanced Strategic & Political Studies betoogt dat die een noodzakelijke herstruc turering van de economie tegenhoudt. Ook iemand als Uzi Landau, minister van Publieke Veiligheid, is die mening toegedaan. «We moeten ons bevrijden van de Amerikaanse hulp. Het zal een pijnlijk proces zijn, dat zeker, maar uiteindelijk zullen onze economie en onze nationale veiligheid erbij gebaat zijn.»

Volgens Stephen Zunes zou Landau wel eens gelijk kunnen hebben. Zunes vergelijkt Israël met landen als El Salvador en Zuid-Vietnam, waarmee het niet best is afgelopen. Ook Israël is een Amerikaanse satellietstaat geworden. «Israëlische leiders maken de historische fout voordelen op de korte termijn te verkiezen boven veiligheid voor hun volk op de lange termijn. Voor Israëls economische en militaire veiligheid geeft de hoeveelheid Amerikaanse hulp niet de doorslag, maar de bereidheid een Palestijnse staat te erkennen, Jeruzalem te delen en zich terug te trekken uit alle bezette gebieden — kortom, het sluiten van vrede met zijn buren.»