Dolman gaat voor de rijken

WE BEVINDEN ONS in een glimmend, gloednieuw zaaltje van de Holland Media Groep, gelegen op een industrieterrein aan de rand van Hilversum. In het zaaltje véél zacht licht uit sfeerspotjes, rode pluchen fauteuils die stevig in het hoogpolige tapijt zijn verankerd, en overal grote televisieschermen. Jonge, blonde RTL-gastvrouwen zijn glimlachend bezig schalen met luxe zoutjes en petitfours neer te zetten.

Dan zwaait de deur open en komt, kordaat en prettig detonerend, Margreet Dolman binnen gebeend. Ze ziet er stralend uit, Margreet. Het is dan ook haar feestje. We zijn op de voorvertoning van Dolman onder de rijken. Aanstaande donderdag op prime time (20.30 uur) begint RTL4 met de nieuwe, zesdelige programmaserie waarin Margreet Dolman zich begeeft tussen landgenoten die het helemaal hebben gemaakt. Die de ‘Dutch Dream’ hebben gerealiseerd en daarover openhartig met haar spreken.
Nog voor iemand er ook maar aan dénkt een kritische vraag te stellen, begint Margreet Dolman de verzamelde pers omstandig uit te leggen wat ze hier eigenlijk doet, in de gebouwen van RTL4. 'Ik vind, de EO uitgezonderd, geen enkele omroep weerzinwekkend’, piept ze koket. 'Ik voel me ook niet verbonden met één omroep.’ Waarop ze in één lange, ademloze Dolman-zin alle omroepen opsomt waarvoor ze ooit heeft gewerkt: Vara, KRO, VPRO, NCRV, AT5. En nu dus RTL4. Want tegenwoordig gaat het toch 'om de programma’s en niet meer om de zender’.
De RTL-ploeg luistert wat beteuterd hoe zij verdergaat met haar verontschuldigende verhaal: dat ze dit programma zo'n goed idee vond, uitgevoerd door goede makers en enthousiaste mensen enzo. Ze vond het 'ontzettend avontuurlijk’ om zich als interviewster 'te werpen in andermans productie’, en eigenlijk was ze ook best benieuwd naar de 'nieuwe rijken’ van dit land en of die nu ook áárdig zijn. En ze heeft heus niet haar 'ziel verkocht’; ze is nog altijd 'honderd procent vrij’. 'Ik vind trouwens dat de grenzen tussen publieke en commerciële omroep zouden moeten vervagen.’ We hoeven er dus helemaal niet van op te kijken dat Margreet Dolman nu bij de commerciëlen zit, wil ze maar zeggen.
Dat doen we natuurlijk wel.
PAUL HAENEN, de geestelijk vader van Margreet Dolman (en van dominee Gremdaat, en Buster Fontijn, en al die anderen), is er de man niet naar om zich fel of kritisch of geëngageerd uit te laten over de diverse dingen des levens en artistieke aangelegenheden in het bijzonder. Maar over de commerciële omroep is hij altijd bijzonder helder geweest. De 'vermenging met commerciële belangen’ noemde hij 'gruwelijk’. Programmasponsoring 'vreselijk’. En in een van zijn laatste theatershows gaf hij, filosoferend over wat onoprecht is en niet deugt, nog het artistieke beleid van de commerciële omroep als voorbeeld.
In januari van dit jaar zei Haenen tegen de Volkskrant, treurend over zijn moeizame verstandhouding met de VPRO, waarvoor hij bijna dertig jaar met tussenpozen werkte: 'Maar ik ga níet naar de commerciëlen.’ Nu zit hij er toch. Met als verklaring dat hij liever daar zit dan thuis voor het raam, dat hij 'voor alles open wil staan’, en dat men bij de publieke omroep tegenwoordig ook meer over de huisvesting dan over de inhoud praat.
En ach, het programma Dolman onder de rijken is best aardig geworden. Het is altijd leuk om Margreet Dolman bezig te zien. Ze stelt ’s lands nieuwe rijken haar ontwapenende vragen, en geeft liefjes commentaar ('Aad is nu schatterdeschatstrijk maar hij heeft weinig tijd voor zijn gezin, dat is wel jammer’). Ze kijkt nieuwsgierig rond in hun paleizen, opent klerenkasten en telt de pakken die daar hangen.
Maar het is allemaal snel gesneden en onrustig gemonteerd. Er zijn zo veel mogelijk party’s met bekende Nederlanders doorheen gemixt, en de interviewfragmenten mogen vooral niet te lang duren en te diep graven. Waarom zo'n goede interviewer zich met zulke korte spanningsboogjes tevreden stelt? Omdat, zo verspreekt Margreet Dolman zich op de perspresentatie, 'je je toch aanpast eh… laat overtuigen door de visie van de makers.’
INTERVIEWEN doet Paul Haenen graag, en hij kan het ook goed. Veel beter dan uit dit nieuwe programma naar voren komt. Hij is werkelijk geïnteresseerd in zijn gesprekspartners en zoekt altijd naar hun 'verborgen leven’, zij het op een veel bescheidener manier dan bijvoorbeeld Ischa Meijer dat deed. Hij maakte een prachtig marathoninterview met Mary Dresselhuys, maar kan ook heel intiem verkeren met onbekende Nederlanders. Bij alles wat hij doet, zegt hij zelf, voelt hij zich toch het meest verbonden met de journalistiek. Hij is een acteur in de journalistiek en een journalist in het theater.
Paul Haenen begon op zijn zeventiende bij het radioprogramma Minjon, dat de prijsvraag had uitgeschreven: 'Wat verwacht je van een jeugdomroep?’ Waarop zijn antwoord luidde: 'Een onafhankelijk omroepeiland in de zuilenzee.’ Hij kon meteen aan de slag.
Dit jaar is hij 52 geworden en zit hij 35 jaar in het vak - maar welk vak? Hij maakte radioprogramma’s, schreef televisieseries, toneelstukken, columns, een roman. Hij heeft zijn tijdschrift Mens & Gevoelens, zijn eigen theater (het Betty Asfalt Complex) en zijn eigen theaterprogramma’s. Hij is de stem van Bert uit Sesamstraat, hij is Margreet Dolman en dominee Gremdaat, wiens gebundelde 'preken’ de boekhandel uit vliegen.
Toch is Haenen niet de man van de grote wapenfeiten; eerder van véél 'kleine’ feiten. Hij is als schrijver en cabaretier niet nadrukkelijk 'geëngageerd’; hij houdt het liever dichtbij. Zijn roman Wacht maar jongen (1985) is niet groots en meeslepend geschreven. Wel raak en herkenbaar. In honderd pagina’s zet hij treffend een aantal scènes uit een moeizaam huwelijk neer, en schetst hij droog maar dodelijk het bekrompen Hilversumse radioklimaat van de jaren zeventig.
PAUL HAENEN becommentarieert wel, maar moraliseert niet. Hij behandelt niet het grote wereldleed, wel het gewonemensenleed. Dat doet hij niet cynisch, wel ironisch. Je komt niet kromgelachen of wakkergeschud uit zijn theatervoorstellingen, wel met een warm en weldadig gevoel. Het gaat Haenen bovenal om mensen en hun gevoelens. Die betrekt hij ook sterk in zijn shows. Zijn publiek staat in de programmaboekjes bij de lijst met medewerkers. In de pauze mag je je avonturen op schrift stellen en in een mandje leggen. Wellicht gaat hij dan na de koffie daarover met je bomen op het podium. Zo staat ook Mens & Gevoelens vol met brieven, foto’s en gedichtjes van lezers.
Zijn geïnterviewden ondervraagt hij indringend, maar niet impertinent. Hij plaagt wel, maar pest niet. Paul Haenen blijft altijd beleefd en begripvol; het zijn zijn alter ego’s die voor het rumoer zorgen. Hij reageert gevat op zijn publiek, maar niet onbeschoft zoals Paul de Leeuw. Hij lacht zijn toeschouwers soms uit, maar scheldt ze niet, zoals Youp van ’t Hek, de huid vol. Hij wil saamhorigheid, maar wordt nooit klef zoals Seth Gaaikema.
'Saamhorigheid - kent u die uitdrukking?’ vraagt dominee Gremdaat. Waarop hij ons een fijne voortzetting wenst en een aangenaam etensmaal, met spekjes daarin.
Paul Haenen cultiveert het huiskamergevoel en maakt het liefste feelgood-programma’s. Daarin zingzegt hij niemandallerige liedjes ('Doe mij een plezier en zing van tierelierelier!’) en tart hij de theaterwetten door op het podium televisie te gaan zitten kijken en doodkalm naar Frank Sinatra te luisteren. Soms kabbelt het wat voort en het wordt langdradig als zijn kwebbelzieke types van geen ophouden weten. Maar het werkt meestal therapeutisch. Troostend.
'Melancholische mensen en depressieve mensen die enige afstand kunnen nemen van hun depressiviteit vinden mijn werk vaak leuk’, weet hij. Hij voelt zich dan ook met hen verbonden, vanuit zijn eigen 'basiswanhoop’. Want hij heeft een flinke tik meegekregen van zijn jeugd op een Amsterdamse bovenwoning. Een contactgestoord jongetje was hij, dat worstelde met zijn ontluikende homoseksualiteit, met een moeder met straatvrees en een vader die zijn gezin verliet toen Paul veertien was.
Haenen heeft een scherp oog voor de treurigheid van de mens en geeft daar op hilarische wijze commentaar op. Zijn werk is bij uitstek tragikomisch en heeft het uitdrukkelijke doel om - jawel - 'inzicht en troost te bieden’. 'Mijn taak is om u nieuwe levensmoed te geven!’ kirt Margreet Dolman. 'Ik heb er zo'n zin in!’
HET KLINKT allemaal erg jaren zeventig en lijkt niet goed te passen in een tijd waarin het spant tussen markt en materialisme enerzijds, en Emile Ratelband-filosofietjes anderzijds. Waarin de humor hard is zoals bij Hans Teeuwen, of vervreemdend à la Kamagurka. Begrippen als 'warmte’ en 'troost’ zijn dezer dagen ofwel hopeloos kitsch, ofwel (dankzij New Age) op een onverdraaglijk hoog zweefniveau getild.
Maar bij Paul Haenen zijn ze echt. Authentiek. En dat maakt hem juist weer wel 'modern’. Als wij inderdaad naar een empathische 'emotionele democratie’ toe gaan zoals sommige sociologen beweren, dan is Paul Haenen bij uitstek een mens van deze tijd. Hij heeft immers heel veel kanten. Hij cultiveert de twijfel en de open, niet-oordelende levenshouding. Hij is de man en de vrouw. Hij is de dominee die preekt, de psychiater die de juiste vragen stelt en goed luisteren kan, de oudere dame die stoute grapjes maakt. Hij is de genderbender, de travestiet, de homo en de hetero. (Ziet dominee Gremdaat een leuke jongen, dan bespreekt hij verlekkerd diens 'wilde blonde haren, lachende blauwe ogen, en openvallende blouse vol avontuurlijk borsthaar’. Ziet hij een 'aangename vrouw’ dan observeert hij vergenoegd: 'lange rok, korte nek en brede heupen’). Hij is de pop die zuigt en dramt. ('Ernie’, zeurt Bert nasaal, 'waarom ruim je je kamer niet eens op.’) Haenen is hen allemaal, niet zozeer als typetjes, maar gewoon - als dimensies van zichzelf. Als zichzelf.
Zijn alter ego’s zijn dan ook geen karikaturen die komen en gaan zoals bij Van Kooten en De Bie. Ze zijn blijvender, gaan ook al jaren mee. Zij zijn eigenlijk geen 'alters’, maar uitvergrote kanten van Paul Haenen zelf. Hij is geen meervoudige, maar een multidimensionale persoonlijkheid.
Neem Margreet Dolman. Zij heeft eigenlijk niet zo veel met travestie te maken. Daarvoor is ze te tietloos en lijkt ze te veel op hem. Zij is een gevoelsmens, vaak verontwaardigd, soms vals, maar meestal sympathiek en vol van wat zij zelf 'positieve vibraties’ zou noemen. Haenen gebruikt haar de laatste jaren vooral als een verlengstuk van zijn journalistieke mogelijkheden, omdat hij in haar kleren meer durft te zeggen en te vragen.
En kijk naar dominee Gremdaat. Die is zó echt dat sommige EO-leden met respect over hem schijnen te praten, en dat het boekje met zijn verzamelde 'preken’ bij boekhandel Scheltema in Amsterdam op de afdeling religie ligt. Hij wil, net als Haenen, de mensen een hart onder de riem steken. Het viezige van dominee Gremdaat is terloopser en daarmee overtuigender dan het vieze van Van Kootens vieze man.
'Het moraliserende in mij - dat mensen toch vooral ruimdenkend moeten zijn - zie je terug in dominee Gremdaat’, zei Paul Haenen eens. 'En in Dolman zit het wispelturige, een aspect dat ik in het dagelijks leven nauwelijks laat zien. Het zijn de voortdurend wisselende facetten van het duistere innerlijk.’
Maar bovenal is Haenen, vindt hij zelf, een echte Bert uit Sesamstraat. 'Dat zeurderige, dat trage, overal intuinen.’ Ernie gaat op vakantie, Bert niet. Die blijft depri thuis. Zoals Haenen zelf analyseerde: 'Bert zit altijd te lezen, of te mokken. Ik ook. Ik ben wel actief, omdat ik mijn werk moet doen, en ik vind dat werk ook wel leuk, maar als ik het niet had dan zou ik gewoon thuis zitten en twijfelen of ik wel of niet moet uitgaan of dat ik iemand wel of niet moet bellen of me afvragen of iets wel leuk zal zijn en me achteraf afvragen of iets wel leuk was en of het wel zin had dat ik er was.’
Psychiater Peter Kramer duidt de beroemde Sesamstraatfiguren in zijn boek Listening to Prozac als volgt: 'Bert heeft een strakke, ernstige, zelfs bezorgde blik en is beslist betrouwbaarder en minder spontaan en speels dan Ernie. Kinderen identificeren zich met Bert omdat ze van orde houden; ze identificeren zich met Ernie omdat ze kattekwaad leuk vinden.’ Met Prozac, verwacht Kramer, zou Bert meer Ernie-trekjes krijgen en misschien wat vaker uitgaan of achter de fanfare aanlopen.
Paul Haenen moet dus vooral niet aan de pillen, noch naar de psychiater. Laat hem liever tv- en theaterprogramma’s blijven maken. Dat is niet alleen voor hemzelf een goed antidepressivum, maar ook voor zijn publiek. 'Hij geeft me zo veel vertrouwen en wilskracht’, aldus een trouwe fan in 1994. De fan, een vrachtwagenchauffeur, voerde in dat jaar een briefkaartenactie om het programma Haenen voor de nacht op prime time te behouden. Dankzij hem kreeg de VPRO ruim tweehonderd briefkaarten binnen met de tekst: 'VPRO, wat maak je me nou?’
DAT HEEFT Paul Haenen zich ook vaak afgevraagd. Zijn programma’s werden goed bekeken maar, concludeerde hij na de zoveelste rel met de leiding van de omroep: 'Bij de VPRO houden ze niet van kijkers. Ze houden ook niet van kijkcijfers. Alleen van documentaires.’ Zijn ideaal is, ook in zijn werk: het warme bad. Aardige mensen om hem heen. Maar bij de VPRO vond hij koelte: 'Ze zijn er bang voor gevoelens van verbondenheid.’
Vorig seizoen had hij voor het eerst in jaren geen eigen televisiereeks. Hij voelde zich 'als een schrijver wiens pen is afgepakt’. Nu, bij de presentatie van zijn RTL4-programma, giechelt hij als Margreet Dolman dat hij 'allerhartelijkst’ is ontvangen bij de commerciële omroep. 'En’, filosofeert hij met haar hoge stemmetje, 'ik wilde weer eens open in de maatschappij staan. Me afvragen: hadden wij wel gelijk, wij progressieven in de jaren zestig? En is RTL wel zo slecht?’
Waarop hij toch nog, heerlijk schaamteloos, een verkapte open sollicitatie van deze bijeenkomst maakt: 'Misschien dat iemand naar Dolman onder de rijken kijkt en zegt: goh, mevrouw Dolman, het wordt hoog tijd dat u een eigen praatprogramma krijgt.’
Want ja, bekent Paul Haenen daarna, op de man af gevraagd: 'Ik verlang naar een sober, goed doortimmerd interviewprogramma. Bij welke omroep dan ook. Mag ook een druk, driftig komisch programma zijn, met dominee Gremdaat en alle anderen. Ik heb een jong, hoog opgeleid publiek, dus daar hoeft men zich ook geen zorgen over te maken.’ Om in één adem onschuldig te vragen: 'e mag toch wel een ideaal blijven houden?’