Opheffer

Dom en slim

Toen ik vroeger het marxisme onderwezen kreeg, was het net of ik een sleutel ontving waarmee ik geheime kamers kon betreden. Ik snapte hoe alles te verklaren viel: klassetegenstellingen. Rijk en arm. De haves en de have-nots. Je hoefde maar om je heen te kijken en je zag de klassetegenstellingen hun werk doen.

Mijn Marxistische Periode eindigde toen ik op jonge leeftijd geconfronteerd werd met het werk van Karel van het Reve.

Maar toch… in een discussie gebruikte ik af en toe het woord «klassetegenstelling» nog wel.

Laatst gebruikte mijn dochter het woord — voor het eerst trouwens — in mijn bijzijn. En ik antwoordde: «Klassetegenstellingen worden niet gevormd door het verschil tussen rijk en arm.»

Zoiets doms had ze nog nooit gehoord.

Maar toch denk ik dat ik gelijk heb. Het gaat niet om het verschil tussen rijk en arm, het gaat om het verschil tussen dom en slim.

Mensen ergeren zich niet aan het feit dat iemand anders meer geld heeft, waar men zich aan ergert is dat een dom iemand meer geld heeft dan hij, een slimmerik. Verder zie je ook dat juist rijke mensen ongelooflijk jaloers zijn op armere slimme mensen. De grote irritatie ligt bij die rijken, als ze gebrek aan kennis hebben.

Rijke, intelligente mensen zijn daarentegen een genot om mee om te gaan. Maar die domme rijken! Ik ken er een paar, en een bezoekje aan hun gaat dus nooit ergens over, maar wordt alleen maar gebruikt om mij te imponeren. Heb ik de boot al gezien? Hoe vind ik Saskia? Leuke tieten, toch? Kijk, dit zijn onze paarden. Kom je ook naar onze boot in Cannes?

De strijd gaat niet om geld, de strijd gaat om intellect. Een olieboer vindt het zwarte goud in de grond, schaft zich een jaknikker aan, pompt de olie uit een aardlaag, verkoopt die en wordt rijk. Daar heeft hij geen kennis voor nodig. Hij voelt zich gestoord, want hij weet niet wat hij moet zeggen, wat hij moet doen, hoe hij moet denken als er armere, slimmere mensen in zijn buurt zijn. Hij wordt rancuneus jegens iedereen die slimmer is dan hij, juist als die arm is, want die begrijpt hij niet. «Hoe kan die kunstschilder, die niet werkt, alleen maar kunst maakt, een leukere man zijn dan ik, terwijl ik keihard olie uit de grond pomp!»

Je ziet ook altijd dat «tegenpartijen» gesteund worden door ontzagwekkend rijke domoren. Het eerste wat die rijke domoren dan ook doen, is de bronnen van slimheid aanpakken. Ze willen censuur, want in de kranten lezen ze meningen en redeneringen die ze zelf niet kunnen bedenken, daarna schrappen ze subsidies, want slimheid mag niet beloond worden. Eigenlijk kappen ze alles waar die slimheid naar boven komt. Ze willen oud repertoire, ze willen klassieke kunst, ze willen niets veranderen. Natuurlijk niet, want alles wat al is geweest, kennen ze en kunnen ze kopen.

Ze willen een sterk leger, om de bekende redenen: een leger is letterlijk uniform, nadenken is verboden en iedereen moet doen wat een hogere zegt. Zo zou de wereld eruit moeten zien. Het is ook altijd opvallend dat een rancuneus regime kunstenaars oppakt. Schrijvers, schilders, musici en journalisten. Het zijn onbetekenende baantjes. Toch moeten ze weg, want zij kennen woorden en beelden die anderen kunnen beïnvloeden en die de dommerik zelf niet kan verzinnen en eigenlijk ook niet kan bestrijden. Domme armen voelen zich altijd aangetrokken tot domme rijken. Daartussen is de solidariteit altijd het sterkst. Intelligente wezens houden afstand. Daarom zie je bij tegenpartijen niet alleen domme rijken, maar ook heel domme armen. Die domme armen worden altijd het eerst het slachtoffer van alles. Het vervelende van het kapitalisme is dat die straf vaak hun verdiende loon is voor hun eigen domheid!