H.J.A. Hofland

Dom of gelogen

Op 8 september heeft de Senate Intelligence Committee vastgesteld dat er geen nauwe banden tussen Saddam Hoessein en al-Qaeda waren. Integendeel, Saddam wantrouwde Osama bin Laden, wilde zijn terroristen niet in Irak hebben. Dit zegt natuurlijk niets over de normen en waarden van Saddam, en bovendien is het geen nieuws. Maar het is weer een bevestiging van de leugenachtige manier waarop deze Amerikaanse regering de oorlog heeft laten ontstaan. Van alles wat toen beweerd is, over de uraniumaankopen in Niger, de massavernietigingswapens, de gevaarlijke installaties – door Powell op lichtbeelden vertoond – en nu opnieuw de vriendschap met Osama, berust niets op waarheid.

Intussen hebben Bush c.s. Amerika met een aantal bondgenoten in de achterhoede een uitzichtloos moeras binnengeleid. Ze zijn de oorlog begonnen met de absurde verwachting dat Irak een betrekkelijk simpele klus zou zijn, dat het land daarna tot democratisch voorbeeld voor de regio kon worden omgetoverd en dat dan Bush als een soort Truman van de 21ste eeuw de geschiedenis in zou gaan. Een mens kan zich vergissen. De ontwikkeling van deze vergissingen is al ettelijke keren in boeken opgeschreven, nu weer door Peter W. Galbraith (zoon van de beroemde John Kenneth) in zijn Het einde van Irak. Hoe Amerikaanse incompetentie een oorlog zonder einde teweegbracht. Een huiveringwekkend verhaal van stommiteiten, opgeschreven door iemand die vaak ter plaatse is geweest. Aanbevolen lectuur voor alle Europese ministers van Buitenlandse Zaken.

Nu wordt steeds dringender de vraag gesteld of de kopstukken van de Amerikaanse regering werkelijk zo dom zijn geweest dat ze zich telkens per ongeluk hebben vergist, of dat ze het opzettelijk hebben gedaan op basis van informatie die op hun aanwijzingen was voorgekookt, óf dat ze betrouwbare inlichtingen eenvoudig aan hun laars hebben gelapt omdat die strijdig waren met het doel van hun grote politiek. Met andere woorden: hebben ze gelogen? En als dat zo is, in welke mate?

Om dat vast te stellen, hebben de Amerikanen het absolute juridische wapen: impeachment. De aanklacht wegens een politiek misdrijf. Acht jaar geleden is het Bill Clinton overkomen. Bij Jeroen Pauw en Paul Witteman kunnen we nu weer vijf keer per week in een bepaald deel van het programma Bill zien en horen zeggen: «I have had no sexual relations with this woman.» Sprak hij de waarheid? Volgens mij kunnen ze beter een passage uit een toespraak van Bush, Blair, Powell of Rice vertonen. Dat zou pregnanter en actueler zijn.

Maar de tijden van Bill waren heel anders, hoewel niet onschuldiger. Ik bewaar uit het jaar van zijn impeachment, 1999, een stapeltje kranten en tijdschriften: de New York Post, The Economist, The Hustler. Wat had Bill gedaan? Per slot van rekening niets anders dan zich in het Oval Office door een stagiaire laten pijpen. Het had geen mensenlevens gekost, er was geen grote oorlog uitgebroken, het land was er niet mee in gevaar gekomen. Maar de hartsvriendin van Monica, het serpent Linda Tripp, vertelde alles wat ze in vertrouwen had gehoord door aan een van de eerste bloggers, Matt Drudge, die er wereldnieuws van maakte. Toen brak de hel los.

Het woord «demoniseren» was hier nog niet tot het spraakgebruik doorgedrongen. Maar wat de rechtse media, onder aanvoering van Rupert Murdochs journalisten zich veroorloofden, heeft alles wat we hier nu onder demoniseren verstaan, overtroffen. Toen kwam de speciale aanklager Kenneth Starr die met zijn miljoenen verslindende onderzoek probeerde de onderste steen boven te halen. Maar er was geen onderste steen. Intussen had The Economist op de voorpagina de president al afgezet. Ik heb toen serieus voor zijn leven gevreesd. Terwijl dit circus aan de gang was, moest hij zich ook nog met de buitenlandse politiek bezighouden en onder andere de oorlog in Joegoslavië oplossen, omdat Europa daartoe niet in staat was.

Het is mogelijk dat de leugen van Bill Clinton diep in het niets zal verzinken, vergeleken bij het systeem van leugens waarvan we nu deze Amerikaanse regering iedere dag ernstiger verdenken. Maar is er enige kans dat het tot een impeachment van George W. Bush zal komen? Die kans is nog altijd heel gering. Een halfjaar geleden verscheen in de International Herald Tribune een artikeltje van Garrison Keillor met deze aanbeveling. Er kwamen geen reacties en van Keillor hebben we niets meer gehoord.

Wel was de populariteit van de president onlangs tot een historisch dieptepunt, 37 procent, gezakt. Maar de herdenking van 9/11 heeft hem de gelegenheid gegeven weer op de trom van het patriottisme te roffelen – vanzelfsprekend, daarin kun je hem geen ongelijk geven – en nu staat hij weer op 40. Nog altijd heeft George W. Bush de wind mee. In Europa kan niemand daar iets aan veranderen en in Amerika heeft hij zijn bondgenoten op de juiste plaatsen. Nog twee jaar.