Domela

Ferdinand Domela Nieuwenhuis, de enige heilige van het Nederlandse socialisme, benoemde zichzelf vanaf 1897 definitief tot anarchist, met als voornaamste oogmerk zich te onderscheiden van de leden van de drie jaar eerder opgerichte SDAP. De sociaal- democraten onder leiding van Pieter Jelles Troelstra beoefenden de heilige arbeider soorlog in Domela’s ogen vooral voor hun beroep, terwijl hij er zelf, zoals het een ware Messias betaamt, echt voor had geleden.

In zijn geheugen gegrift stond een sollicitatie van Troelstra als redacteur van Recht voor Allen, het blad van Domela Nieuwen huis - in zijn brief had Troelstra het gewaagd salariseisen te stellen. Op zijn beurt noemde Troel stra Domela ‘een onsympathieke persoonlijkheid, in hart en nieren anar chist, en daarnaast een geboren sektarier’.
In partijen was de in 1846 te Harlingen geboren zoon uit een geslacht van Lutherse dominees niet geinteresseerd. Drie jaar Kamerervaring, van 1888 tot 1891, als eerste socialistische parlmentarier (gekozen door het Friese district Schoterland als 'Us Ferlosser’) hadden hem voor goed van de parlementaire politiek genezen.
Domela Nieuwenhuis ambieerde maar een ding: martelaarschap, en deed dat met een extase die - zoals zijn jongste biograaf Jan Meyers afdoende heeft bewezen in zijn Domela, de hemel op aarde - voortkwam uit allermystiekste opvattingen over een op handen zijnd Duizendjarig Rijk. Karl Marx raakte geirriteerd over de voortdurende vragen van 'das Hollandische Pfafflein’ naar verdere wenken voor als de revolutie een maal had postgevat. Anderen zagen in de geestdrift van Domela vooral het teken van een uitzonderlijke persoonlijkheid.
In 1886 kreeg Domela dan eindelijk zijn kruis te dragen. Zijn blad had geschreven dat koning Willem III 'zo weinig van zijn baantje maakte’. Deze blasfemie moest de hoofdredacteur met een jaar cel bekopen. Voor zijn vertrek naar de Utrechtse gevangenis vergeleek Domela zijn tocht al verlekkerd met de lijdensweg van Jezus, de via dolorosa. 'Domela moet zakkies plakken, hi ha ho’, scandeerde het Oranje-gepeupel.
Met de groei van de SDAP werd Domela steeds meer een aandenken uit een vervlogen tijd. Toch werd hij bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog nog bij wijze van voorzorg gearresteerd. 'Zijn ziel hunkerde naar het moment waarop hij door de militaire autoriteiten tegen de muur geplaatst zou worden, opdat hij met het offeren van zijn leven het bewijs mocht leveren, dat (…) ons kleine landje althans een manrijk was, die de Massa wilde voorgaan in de oorlog te gen de oorlog’, zo wist een sympathisant.
In 1918 mocht Domela dan toch nog de revolutie in Nederland meemaken, ook al was deze door Troelstra geentameerd. 'Ik moest hierheen’, aldus de oude revolutionair tijdens een bijeenkomst in die roerige novemberdagen. 'Zoals het Mozes ging, die oud en bedaagd van de berg af het beloofde land aanschouwde en toen stierf… Zo gaat het ook mij: nu ik dit mocht beleven, ga ik in vrede heen.’ Een jaar later stierf hij, een gebroken man.