De twee crises van Oostenrijk

Domheid is maakbaar

De nieuwe regering van Oostenrijk wil ‘Maastricht’ gaan naleven. Europa zou in economisch opzicht dus blij moeten zijn. Maar de Unie leeft zich uit op het machteloze Oostenrijk.

HET BEHOORT TOT het wezen van een crisis dat ze niet met haar oplossing begint. Net zo behoort het kennelijk tot het wezen van een crisis in haar concrete Oostenrijkse variant dat deze vanzelfsprekende premisse stomme verbazing, ja zelfs hysterie uitlokt. Daardoor hebben we in Oostenrijk nu twee crises, namelijk de crisis en de crisis van haar interpretatie. De crisis voltrekt zich, hoe ze ook geïnterpreteerd wordt, om één eenvoudige reden: omdat ze objectieve oorzaken heeft. Maar de crisis van de interpretatie van de crisis voltrekt zich alleen omdat de interpreten objectieve oorzaken niet willen kennen en erkennen. In hun opgewonden matigingspogingen zijn de ‘knappe Oostenrijkers’ en de door hen geschoolde ‘Oostenrijk-experts’ noch bereid de premissen van het begrip crisis, noch de premissen van de concrete crisis in Oostenrijk tot uitgangspunt van de debatten te maken.


Er zijn, toegegeven, niet veel mensen in Oostenrijk, maar toch enkelen, die zich ten aanzien van deze dubbele crisis al de vraag stellen wat nu eigenlijk grotere aanleiding tot bezorgdheid geeft: het gevaar van een rechtse regering in Oostenrijk, of het gevaar dat de huidige opinieleiders van de tegenstanders van zo’n regering binnenkort ook zinnen als ‘twee maal twee is vier’ of ‘de wereld is rond’ als intellectueel schandaal in Oostenrijk zullen aanmerken. En het is intussen zeer de vraag geworden waar een denkend gemoed op dit moment meer naar verlangt: een regering die, in de woorden van bondspresident Klestil, ‘in binnen- en buitenland aanzien geniet’, of een discussiecultuur waarin bij alle verschillen het vanzelfsprekende weer vanzelf spreekt. Bij mij althans is het verlangen naar het tweede sterker. Want als in de debatten het vanzelfsprekende weer vanzelf spreekt, is de crisis ook politiek doorstaan.



TOT NU TOE echter valt elke gedachte, elke stelling, elke interpretatie van de Oostenrijkse werkelijkheid die met analytische nieuwsgierigheid uitgaat van vanzelfsprekende en — je zou willen denken — algemeen bekende premissen, onmiddellijk ten prooi aan vertekenende en belasterende reacties van hen die in een benijdenswaardig comfortabele situatie verkeren: ze zijn erkend moreel integer, dat wil zeggen: ze zijn niet gedefinieerd door hun intellectuele nieuwsgierigheid. Ze zijn ontwikkeld, dat wil zeggen: alles wat ze geleerd hebben klopte gisteren. Ze zijn niet door twijfel aan zichzelf aangetast, dat wil zeggen: ze zijn niet bij zinnen. Maar: ze hebben een soort interpretatiemonopolie in deze kleine, benauwde, belachelijke Oostenrijkse realiteit veroverd, waardoor ze niets anders zijn dan, kort gezegd, in crisis geraakte crisisprofiteurs van de voorgeschiedenis van de crisis.


Deze voorgeschiedenis — en dat is niet de nazi-geschiedenis, maar de geschiedenis van de naoorlogse Tweede Republiek tot aan het mislukken van de coalitieonderhandelingen van de twee vorige regeringspartijen — is nu zelfs door hen vergeten die deze periode politiek en publicistisch hebben begeleid en mede vormgegeven. En het is nogal een gotspe dit plotselinge geheugenverlies tot basis te maken van een publicistiek die de angst voedt van hen die nu aan de voorgeschiedenis van de voorgeschiedenis, lees: aan de nazi-tijd, herinnerd worden.


Ter herinnering (ook al is het zinloos — want ik heb alleen feiten, geen moraal te bieden): decennialang had de Tweede Republiek Oostenrijk een parlement waarin — een unicum in de democratische wereld — geen oppositie bestond. De parlementariërs waren niet vrij, maar door fractiedwang verplicht in te stemmen met de besluiten van hun partijen, die tevens de regeringspartijen waren. Er was dus niet alleen geen oppositie, maar niet eens formeel of theoretisch enige mogelijke controle van de regering door het parlement.


Maar ook de regering was niet vrij. Ze had een nevenregering, de zogenaamde ‘Sozialpartnerschaft’ (verbond der sociale partners), die alle wetsontwerpen die de regering het parlement voorlegde tevoren al buitenparlementair had voorgekookt. Op deze manier zag elk mogelijk politiek belangenconflict meteen al als compromis het licht van de openbaarheid. Nu had echter ook deze nevenregering een klein probleem: formeel bestond ze namelijk helemaal niet. Ze is in geen enkel grondwetsartikel of in de organisatievorm van het politieke systeem opgenomen of zelfs maar vermeld. Men kon daarom hun algemeen bekende exponenten kiezen noch wegstemmen, kortom: het democratische systeem dat in Oostenrijk een halve eeuw lang op de een of andere manier heeft gefunctioneerd, lost bij nader toezien in het niets op — geen (grond)wettelijk substraat, geen politieke legitimatie.



WIE NU BEWEERT dat er hoe dan ook door middel van verkiezingen democratisch gelegitimeerde regeringen zijn geweest, vergeet één ding: zelfs om een regering te kiezen die geen vrij parlement tegenover zich heeft en zich zonder strijd aan een nevenregering overgeeft — zelfs om zo’n regering te kunnen kiezen en daarmee democratisch te legitimeren, kan men niet zonder een piepkleine vooronderstelling, namelijk een keuzemogelijkheid. Maar hoe men ook koos, men koos altijd de samenwerking — op de voorgrond en de achtergrond — van die twee partijen. Heeft in al die decennia de democratische wereldopinie bezorgd naar Oostenrijk gekeken? Hebben de ontwikkelde democratieën ook maar één spier vertrokken om de Oostenrijkers duidelijk te maken dat dit systeem een schertssysteem is, en dat als dit niet ijlings in de zin van democratische grondbeginselen zou veranderen, dat dan de vrije wereld Oostenrijk in quarantaine zou plaatsen? Heeft dit plaatsgevonden? Nee.


Oostenrijk is in deze decennia een welvarend, stabiel land geworden. Verklaart dit iets? Bij mijn weten hebben de democratische staten nooit beloofd dat alle mensen hier op aarde welvarend moeten worden, en dat als dit ergens niet het geval zou zijn, dat ze dan pas, maar dan ook echt, tussenbeide zullen komen. Feitelijk hebben ze ‘alleen’ beloofd om naar vermogen verlichte standaards en democratische principes in de wereld door te voeren en te verdedigen.


Als het dus niet om het doorvoeren van democratische grondbeginselen gaat en ook niet om gegarandeerde welvaart, hoe functioneerde dan in de laatste decennia of tenminste jaren met betrekking tot Oostenrijk de bescherming van de mensenrechten door de vrije wereld? Dit is nu weer zo’n stuk voorgeschiedenis waarbij ik helaas alleen maar feiten te bieden heb, geen moraal, en daarom ook geen vergeetachtigheid: al jarenlang publiceert Amnesty International rapporten volgens welke Oostenrijk van alle Europese landen bovenaan staat op de lijst van schendingen der mensenrechten. Hebben de democratische landen van Europa, heeft de vrije wereld eenmaal, maar éénmaal althans één van hun diplomatieke of politieke mogelijkheden te baat genomen om de Oostenrijkers die voor deze schendingen der mensenrechten verantwoordelijk waren hard aan te vallen? Heb ik de wereldopinie een hartgrondig ‘Nu is ‘t genoeg!’ aan het adres van Oostenrijk horen roepen? Nee. Hoe graag had ik ’t gehad.


Het gaat dus niet om democratische minimumstandaards, het gaat niet om welvaart en vrede voor allemaal, en het gaat ook niet om mensenrechten in de praktijk. Dat moet men goed voor ogen houden om de groteske die zich nu in en rond Oostenrijk afspeelt ten volle te kunnen doorgronden. Wat zijn de premissen van de actuele situatie? Voor het eerst sinds een halve eeuw zal er in Oostenrijk sprake zijn van een regeringswisseling die die naam verdient. De nevenregering is van haar macht beroofd, het parlement ruikt ochtendlucht. Dat is democratisch gezien een vooruitgang — zij het een louter formele. In de laatste jaren hadden we een conservatieve regering en een sterke rechtse oppositie. Nu krijgen we een conservatieve regering en een sterke linkse oppositie. Dat is een vooruitgang — zij het ook een louter atmosferische. Maar met het formele en het atmosferische samen hebben we plotseling iets verrassends: de realiteit, want veel meer is het niet.


De regering — en dat zeg ik zonder ook maar in het minst haar partijganger te zijn — die nu zal aantreden, is, voorzover verifieerbaar, in de eerste plaats dit van plan: het verdrag van Maastricht tot op punten en komma’s na te leven, hoe pijnlijk de daarvoor noodzakelijke ingrepen ook zullen zijn. Verder: de behoeften van de Europese Unie aan privatisering en liberalisering van de Oostenrijkse economie te bevredigen, en wel aanzienlijk consequenter dan de Oostenrijkse bevolking eigenlijk zou wensen en dan met de oude coalitie mogelijk zou zijn geweest.


Daarmee hebben we nu de volgende situatie: de Europese gemeenschap zou om economische redenen tevreden moeten zijn, maar wil om morele redenen sancties opleggen. De Oostenrijkse bevolking zou zich daar uit economische zelfbescherming tegen moeten verzetten, maar bevindt zich in een wellustig-gefascineerde veranderingsroes. De Oostenrijkse journalisten die op grond van hun eigen, sinds jaren naar voren gebrachte economische argumenten gelukkig zouden moeten zijn, zijn nu om morele redenen ontsteld en produceren geen artikelen meer, maar alleen nog egotrips van hun morele kater.



EN DAARMEE ZIJN we eindelijk bij het kernpunt: wat we nu dus in Oostenrijk, als in een proefstation van de Europese Unie, beleven is dat zich de kloof opent tussen economie en moraal. Een pure moralist kan dat niet begrijpen, des te minder als hij met zijn moraal tot nu toe ook economisch heeft geprofiteerd. En omgekeerd: niemand die, economie en moraal scheidend zolang dit nog conflictloos mogelijk was, precies dit conflict heeft opgeroepen, kan nu begrijpen waarin hij verzeild is geraakt. Vooral als het een Oostenrijkse journalist is die, gesocialiseerd in het oude Oostenrijk, zich geen andere werkzaamheid kon en wilde voorstellen dan deze: dat hij ergens de professorstitel krijgt.


Maar helaas is de realiteit deze: een internationale statengemeenschap die lange, lange jaren geconfronteerd werd met het verwijt dat ze enkel economische principes kent, wil zich nu toch de luxe permitteren van een morele bovenbouw. En niets is gemakkelijker, eenvoudiger en onschadelijker dan deze pretentie — ook of juist omdat ze in strijd is met de economische belangen — tegenover een klein, machteloos land uit te spelen, temeer omdat dit land decennialang in kleine dingen bewezen heeft dat het zich bijzonder goed in de rol van slachtoffer kan vinden. Oostenrijk heeft het voor elkaar: het wordt tot de verstoten held bij het construeren van de lang verbeide Europese bovenbouw. En tegelijk blijft het de modelleerling bij de economische richtlijnen van de Unie. Nu pas goed.



Vertaling: Paul Beers



Dummheit ist machbar werd eerst gepubliceerd in de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 3 februari 2000, en is tevens de titel van Menasses laatst verschenen essaybundel (Sonderzahl Verlag, Wenen). Robert Menasse (1954) is auteur van de romans Zalige tijden, breekbare wereld en Bar Hopeloos, bij De Arbeiderspers verschenen in vertaling van Paul Beers. Voor zijn essayistisch werk, onder andere Das Land ohne Eigenschaften, ontving hij de Oostenrijkse staatsprijs voor cultuurpublicistiek 1998.