Dominee buskes

IN DE JAREN ZESTIG en zeventig was hij de ‘parade-christen’ van links Nederland. ‘Ik zou de dominees beminnen als ze waren als u. Helaas’, schreef de niet-gelovige domineesdochter Annie M.G. Schmidt. In haar ogen was Buskes een uitzondering, ‘en dat weet u verdomd goed’. De charismatische, non-conformistische predikant was met zijn tegendraadse en radicale opvattingen zeer populair in progressieve kring, waar christendom in de regel werd geassocieerd met conservatisme. Toen het Eerste-Kamerlid H. Wielek vertrok uit de PvdA-fractie verklaarde hij wat zijn grootste bezwaar was geweest: ‘Geen sociaal-democraat in de Kamer deed me aan Buskes denken. Maar misschien is dat te veel gevraagd.’

Voor velen die het geloof de rug hadden toegekeerd, of die ongelovig waren opgevoed, en die in de kerk niets anders konden zien dan een stem uit het verleden, een instrument van de reactie, was Buskes het prototype van de ‘goede’ christen. Hij trok uit het evangelie de juiste conclusies, kwam op voor de zwakken, verzette zich tegen het militarisme en stelde imperialisme en racisme aan de kaak. In de ogen van politieke medestanders huldigde Buskes deze standpunten echter niet dankzij maar ondanks zijn geloof. Zijn zondebesef en zijn geloof in Jezus Christus de Verlosser werden gezien als hooguit een schoonheidsfoutje, een minuscule afwijking die getolereerd werd, zoals men bij een goede vriend dronkenschap of promiscuïteit soms door de vingers ziet.
Dick de Jongh laat in zijn zojuist verschenen biografie gezien hoe Buskes zich vaak groen en geel ergerde aan een dergelijke, in wezen hautaine houding. Voor hem was zijn geloof geen bijkomstigheid, geen 'extraatje’ of te vergoelijken hebbelijkheid. De in 1899 geboren Buskes kwam uit een echt gereformeerd nest. Zijn vader, die een bescheiden meubelmakerij in de Utrechtse Haverstraat had, was Abraham Kuyper gevolgd toen deze in 1886 met de Hervormde Kerk brak en de Gereformeerde Kerken in Nederland oprichtte. Vader Buskes was een tolerante en sociaal bewogen man, in wiens leven het geloof een centrale plaats innam. Het liefst was hij predikant geworden, maar financieel gezien was dat onmogelijk geweest. Groot moet zijn vreugde zijn geweest toen zoon Jan theologie ging studeren aan de door Kuyper opgerichte Vrije Universiteit.
OP 12 NOVEMBER 1920 werd de in alle opzichten formidabele Kuyper ten grave gedragen door studenten van de VU. Buskes was een van hen. Een kleine vier jaar later studeerde hij af en werd hij beroepen als predikant op Texel. Buskes was een begenadigd spreker en bezat een vlotte pen, zodat weinig een glansrijke kerkelijke carrière in de weg leek te staan. Toch voelde Buskes zich niet volledig op zijn gemak binnen zijn kerk. Om te beginnen vond hij het geloof vaak te vanzelfsprekend, miste hij het eschatologische vuur, én het revolutionaire elan dat volgens hem kenmerkend was voor het geloof in Christus. Ook theologisch gezien was het grotendeels een dooie boel, aangezien aan de interpretaties van de grote Kuyper niet meer getornd mocht worden. Bovendien leek het alsof de strijdbare, geëmancipeerde 'kleine luyden’ vrede hadden gesloten met de door de Mammon beheerste, maatschappelijke orde. De gereformeerde elite, die leiding gaf aan de Anti-Revolutionaire Partij, begon tot het establishment te behoren. De kritiek op het kapitalisme zou onder multimiljonair Colijn geheel verstommen.
Dat geloof niet per definitie hetzelfde is als accepteren van de status quo, had Buskes ontdekt toen hij als middelbare scholier de vrijzinnige predikant en christen-socialist Bart de Ligt tekeer hoorde gaan tegen de waanzin van de inmiddels uitgebroken Eerste Wereldoorlog. De jonge Buskes was zeer onder de indruk en werd een fervent lezer van revolutionaire kranten en brochures. Socialist werd hij voorlopig nog niet, omdat het socialisme voor hem te materialistisch was en niet te rijmen viel met het besef dat de mens zondig was.
Dat Buskes in 1926 in conflict kwam met de Gereformeerde Kerken had niets te maken met politiek. In de zogenaamde 'slangenoorlog’ koos hij de zijde van de predikant van Amsterdam-Zuid, J. Geelkerken, die de ruimte wilde hebben om zich af te vragen of het spreken van de slang in het paradijs wel gerekend mocht worden tot de 'zintuiglijk waarneembare werkelijkheden’. Deze discussie mag heden ten dage een enigszins wereldvreemde indruk maken, waar het Buskes om ging, was dat de gereformeerde synode haar macht misbruikte door de gemeenten te dwingen tegen Geelkerken te kiezen. Dit was volgens hem in strijd met het wezen van de Gereformeerde Kerken, waarin de lokale kerkgemeente centraal diende te staan. Bovendien stond Buskes, die sterk beïnvloed was door de Zwitserse theoloog Karl Barth, op het standpunt dat Schriftkritiek niet alleen geoorloofd maar zelfs noodzakelijk was.
NA DE BREUK werd Buskes predikant van de door Geelkerken opgerichte Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband. Een politiek onderdak vond hij enige jaren later in de Christelijk-Democratische Unie, een anti-militaristische en in economisch en sociaal opzicht vooruitstrevende partij van orthodoxe protestanten. Hoewel Buskes in navolging van Barth een uitgesproken tegenstander was van het gelijkstellen van geloof en politiek, iets waarin Abraham Kuyper zeer ver was gegaan, waren beide zaken voor hem niet los te zien. Dat de overgrote meerderheid van de arbeiders onkerkelijk was geworden, had volgens hem alles te maken met het feit dat de kerken niets hadden gedaan aan weerzinwekkende sociale ellende. Niet de arbeiders hadden de kerk verlaten, maar de kerk had de arbeiders verlaten. Evangelisatie en politieke bewustwording gingen volgens Buskes dus hand in hand, al waren ze beslist niet hetzelfde.
In de jaren dertig zette Buskes zijn grote oratorische talent en enorme werklust in voor de bestrijding van het opkomende fascisme. Hij werd lid van het Comité van Waakzaamheid, sprak op talloze bijeenkomsten en schreef eindeloos veel artikelen. Als overtuigd anti-militarist kwam hij echter in de problemen toen in de tweede helft van dat decennium de oorlogsdreiging steeds sterker werd. In tegenstelling tot Barth, die verklaarde dat elke Tsjechische soldaat die tegen Hitler vocht kon rekenen op Gods steun, bleef Buskes voorstander van eenzijdige ontwapening. Echt van harte ging dat niet meer, en nadat de Duitsers Nederland hadden overrompeld erkende hij dat gewapend verzet soms noodzakelijk is. Zelf hield hij het bij het wapen van het Woord, dat hij van de kansel bleef prediken en waarmee hij zijn altijd talrijke kerkgangers een hart onder de riem stak.
Op twee arrestaties en een verblijf van enkele maanden in gijzelaarskamp Beekvliet na, kwam Buskes de oorlog redelijk ongeschonden door. Hij was inmiddels toegetreden tot de Hervormde Kerk en sloot zich aan bij de SDAP, die in februari 1946 opging in de Partij van de Arbeid. Het naoorlogse deel van De Jonghs, helaas nogal schools geschreven en weinig meeslepende biografie heeft als titel Het verzet gaat door. En zo was het voor Buskes ook. Nooit leunde hij gemakzuchtig achterover, genietend van het vanzelfsprekende gelijk dat hij aan zijn zijde zou hebben. Aan zijn antifascisme viel niet te twijfelen, en toch meldde hij zich aan als geestelijk verzorger voor gevangen NSB'ers. Al ver voor de oorlog had hij zich verzet tegen de Nederlandse koloniale politiek, niettemin heeft hij in 1947 geprobeerd legerpredikant in Indonesië te worden.
TIJDENS DE KOUDE Oorlog was zijn positie uiteraard problematisch. Hij wees het communisme zonder meer af, maar het Westen was in zijn ogen niet zo heel veel beter. Soms leidde dit tot bizarre uitspraken. Bijzonder bont maakte hij het in een, overigens niet door De Jongh genoemd Vrij Nederland-stukje uit 1956, over Ed van de Elskens fotoboek Een liefde in St. Germain des Pres. Dat hij het een 'rotboek met urinoir-tekst’ noemde wijst erop dat hij in politiek opzicht weliswaar progressief was, maar dat zijn mens- en wereldbeeld nog altijd sterk calvinistisch was. Opmerkelijker was echter dat hij van mening was dat de dingen die Van der Elsken in zijn boek toonde, erger waren 'dan wat de Russen de Hongaren aandoen’. Dat Buskes, die voor de oorlog de fascistische dictaturen soms op één lijn stelde met het verfoeilijke 'amerikanisme’, niet mee wilde huilen in het koor van anti-communisten, was zijn goed recht. Aan de andere kant is het niet vreemd dat hij in die kringen bekend werd als 'Buskes van de Ruskes’.
Buskes was een man die zich niet liet inlijven bij een bepaalde stroming. Hij was een geboren dwarsligger, die altijd bereid was samen met anderen te strijden voor een goede zaak, maar die nooit aarzelde kritiek te uiten op medestanders. Links Nederland mocht hem dan koesteren als een progressieve dominee, hij verschilde sterk van veel andere christenen die kozen voor een linkse politiek. Bij hen verwaterde het geloof vaak tot een religieus geïnspireerd humanisme, en daar moest Buskes niets van hebben. Ook de God-is-dood-theologie en de ondemocratische ideeën van de Christenen voor het Socialisme stonden hem allerminst aan. Buskes was een vreemde eend in elke bijt.