Interview Ruud Koole

Dominerende fracties zie je overal

Ruud Koole, voorzitter van de PvdA, besteedt veel aandacht aan de interne democratie van zijn partij. Maar anders dan zijn voorgangers wil hij de partij niet opnieuw «op de schop» zetten.

«Mijn wetenschappelijke achtergrond is een grote steun. Ik houd me al 25 jaar bezig met de Nederlandse partijpolitiek en er is weinig dat me nog verrast. Ik weet al lang dat je in de politiek je doel meestal niet bereikt langs een rechte weg, maar langs kronkel wegen waarvan je soms niet wist dat ze bestonden. Dat hoef ik niet meer op eigen houtje te ontdekken. En ik houd er niet van de communis opinio na te praten. Bijvoorbeeld als het gaat om de roemruchte kloof tussen politiek en burger. Je moet je tegen de heersende mening durven verzetten, je eigen standpunt uitdragen. Democratie is meer dan u-vraagt-wij-draaien. Ik houd er ook niet van die kloof kunstmatig te dichten. Politici moeten zich niet gewoner voordoen dan ze zijn door aan tv-spelletjes mee te doen, ze moeten de waardigheid van hun ambt hooghouden. Een beetje afstand tot de burger is goed voor de politiek. Zolang de politiek maar transparant is, zodat de kiezers er greep op houden.»

Ruud Koole (47) zit er een beetje doorheen na een week campagnevoeren van Maarssen tot Vlissingen, maar zijn stem is ongebroken. Hij praat over het politieke handwerk met pretlichtjes in zijn ogen, alsof hij pas gisteren is aangetreden als voorzitter van de Partij van de Arbeid. Toch is het al bijna een jaar geleden. Zijn verkiezing kwam op een kritiek moment voor de partij. Na veertien jaar regeringsverantwoordelijkheid was de PvdA verworden tot een «management-bv» (nestor Jan Pronk) die het voetvolk nauwelijks een eigen inbreng gunde. De partij organisatie was ondergeschikt aan de eisen van de paarse coalitie, die evenals de regeringen-Lubbers werd bestierd vanuit torentjes en achterkamers. In 1999 hadden de leden al eens geprotesteerd door Marijke van Hees tot voorzitter te benoemen, tegen de wil van het partijkader, dat het Niet-Nix-duo Booij en Van Bruggen naar voren had geschoven.

In de aanloop naar het Rotterdamse congres van maart 2001 ging het er nog harder aan toe. De commissie-Brouwer kwam met een organisatierapport dat pleitte voor een verdere uitholling van het partijlidmaatschap en veel leden vonden het nu welletjes. De voorzitterskandidate van de partijtop, de 29-jarige Sharon Dijksma, wekte zoveel weerzin bij de afdelingen dat de tegenkandidaten over elkaar heen buitelden. De voormalige Jonge Socialiste had zich omringd met een profes sioneel campagneteam dat zich in alle toonaarden afzette tegen de gewone leden. Naast beroepsmanipulator Dig Istha zat ook het gewezen kamerlid Marjet van Zuijlen in het team. «De tijd dat leden het voor het zeggen hadden, is definitief voorbij», schreef zij in Intermediair: de toekomst is aan de «campagnepartij met een professioneel apparaat dat is toegerust voor continue campagne en communicatie met de kiezer. De partij heeft in dit model geen leden meer, maar adviseurs.» Met andere woorden: het Green peace-model.

Als een duveltje uit een doosje mengde de politicoloog Koole zich in de strijd. Hij trok de aandacht met een bevlogen artikel in Socialisme & Democratie over de levensvatbaarheid van de ledenpartij als vehikel voor de democratie, gebaseerd op de expertise die hij had opgebouwd in acht jaar directeurschap van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen in Groningen. Om de democratie te waarborgen zijn geen massapartijen van de oude stempel nodig, schreef Koole, zolang de interne democratie van de partijen maar verzekerd is. Dat is uiteindelijk in het belang van zowel kiezers als partijelite. De eersten kunnen daadwerkelijk invloed uitoefenen op de politiek doordat zij de beroepspolitici naar huis kunnen sturen. De laatsten beschikken over een partijapparaat dat hun boodschap uitdraagt en tegelijk dient als reservoir voor ideeën, mankracht en politieke legitimiteit. «Het onderhouden van een gezonde partij organisatie is uiteindelijk in het belang van de politieke leiders zelf.»

Die boodschap viel in goede aarde. Voor hij het wist, was Koole gekozen. «Goed dat er iets te kiezen viel», waren de sardonische openingswoorden van zijn dankspeech, waarin hij aankondigde te streven naar een «duidelijk links profiel» voor de PvdA. Wat hem betreft is de toekomst niet aan de miljonairsdemocratie naar Angelsaksisch model. «We moeten met elkaar van mening kunnen verschillen, als we het maar eens zijn over het doel van spreiding van kennis, macht en inkomen, van solidariteit binnen en over onze grenzen, en van solidariteit tussen de generaties.» Hij bedankte het vorige bestuur niet voor zijn inspanningen, aangezien het zich door de bestuurscrisis rond zijn voorganger Marijke van Hees had gediskwalificeerd. Hij bood, integendeel, namens de partij zijn excuses aan Van Hees aan, gevolgd door de oproep: «En nu aan de slag».

Het is een druk jaar geworden, het drukste in de vierjarige cyclus van een PvdA-voorzitter, compleet met een leiderschapswisseling tussen Kok en Melkert en de beslommeringen rond de vaststelling van de kandidatenlijst voor de Tweede Kamer. En campagnevoeren blijkt echt een vak apart te zijn. Koole: «Waar ik het meest aan moet wennen, is dat anderen je agenda bepalen. Niet alleen je dagelijkse beslommeringen, ook je bijdragen aan het publieke debat worden vaak in een bepaalde richting gestuurd. Je merkt dat het politieke klimaat in Nederland sinds een jaar beduidend rechtser is. Veel politici hameren op law and order, burgers roepen om erkenning van hun gevoel van onveiligheid. Door 11 september en de groeiende economische onzekerheid is dat gevoel alleen maar sterker geworden. Tegelijk is de zuiver repressieve aanpak door toedoen van Fortuyn en anderen salonfähig geworden. Wanneer wij dan een genuanceerd standpunt laten horen waarin repressie samengaat met preventie, omdat die combinatie noodzakelijk is als je criminaliteit goed wilt bestrijden, pikken de media alleen de repressieve teneur eruit: hard ingrijpen, meer blauw op straat.

Dat overkwam Melkert toen hij vorige week zaterdag pleitte voor minimumstraffen voor zogeheten draaideurcriminelen, mensen die telkens weer voor dezelfde, meestal kleine vergrijpen worden aangehouden en meestal even snel weer vrijgelaten. De rest van ons verhaal - over preventie, over resocialisatie binnen en buiten de gevangenis en aanverwante strategieën - gaat in de publicitaire ruis verloren. Dat neemt niet weg dat repressie wel nodig is, als sluitstuk. Links beleid bestaat uit de combinatie van repressie en preventie. Tot een jaar of tien geleden hebben we te veel de nadruk gelegd op het laatste. Ondanks alle preventie blijft er een harde kern over die zonder meer moet worden opgepakt en opgesloten. Het gevoel van onveiligheid is heel groot, vergis je niet, en het leeft misschien nog wel het meest onder onze traditionele achterban.

Dat is niet enkel te danken aan het Fortuyn-effect. De PvdA heeft de openbare veiligheid al vier jaar geleden op de agenda gezet, het is namelijk een onderdeel van sociaal beleid. Veiligheid mag geen voorrecht zijn voor mensen met een dikke portemonnee, voor mensen die hoge hekken, dienstauto’s en veiligheidspersoneel kunnen betalen. Veiligheid is ook van belang voor mensen als jij en ik, en helemaal voor mensen die financieel en sociaal kwetsbaar zijn. De hardere aanpak van draaideurcriminelen is door de gewone partijleden ingebracht in de programcommissie. Ad vertaalt dat nu in een campagnepunt. Maar komende week, de laatste vóór de gemeenteraadsverkiezingen, wordt de proef op de som. Dan gaan we proberen ook die andere onderwerpen op de agenda te zetten. Veiligheid is voor ons een onderdeel van een trits van onderwerpen, samen met zorg en onderwijs, waaraan we de komende jaren prioriteit willen geven.»

Vorige week zaterdag, tijdens de feestelijke opening van de verkiezingscampagne in Musis Sacrum in Arnhem, leek Koole niet op zijn plaats tussen Wim Kok en Ad Melkert. Niet alleen door zijn open boordje, ook omdat hij zijn opdracht serieus neemt. Hij vertegenwoordigt in de eerste plaats de leden, naast en in sommige gevallen tegenover het partijkader, zoals tijdens de affaire-Van Gijzel toen hij het afvallige kamerlid in bescherming nam tegen de wraaklustige fractie. Tegelijk merkt hij tijdens zijn werk bezoeken dat het paarse beleid soms ver af staat van de leef wereld van de achterban.

Koole: «Ik verwachtte afgelopen week op het platteland uitvoerig te kunnen spreken over 11 september en Afghanistan, maar het ging alleen maar over leefbaarheid. We hebben een duidelijke taak in het veiligstellen van openbare voorzieningen. Banken en postkantoren, spoorwegen en nutsbedrijven moeten worden verplicht een zekere spreiding door het land aan te houden, op straffe van het intrekken van hun vergunning. Bedrijven hebben tegenwoordig de mond vol van maatschappelijk ondernemen en als ze zich daar niet aan houden, dan vind ik dat je ze ertoe moet verplichten. Natuurlijk moet een bedrijf rendabel zijn, maar dat hoeft niet te gelden voor elk bedrijfsonderdeel. De policy van banken dat ieder betaal- of verkooppunt rendabel moet zijn, is zeker op het platteland niet vol te houden.»

Openbare veiligheid draait om meer dan alleen ordehandhaving. Het gaat ook om de instandhouding van het gemeenschappelijk bezit en de openbare voorzieningen waaraan generaties belastingbetalers hebben bijgedragen. In oktober vorig jaar reed Koole een dagje mee op de Zoetermeerlijn, berucht vanwege de overlast die jongeren vooral ’s avonds in de trein en op de perrons veroorzaken. Het in heel Nederland inmiddels vertrouwde kat- en muisspel van zwartrijders en conducteurs en de gesprekken met het personeel stemden hem «treurig». Dat de oplossing niet bestaat uit betere hangplekken, zoals hij toen suggereerde, is hem nu ook wel duidelijk.

«De privatisering van de spoorwegen was ondoordacht. Als je een staatsbedrijf wilt verzelfstandigen, moet je zorgen voor voldoende concurrentie en toezicht. Je moet als overheid kunnen garanderen dat zo'n bedrijf diensten verleent op het gewenste niveau en anders moet je het niet doen, zo eenvoudig ligt dat. En publieke diensten zoals het spoor waarop je eigenlijk geen concurrentie kunt verwachten, moet je helemaal niet op de markt zetten. Dat geldt ook voor Schiphol, daarvan heeft het partijcongres aangegeven dat het niet moet worden geprivatiseerd. Er zijn geen twee of drie Schiphols die met elkaar kunnen concurreren. Binnen Schiphol kun je natuurlijk wel allerlei dienstverlenende bedrijven met elkaar laten concurreren, de luchthaven als geheel mag niet worden geprivatiseerd.

Wat de voormalige overheidsbedrijven betreft zie ik geen heil in renationalisatie. We moeten niet terugverlangen naar de tijd van Wibaut en de economische plannen van de jaren dertig, toen de socialisatie van allerlei voorzieningen nodig was om ze toegankelijk en betaalbaar te maken voor iedereen. Nu moeten we die toegankelijkheid waarborgen door middel van goede afspraken, duidelijke wetgeving en effectief toezicht. Het doel moet zijn dat publieke voorzieningen toegankelijk blijven voor zoveel mogelijk mensen tegen een zo laag mogelijke prijs. Als je dat doel kunt bereiken door privatisering moet je het niet laten. Maar dan moet je de redelijke verwachting hebben dat die criteria worden gehaald, je moet niet in het wilde weg privatiseren, zoals is gebeurd tijdens de neoliberale golf van de jaren tachtig waarin de PvdA helaas te veel is meegegaan.

Ik sprong natuurlijk op een rijdende trein, maar ik heb me toch al stevig bemoeid met een aantal zaken, zoals de kandidaatstelling voor de Tweede Kamer. Bij alle functioneringsgesprekken die Ad Melkert met de zittende kamerleden voerde, ben ik aanwezig geweest. Die gesprekken waren van belang voor de samenstelling van de kandidatenlijst en we wilden voorkomen dat de kandidatencommissie over elk fractielid alléén de mening van de fractievoorzitter zou horen. En ik kaart zelf politieke kwesties aan. In de programmacommissie heb ik echt mijn invloed laten gelden op het punt van de privatisering. Die mag niet meer vanzelfsprekend zijn. Bepaalde instellingen zoals het gevangenis wezen en de rechterlijke macht, die een monopoliepositie op de markt hebben - als je al van een markt kunt spreken - mogen in geen geval worden geprivatiseerd. En waar privatisering wel wenselijk en mogelijk is, moet het proces voldoen aan duidelijke criteria, zoals toegankelijkheid en de laagst haalbare prijs.»

Anders dan zijn voorgangers Rottenberg en Van Hees wil Koole de partij niet opnieuw «op de schop» zetten. Het herstel van de interne democratie moet stapsgewijs verlopen, met gebruikmaking van de middelen die nu voorhanden zijn, zoals het Politiek Forum, het «PvdA-parlement» dat ten minste driemaal per jaar bijeenkomt en zich mag uitspreken over elk willekeurig politiek onderwerp. Koole: «Ik heb geen enkel bezwaar tegen verandering, want net als elke andere organisatie moet een partij meegaan met zijn tijd en zich aanpassen aan een veranderende omgeving. Dat is alleen maar gezond, als je maar niet denkt dat je problemen kunt oplossen door de structuur om te gooien. Dat ontaardt in navelstaren, in ‘verenigingscentrisme’ zoals het rapport-Van Kemenade het in 1991 noemde. Er moest iets gebeuren toen Rottenberg aantrad als voorzitter. Het navelstaren moest worden doorbroken en dat heeft hij in een aantal opzichten heel goed gedaan.

Het nadeel van zijn benadering was dat het machtsevenwicht tussen de fractie en de ver eniging verloren ging. Het zwaartepunt kwam te liggen bij de beroepspolitici in Den Haag. Dat is overigens niet typisch voor de PvdA of Nederland, dat zie je in heel Europa gebeuren. Ik heb er vorig jaar nog onderzoek naar gedaan. De dominantie van de fractie, het zogenaamde parliamentary party complex, zie je overal groeien. Door het teruglopen van de ledenaantallen is dat een bijna natuurlijk proces, daar hoef je bij wijze van spreken niets aan te doen. Het nadeel is dat de fractie niet meer wordt gevoed vanuit de samenleving, dat er geen nieuwe ideeën en mensen meer doordringen. Om daar iets aan te doen, moet je de verenigingskant versterken.

Twee veranderingen waren al in gang gezet door de commissie-Brouwer. De ene was de installatie van een Politiek Forum, het andere was de invoering van de Adviesraad. De laatste is vooral van intern belang voor de vereniging. De Adviesraad zorgt ervoor dat activiteiten op elkaar worden afgestemd en dat het partij apparaat zo goed mogelijk wordt ingezet. Het Forum vult een vacuüm tussen het partij bestuur en het congres, dat maar één keer per jaar bijeenkomt. Het is een middel om ook tussendoor namens de partij een uitspraak te doen. De volgende stap is de introductie van het interne partijreferendum, de rechtstreekse ledenraadpleging over politieke onderwerpen.

De statuten staan het formeel al toe, maar we werken nu aan een concreet voorstel waardoor er in principe over alles kan worden gestemd, mits de stemmingen goed worden voorbereid door discussie en informatie. Geen u-vraagt-wij-draaien-democratie. De leden moeten hun mening niet bepalen op grond van wat er die dag in de krant staat, ze moeten niet afhankelijk zijn van één informatiebron. Als die procedure goed is geregeld, kan er voortaan ook worden gestemd over zoiets gevoeligs en belangrijks als een Joint Strike Fighter. Partijcongressen kopen nog steeds geen straal jagers, evenmin als in de tijd van Vredeling, maar de partij mag zich er wel degelijk over uitspreken. Dat gaat binnenkort trouwens al gebeuren. De JSF staat op de agenda van het eerstvolgende Politiek Forum op 9 maart. Ik vind dat prima, ook al zal niet iedereen het verwelkomen. Dat de fractie zich door het Forum op de vingers gekeken zal voelen, kan me absoluut niet schelen, mits het Forum zich natuurlijk niet bemoeit met ieder akkefietje. Bij de JSF gaat het om een besluit met grote financiële consequenties, verreikende implicaties voor het concept van onze strijdkrachten. Het is belangrijk dat de partij zich daarover uitspreekt.

Inderdaad, zo'n uitspraak is niet bindend. Het congres heeft ingestemd met de oprichting van het Politiek Forum, maar de bevoegdheden nog niet vastgelegd. We werken met voorlopige regels die door het volgende congres moeten worden beoordeeld. Maar intussen is het Forum niet machteloos: het kan de fractie en het partijbestuur geen opdracht geven, maar wel een zwaarwegend advies. Dat is zeker in verkiezingstijd geen gering signaal. Bovendien kan het de fractie ter verantwoording roepen, dwingen bepaalde vragen te beantwoorden of die vragen nog eens in de Kamer te stellen aan de bewindspersonen. Dat kan spektakel gaan opleveren, daar ben ik me van bewust. Die spanning is goed, leve de interne democratie. En we zijn niet alleen coalitiepartners, we moeten af en toe als partij ons eigen standpunt aan de rest van het land duidelijk maken.»

Ook al schuwt hij grote woorden, toch is er een term voor de verstarring die Ruud Koole probeert te doorbreken: oligarchie. Meer dan negentig jaar geleden formuleerde de Duitse politicoloog Robert Michels zijn «ijzeren wet» die zegt dat elke organisatie onvermijdelijk zijn eigen elite produceert. De leiding heeft een machts- en informatievoorsprong op de leden zodat er van controle steeds minder te rechtkomt. Bovendien zijn partijen «Kampfesorganisationen» die met elkaar concurreren om de macht en vaak de gelederen sluiten ten koste van de interne democratie. Koole heeft echter niet het gevoel dat hij vecht tegen de bierkaai.

«De dreiging van elitevorming is er altijd, maar ik ben politicoloog genoeg om te weten dat het geen ijzeren wet is. Er is veel kritiek op Michels’ stelling gekomen, onder anderen van de Amerikaan Seymour Lipset, die zei: de beste manier om oligarchisering te voorkomen is interne concurrentie in de partij. Daar geloof ik in. Onze commissie die de kandidatenlijst heeft vastgesteld, is bijvoorbeeld echt onafhankelijk. We hebben ervoor gewaakt dat die geen verlengstuk van de fractie zou zijn. De partij is er voor de leden en niet andersom, dat moet duidelijk zijn. Ik noem die operatie al geslaagd als het ledental stabiliseert. Ik zie de dalende tendens in heel Europa en ik weet dat ik die niet in mijn eentje kan keren, maar ik wil permanent leden proberen te werven door het lidmaatschap meer inhoud te geven.

Daarom hoop ik dat de kenniscentra goed gaan functioneren. Die zijn uniek voor ons land. In andere landen functioneren louter partijcommissies, die zijn veel geslotener en formeler. Onze kenniscentra zijn een aparte structuur naast de afdelingsstructuur waarin de leden zich kunnen bezighouden met hun eigen specifieke belangstelling of expertise. Het zijn zowel discussie- als verantwoordingsfora en de leden staan er centraal. De bewinds lieden, fractieleden en partijbestuurders zitten letterlijk op de tweede rij. Die zitten er om vragen te beantwoorden en hun beleid te verdedigen. Ik zou het mooi vinden als dat nog vrijer gebeurt dan nu, zonder angst en voor behoud.

New Labour is voor mij beslist geen voorbeeld. Ik heb er begrip voor dat de totaal verouderde, rigide structuur van de oude Labour Party moest worden doorbroken, omdat de overwegende invloed van de vakbonden funest was. Ik heb er ook begrip voor dat een Britse partijleider greep op zijn fractie houdt met hardere middelen dan een Nederlandse, omdat Britse parlementariërs door het districtenstelsel sneller de neiging hebben zich van hun fractie af te keren. Maar zo'n stringente leiding van de partij vanuit een soort war room vind ik niks. Ik heb namens de leden een eigen inbreng in Den Haag. Afgelopen donderdag heb ik in mijn wekelijkse overleg met de fractie gezegd dat we te veel overkomen als law and order-partij en dat we daar iets aan moeten doen. We zullen deze week zien wat het resultaat is.»