Domme doffers

In Drenthe leven duiven. Het lijken wel vogels: als je voorbijfietst, vliegen ze verschrikt op. In de stad ontwijk ik met gevaar voor eigen leven het hoofdknikkend gebroed dat voor mij noch voor mijn vervoermiddelen ontzag toont. Dat ergert me. Niet vanwege prestige, maar omdat ik ook niet van Russische roulette houd: ik haat die suicidale domheid, die vergaande degeneratie, dat collectieve instinctverlies.

‘Kijk toch uit, klootzak’, riep ik recent tegen een doffer die zijn versiertoer met de dood had bekocht als ik niet 45 jaar wielrijkunde had gepaard aan een recordreflex voor jongbejaarden. Want net als de fabel maak ik het dier tot mens. Terwijl ik tegelijk de duif juist zijn verlies aan dierlijkheid verwijt. Of is hij niet verantwoordelijk en is dat merkwaardig scheppend principe in de weer dat onder veranderende omstandigheden veranderende mechanismen doet ontstaan - van voortplanting, van getalsmatige sekseverhoudingen, van slagende en mislukkende leg-, broed- en zoogsels en, in dit geval, van toenemende doodsdrift? Als dat zo is, moet ik dus eigenlijk doorrijden en een plak dooie duif achterlaten, waarmee de stad bezaaid ligt als het weiland met koeievlaaien.
Wat betreft de instandhouding van de duivensoort zou dat zonder bezwaar kunnen: zij groeien vast in tal en last. Misschien doorkruis ik via rem- en stuurmanoeuvres het biologisch masterplan. Geen gekke veronderstelling: ik ben een mens en duidelijk is dat onze soort zich aan alle zelfregulering van de natuur onttrekt. Niks onvruchtbaarheid als we met teveel zijn, niks minder legsels (nou ja, in subculturen, mondiaal gezien). Hooguit toenemende thanatische zinnelijkheid - het moorden kent geen einde - maar zelfs de ergste vormen daarvan zijn, cynisch gesproken, druppels op de gloeiende geboortenplaat.
Toch is het met duiven als met honden: je krijgt de pest aan de soort vanwege massaliteit en overlast, maar leer je een individueel exemplaar kennen dan is sympathie niet uitgesloten. Op mijn werk had ik uitzicht op een dakgoot waarin zich een druk sociaal en erotisch leven afspeelde. Allemachtig, wat deden die het vaak. Ze compenseerden de korte duur van de daad met niet aflatend voorspel waarin beider willigheid evident was. Wel wat anders dan de guppies die ik als kind op de schoorsteenmantel had en van wie het mannetje dag en nacht op het vrouwtje joeg tot zij in wanhoop uit de accubak sprong.
Meer nog gehecht raakte ik aan het stel dat op onze balkonkast nestelde. Twee keer brachten ze koerend een legsel groot. Als grootouders zo trots bezagen we het uitvliegen. Een jaar bleef de plek leeg. Toen kwam een van de kinderen haar vrijer voorstellen. Ze deden het voor onze ogen in de bak met viooltjes. Ze betrokken het nest. Op een dag lag een dood vogeltje in het bierkrat onder de kast. Op de kast een dood broertje of zusje. Scheld ik op duiven, heb ik het niet over hen.
Die ene keer dat ik een dier doodreed, een Franse eekhoorn bij tachtig per uur, staat me helder voor de geest. Het was een tik, meer niet, maar we vonden autorijden een kwartiertje minder leuk.