De terugkeer van het woonerf

Domweg gelukkig in de Dickerdacklaan

Bij architecten heeft het woonerf geen goede naam, en bezoekers verdwalen erin. Toch herleeft het concept. De bewoners lopen ermee weg, omdat ze twee auto’s hebben.

DE BURGEMEESTER Dickerdacklaan is de toegangsweg naar de Buitenkans in Almere, alwaar de bewoners gevestigd zijn in de Tom Poesstraat en de Ambtenaar Dorknoperweg. De briefschrijvers zullen wat afgniffelen als ze hun post naar de Stripheldenbuurt versturen. De (glim)lach blijft op je gezicht kleven als je de Buitenkans in levende lijve waarneemt. Hier zijn 55 woningen in het groen gestrooid met een slingerende vijver als middelpunt. Het zijn 55 variaties op Villa Kakelbont van Pippi Langkous. Mintgroen, ossenbloedrood en oker wisselen elkaar af op de gevel – de schilder heeft ruimhartig zijn palet gebruikt.

De architecten die hier door bewoners en de corporatie aan het werk zijn gezet, zul je niet tegenkomen in jaarboeken. Ze hangen allen de organische architectuur aan die is gebaseerd op de antroposofische theorieën van Rudolf Steiner, waarvan nog steeds het hoofdkantoor van de Gasunie in Groningen het sprekendste voorbeeld is. Dat wil dus zeggen: met sedum of grassen bedekte daken, asymmetrische ramen en nergens rechthoekige kamers. Harde, geometrische hoeken, daar hebben ze het niet zo op in de organische architectuur. Regenwater wordt opgevangen en hergebruikt bij de spoeling van de toiletten.

De Buitenkans, die in 2009 is voltooid, is een woonerf nieuwe stijl. Het groengebied is het heiligdom van het spelende kind. De auto is verbannen naar parkeerhavens aan de Dickerdacklaan. Een kleine smet op de idylle is de batterij klikobakken die het zicht op het wijkje belemmeren. Vreemd toch, dat suburbia geen raad weet met de vormgeving en plaatsing van de bakken voor gescheiden afval. En net zo vreemd is het dat geen enkele architect zich geroepen lijkt te voelen dat in het ontwerp van een woning of wijk te integreren.

De Buitenkans ligt vrijwel naast een verwant project in Almere-Buiten, waar woonschuren op terpen staan en de auto’s onder een afdak onder de woning zijn geschoven. De Veranda, adres Kapitein Walrusstraat, is ook al gebed in het groen. Onix-architecten, specialisten in houtarchitectuur, lieten zich inspireren door Amerikaanse plattelandshuizen waar families op schommelstoelen en met het geweer op schoot hun tijd doorbrengen op de veranda. In Almere heerst pais en vree. Het binnenterrein wordt doorsneden door schelpenpaadjes. Romantisch is het adjectief dat te binnen schiet, een intelligente verstrengeling van folklore en moderne techniek. De Buitenkans en de Veranda zijn geliefd in Almere, en dat wekt geen verbazing. Immers, beide wijkjes zijn of lijken het antwoord op de grootschaligheid in de Groeistad van Nederland.

IS HET WOONERF terug? Niet alleen in Almere, maar ook in Hoofddorp (Floriande) en Schiedam (Sveaparken) zijn recentelijk woonwijken voltooid waar de auto aan de kant is geschoven ten gunste van een ontspannen openbaar gebied. Dat is opmerkelijk. Want in de geschiedenis van de Nederlandse stedenbouw heeft het woonerf geen gunstige naam, althans niet bij architecten. Bewoners zelf lopen weg met de formule.

Wie woonerf zegt, denkt aan de jaren zeventig. Die ziet onmiddellijk een blauw verkeersbord met een spelend kind voor zich, maximumsnelheid 15 kilometer. Stapvoets rijdend hobbelt de auto over verkeersrichels door een gekmakend parcours, waarin het zaak is de bielzen plantenbakken en houten schuttingen te ontwijken. Alsof je in een game bent verzeild, die zo vanuit je Nintendo in real life is beland.

In feite is dit type woonerf, gerealiseerd in satellietsteden als Nieuwegein en Zoetermeer, een afgeleide van de pure variant. Die heeft gestalte gekregen in de wijken Angelslo en Emmerhout te Emmen. De humane architectuur was komen overwaaien uit Zweden en Finland, waar decennia daarvoor al was geëxperimenteerd met een strenge scheiding tussen (geautomatiseerd) verkeer, werken en wonen. In dergelijke groene wijken moest en zou de arbeider tot rust komen. Dat deze filosofie uitgerekend in Emmen in praktijk is gebracht, is niet geheel verwonderlijk. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen hier veel arbeiders te werken bij Akzo (toen nog AKU), de metaalindustrie, en de nabije oliewinning.

Het lokmiddel was wonen in het groen – en daar beschikt Emmen ruimschoots over. Wie na veertig jaar Emmerhout probeert te doorgronden, moet zich als het ware een weg banen door bos en beemd om uit te komen bij eenvormige rijtjeswoningen met platte daken. Rietveld, maar dan wat armzaliger. Er is de afgelopen jaren op een bewonderenswaardige manier werk gemaakt van wijkverbetering, van sloop en kwaliteitsverhoging. Dat moest ook wel, want de aantrekkingskracht van Emmen op de werkende mens is weggeëbd.

De kritiek op het klassieke en afgeleide woonerf is dat een buitenstaander horendol werd van het doolhof waarin zich ergens de bewoner moest bevinden. Men moet de auto op een centrale plaats achterlaten om vervolgens te voet naar het adres verder te gaan. Ik weet niet wat er sinds 1970 is gebeurd, maar kennelijk is de mens luier geworden en wil hij voor de deur worden afgezet. De architectuur is doorgaans uniform en anoniem. Een ander bezwaar is de sociale (on)veiligheid. Fietsers en voetgangers nemen in Emmerhout een parcours door het bos, behoorlijk ver verwijderd van doorgaande autowegen. Wederzijdse controle, een belangrijk preventiemiddel, is daardoor uitgesloten.

En dan de woningen zelf. De gelukkige die eenmaal de woning heeft bereikt komt vanuit de parkeerplaats uit bij de achterdeur. De voordeur bevindt zich immers aan het openbaar groen, aan een – in Emmen – geasfalteerd paadje. De bijkeuken: dat is nou niet bepaald de gedroomde binnenkomer.

Wat het openbaar groen betreft: sinds 1970 ging het bergafwaarts met gemeentelijk onderhoud en investeringen in park en plantsoenen. Logisch dus dat gaandeweg het woonerf als een last werd beschouwd en dat gemeenten ertoe zijn overgegaan gronden aan particulieren te verkopen. Die kunnen vervolgens hun gang gaan. Weg is het ideaal van gemeenschapszin, maar dat was in de voorstad van de jaren tachtig en negentig toch al aan erosie onderhevig. Lelystad, in feite één groot woonerf, is door een niet nader te noemen schrijver uitputtend beschreven als een mislukt samenlevingsexperiment.

HOE KOMT HET dat het stedenbouwkundig principe dan toch, zij het in aangepaste vorm, herleeft? Dat komt voor een groot deel door een boosdoener, de auto. Of liever gezegd, twee of meer auto’s. Was de archetypische straat van na de oorlog nog een overzichtelijk, want vrij leeg parcours, dertig jaar later wordt het zicht op de woningen en tuinen ontnomen door staal aan weerszijden. Verdwenen is het aantrekkelijke uitzicht vanuit de woonkamer – tenzij je een verknochte autoliefhebber bent. In de Vinex-wijken hielden gemeenten aanvankelijk nog een norm aan van 1,2 auto per huishouden, een gemiddelde dat al snel is opgeschroefd naar twee of meer. Stedenbouwkundigen moesten dus wel een list verzinnen voor dit probleem. Carports volstonden niet langer.

Bovendien conflicteert dat aan- en uitrijdende verkeer met spelende kinderen. In die zin is er sinds de jaren zeventig niets veranderd. Desondanks hebben stedenbouwkundigen halverwege de jaren negentig geprobeerd de straat en het plein opnieuw te ontwerpen, in de Almeerse buurt Tussen de Vaarten en ook in de gerenoveerde delen van Amsterdam Bijlmermeer. Het heeft niet overal een gelukkig beeld opgeleverd, opnieuw vanwege de enorme parkeerbelasting. Het woonerf biedt klaarblijkelijk een alternatief. Een van de meest geslaagde voorbeelden is Sveaparken in Schiedam, ontworpen door de inmiddels overleden architect Ralph Erskine. We zien schelpenpaadjes, meanderende waterpartijen en vriendelijke houten huizen die – anders dan in Zweden, waar de wijk op geënt is – tamelijk dicht op elkaar staan. Men mist een grote tuin. Wat men deelt is het openbaar gebied. Daar is ’s winters de koek en zopie en ’s zomers de barbecue. De bewoners kunnen de auto soms voor de woning stallen, op een oprit, soms in een gemeenschappelijke ondergrondse berging en soms in een parkeerhaven. Rustige, organisch ogende straten zijn het resultaat. Anders dan in het oldskool-woonerf is het mogelijk de boodschappen thuis af te leveren per auto, wel zo comfortabel.

In tegenstelling tot de jaren zeventig zien deze wijken er allesbehalve uniform uit. Dat is een belangrijk winstpunt, want herkenbaarheid is hierdoor gewaarborgd.

Maar het is niet overal hoera. Toen ik enkele jaren terug de net geopende wijk De Eilanden in Ypenburg, Den Haag, bezocht, had ik medelijden met het dictaat van gescheiden verkeersstromen. De bewoners moesten hun auto(’s) persen op een klein parkeerterreintje en dan honderd meter of meer met hun spullen naar de woning sjouwen. Architectenbureau MVRDV had fraaie kleurrijke woningen ontworpen, maar die stonden dicht op elkaar en betekenden een aanslag op de privacy. Het openbaar groen en het water was minimaal. Zo komen we aan de kern van een geslaagd woonerf: dat moet royaal en gul zijn, overzichtelijke afstanden bieden tussen portier en voordeur, en een strikte scheiding tussen openbaar en privé. Want het commune-idee van de jaren zeventig is wel voorbij, tenzij je allemaal – zie de Almeerse Buitenkans – een antroposofische levensstijl nastreeft.

En er dagen nieuwe, interessante perspectieven. Sommige architectenbureaus hebben al industrieel ontwerpers in de arm genomen om van de (gedeelde) parkeerplaats een intelligente hotspot te maken. Daar kun je ’s avonds je elektrische auto opladen, een experiment dat in Rijswijk-Zuid wordt uitgeprobeerd. Er wordt gedacht aan centrale afleverplaatsen voor de per internet bestelde goederen. Want de bezorgservice van Albert reikt niet voorbij het schelpenpaadje. Dat blijft zo.