Domweg gelukkig in New York

Marja Pruis leest altijd meer dan ze kan of wil bespreken. Hier doet ze verslag van haar bevindingen en overwegingen bij de boeken die ze leest. Deze week: Going Into Town: A Love Letter to New York van Roz Chast.

Nu we niet meer naar de films van Woody Allen mogen kijken om ons heimwee naar New York te stillen, kunnen we ons des te verheugder storten op het nieuwe boek van Roz Chast. Boek ja, van iemand die over het algemeen op de vierkante millimeter werkt in cartoons voor The New Yorker, maar eens in de zoveel tijd eruit knalt met epische graphic memoirs, zoals het twee jaar geleden verschenen hartbrekende Can’t We Talk about Something More Pleasant? dat ook in het Nederlands verscheen. Toen die vertaling uitkwam ging ik haar samen met mijn dochter opzoeken in Connecticut, en die ontmoeting, en alles eromheen, behoort tot de gelukkigste herinneringen van mijn leven.

Zij haalde ons op van het station, en al rijdende door de glooiende velden met de enorme huizen, met vlag in de voortuin, vertelde ze hoezeer ze een ‘citygirl’ was, en dat ze nu net tot haar grote blijdschap een appartement in Manhattan had weten te bemachtigen met haar zelfverdiende centen. Ook repte ze toen al van de liefdesbrief die ze aan New York aan het schrijven/tekenen was.

En nu ligt het er dus, Going Into Town: A Love Letter to New York, en het is heerlijk, prachtig, grappig, lief. In feite begon het allemaal, zoals ze in hoofdstuk 1 beschrijft, ‘Let’s Start Here’, met een klein boekje dat ze maakte voor haar dochter Nina die het ouderlijk huis in suburbia verliet om te gaan studeren in Manhattan. O help, dacht de immer neurotische Chast. Hoe kan deze voorsteedse bloem overleven in de Big City? Hoe vindt ze haar weg? Hoe krijg ik haar ogen geopend voor alles waarvan ik hou? Die twee kanten, de angst en de liefde, spatten van iedere bladzijde, volgetekend met angstige vrouwtjes en mysterieuze gebouwen. Ook heel handig voor buitenlanders als ik, die zelfs het mathematische stratenplan van Manhattan nooit helemaal hebben weten te doorgronden. De bezorgde moeder legt alles heel grafisch uit, en geeft en passant ook nog tips hoe je je dient te gedragen in de metro (stap bijvoorbeeld niet in het rustigste treinstel, daar doet de airco of de verwarming het niet, zit een gek of ligt een lijk), hoe je een taxi moet aanhouden en welke musea je beslist moet bezoeken. Tekst en beeld gaan een symbiotische relatie aan bij Chast, ieder woord en iedere lijn zijn bezield met spot en ernst. Over The Metropolitan Museum of Art (‘The Met’) schrijft ze dat je er nooit alles gezien kunt hebben, en er telkens opnieuw naartoe kunt. ‘In that way, the Met is like a microcosm of New York itself. There is a sense of the infinite.

Die fascinatie voor New York… Ik vind het bijzonder dat zelfs als je er geboren en getogen bent je zo gevangen kunt blijven door je eigen stad. Aan de andere kant ken ik dit maar al te goed van Amsterdammers, en van mezelf. Tot de mooiste pagina’s in dit boek behoren de instructies waarmee Chast je naar de ‘stores of mystery’ laat kijken waarvan het wemelt in Manhattan, de winkeltjes volgetast met knopen, typemachines, kerstversieringen, en waarvan je alleen maar mag hopen dat die het eeuwige leven beschoren zijn.

Ha! Daar ga ik dus in de fout. De sentimentaliteit van Chast is New Yorks, en dus per definitie niet nostalgisch maar grootsteeds. Een echte stad verandert de hele tijd. Op de laatste pagina’s gaat ze hier op in, bijvoorbeeld dat ze niet in ontsteltenis probeert te geraken als een favoriet restaurant of lievelingsboekwinkel sluit. Leven is veranderen, en leven in New York is ‘definitely change’. Ook na 9/11, om maar wat te noemen. ‘We’re a target for seekers and dreamers and also nuts. We live here anyway.’ De slotpagina bewaart ze voor een oud zwart-witfotootje van haar en haar moeder, op straat. Domweg gelukkig, in a way.