Essay over kennis, kapitaal en domme arbeid

Domweg verdrongen in de kennismaatschappij

In de kenniseconomie dient zich nieuwe schaarste aan: aan hersens. De vraag neemt toe, de voorraad is eindig. Het met veel bombarie geïnstalleerde Innovatieplatform heeft vooral belangstelling voor de top, de universiteit. Maar het werkelijke probleem ligt aan de basis, het vmbo.

Alle berichten over de kenniseconomie hebben meestal een verontruste ondertoon. Algemeen wordt verondersteld dat «we» — Nederland, Europa — «achterlopen», met name op de Verenigde Staten. De Europese Commissie heeft enkele jaren geleden haar «Lissabon-strategie» geformuleerd, met als ambitieuze doelstelling dat de EU in 2010 een positie moet verwerven als de meest dynamische en innovatieve economie in de wereld. De eerste geluiden beginnen echter al te circuleren dat deze doelstelling onhaalbaar is.

Europa als tweederangs economie? Maar volgens welke maatstaf dan? Is de «kenniseconomie» echt iets nieuws, of is het zo’n modieus begrip dat komt en gaat?

De aard van de dominante productie is de maatstaf. Conform dat criterium werden de Middeleeuwen gekenmerkt door een agrarische economie en de negentiende eeuw door een industriële economie. De vraag is of we nu inderdaad een volgende fase in de economische evolutie doormaken, vergelijkbaar met de overgang van de agrarische naar de industriële economie.

Het essentiële kenmerk van de kenniseconomie is de kennisintensiteit van de productie. Naarmate de producten om ons heen abstracter worden, krijgt de kenniscomponent de overhand op de materie. Software bestaat geheel uit toegepaste kennis. In de hardware, de computer zelf, is de waarde van de daarin verwerkte materialen verwaarloosbaar in vergelijking met de waarde van de kennis die erin ligt opgeslagen. Als steeds meer kennis wordt toegevoegd aan een eindige hoeveelheid materie neemt de toegevoegde waarde toe.

Deze toegevoegde waarde is de basis van de productivi teit, die de maatschappelijke welvaart bepaalt. Daarom zien we zo veel fabrieken verdwijnen naar Oost-Europa of China. Het West-Europese loonpeil komt niet meer overeen met de lage toegevoegde waarde die ontstaat uit productie met een lage kennisintensiteit.

In wat we nog steeds de «geïndustrialiseerde landen» noemen, verdienen steeds minder mensen hun brood met het «maken» van dingen en steeds meer met kenniswerk: het verwerken van informatie en het toepassen van kennis. Slechts een klein deel van hen produceert nieuwe kennis op de universiteiten en in de researchlaboratoria. Een groter deel bestaat uit hoog opgeleide specialisten die abstracte kennis toepassen: artsen, advocaten, leraren. Maar de grootste en snelst groeiende groep werkt niet met abstracte maar met praktisch toepasbare kennis. Dat zijn de laboranten, röntgentechnici en OK-verpleegkundigen in de gezondheidszorg, de monteurs van computersystemen of telefooninstallaties, de desktop publishers (DTP-opmakers) bij uitgeverijen en legio andere beroepen. Samen vormen al deze kenniswerkers inmiddels de grootste beroepscategorie, in omvang vergelijkbaar met de fabrieksarbeiders in de jaren vijftig.

Naar die maatstaf gemeten leven we nu in een kennis economie.

Deze kennisintensieve productie zal ons werk drastisch veranderen. Alle arbeid bestaat uit een combinatie van denken en doen. In een industrieel productieproces kunnen die twee worden gescheiden. Dat is gebeurd met de opkomst van de massa productie aan het begin van de twintigste eeuw. Het werk aan de lopende band is het meest aansprekende voorbeeld: het is volledig geprogrammeerd, zoals een computer is geprogrammeerd, en alle denkwerk is eruit verwijderd. Het denkwerk is het «eigendom» van het management, dat aan dit monopolie zijn machtspositie ontleent. In zo’n industriële economie valt de kennishiërarchie — niet alleen in de industrie maar ook in grote delen van de dienstensector — samen met de formele hiërarchie: de baas beschikt over de meeste kennis.

In een kennisintensieve economie is kennis daarentegen een productiefactor op zichzelf geworden die niet meer kan worden afgescheiden van «iets». Het toepassen van kennis is het werk zelf. Kenniswerk kan niet worden «geprogrammeerd» zoals industriële productie. De kenniswerker moet «zichzelf programmeren». Akio Morita, de medeoprichter van Sony, heeft eens gezegd: «Ik kan tegen een fabrieks arbeider zeggen dat hij precies om zeven uur moet gaan produceren. Maar ik kan een productontwikkelaar of een ingenieur niet zeggen dat hij om zeven uur een creatief idee moet krijgen.»

In een kenniseconomie gaan de oude machtsverhoudingen van bevel en controle daarom steeds minder op. De kennishiërarchie valt volstrekt niet meer samen met de formele hiërarchie. De slimme hersens zitten in de organisatie namelijk aan de voet van de piramide.

Vanouds is het tastbare eigendom van de productiemiddelen — grond in een agrarische economie, gebouwen en machines in een industriële economie — bepalend geweest voor de economische machtsverhoudingen. Kennis als zelfstandig productiemiddel vormt echter een «menselijk kapitaal» dat het bezit is van degenen die ermee werken. Een onderneming kan de hersens van haar kenniswerkers niet bezitten, zoals zij fysieke productiemiddelen bezit, maar slechts huren. ’s Middags om vijf uur loopt het kenniskapitaal de poort uit. Machines blijven staan. In de kenniseconomie zijn de kenniswerkers de collectieve eigenaren van het belangrijkste productiemiddel. Dat had Marx niet kunnen bedenken.

Maar economische machts verhoudingen blijven uiteindelijk wel gebaseerd op schaarste. Het knelpunt van de industriële economie was het gebrek aan financieel kapitaal. Vandaar de nadruk die in dat tijdperk werd gelegd op efficiency: de meest schaarse productie factor moest zo doelmatig mogelijk worden aangewend. In de huidige economie is kapitaal in overvloed aanwezig. Er is zelfs een wanverhouding ontstaan tussen de hoeveelheid financieel kapitaal in de wereld — met regelmatig terugkerende monetaire crises als gevolg — en de hoeveelheid productief kapitaal. Wat nu echt schaars is, zijn hersens: de vraag neemt steeds maar toe en de voorraad is eindig. «Kenniskapitaal» kan immers niet worden verkregen door vererving. In het geval van materiële bezittingen kunnen machtsposities van generatie op generatie worden opgebouwd en gehandhaafd. In een economie die is gebaseerd op kenniswerk moet elke generatie opnieuw haar eigen productieve capaciteiten opbouwen. De toegangspoort daartoe is het vrije en voor iedereen toegankelijke onderwijs.

In die zin maken we echt een transformatie door naar een nieuw type economie. Dat proces uit zich niet alleen in de toegang tot de productiemiddelen, mits de gelijkheid van kansen in het onderwijs gegarandeerd is, maar ook in de manier waarop wij werken, omdat de top-down-besturing van kennisintensieve productievormen achterhaald raakt.

De maatschappelijke gelijkheid zou in een kenniseconomie dan ook veel groter moeten zijn dan in een industriële economie, althans in theorie. Maar dat is niet wat we zien. De ongelijkheid lijkt juist groter te worden in plaats van kleiner. De oorzaak ligt in de aard van het productiesysteem.

In de industriële economie is de fysieke productie «gestold» in materie en daarmee voor langere tijd onwrikbaar. Daarmee ligt de organisatievorm, de bureaucratische structuur, ook vast. Dat systeem is gebaseerd op het principe van standaardisering: meer van hetzelfde. Een volstrekt voorspelbaar productiesysteem vereist volstrekt voorspelbaar menselijk gedrag. Ieders taak is vooraf minutieus vastgelegd. Dat schept zekerheid in het werk en uitgestippelde loopbaanperspectieven.

In een kenniseconomie is het eindproduct echter informatie. Informatiestromen zijn vluchtig en daarmee vervluchtigt ook de inhoud van arbeidstaken, die bouwstenen van de productiestructuren van de industriële economie. Het organisatiemodel van de nieuwe economie zijn de mondiale netwerken, samenstelsels van knooppunten die open structuren vormen, die zich onbegrensd kunnen uitbreiden en op elk moment kunnen worden geherfigureerd. Daarbinnen wordt het arbeidsproces steeds verder geïndividualiseerd. In de nieuwe arbeidsverdeling vindt een voortdurende herschikking plaats op basis van de eigenschappen en capaciteiten van elke individuele werknemer. Alles is tijdelijk geworden. De taakinhoud of functie biedt geen houvast meer. Daarom wordt de huidige werknemer geacht «de manager van zijn eigen loopbaan» te zijn.

De lat wordt zo steeds hoger gelegd. De grondlegger van de industriële massaproductie, Henry Ford, bouwde volstrekt identieke T-Fords. «Leverbaar in elke kleur, zolang het maar zwart is», in zijn eigen woorden. De huidige autofabriek wordt niet meer bestuurd door mechanische technologie — de lopende band — maar door informatiestromen. De productielijn is onderdeel van een geïntegreerd netwerk dat de showroom van de autodealer verbindt met de toe leveranciers en de eindmontage in de fabriek. Elke auto wordt samengesteld naar de specificaties van de klant: kleur, wel of geen schuifdak, type motor.

Dat vereist massaproductie per enkel stuk. En volstrekte flexibiliteit. Deze eisen trekken een zware wissel op het aanpassingsvermogen van de werknemers. Tot twintig jaar geleden was iedere ongeschoolde arbeider welkom. Hersens werden immers toch niet gebruikt aan de lopende band. Nu is een afgeronde vakopleiding op lbo-niveau al een minimum vereiste om simpel montagewerk te mogen verrichten. Voor vijftien procent van de beroepsbevolking is er geen werk meer aan de montageband.

Die ontwikkeling voltrekt zich van laag tot hoog en door de hele economie. Een paar voorbeelden. Het productieproces in een bierbrouwerij is inmiddels volledig geautomatiseerd. Bij gevolg geldt daar een mbo-diploma als het minimum. Dat betekent dat dertig procent van de beroepsbevolking te weinig opleiding heeft om bier te brouwen. Het callcenter is een voorbeeld van een industrieel model, toegepast in de dienstensector. Het werk is er routinematig van aard, met korte tijdsintervallen. Een gemiddeld telefoongesprek duurt drie minuten. Maar het callcenter werft personeel beduidend boven de bodem van de arbeidsmarkt. Het liefst trekt het medewerkers aan met een mbo-opleiding. Studenten zijn ook welkom: slimme hersens voor weinig meer dan het minimumloon. En bij sommige banken liggen al scenario’s klaar om alleen nog maar hbo’ers aan te nemen.

Zo treedt een omvangrijke verdringing op. Circa twintig procent van de academici werkt al «onder zijn niveau», dat wil zeggen in een functie die een lagere kwalificatie vereist dan overeenkomt met hun opleidingsniveau. Zij verdringen de hbo’ers, die op hun beurt de mbo’ers verdringen. Dat gaat door tot aan de onderkant van de beroepspiramide, waar mensen niemand meer kunnen wegdrukken en dus zelf worden weggedrukt: voorgoed. Deze structurele uitstoot uit het arbeidsbestel bedraagt ongeveer achttien procent van de beroepsbevolking. De kenniseconomie betekent dus óók een steeds scherpere concurrentie tussen de werkende mensen onderling.

In Nederland is de maatschappelijke discussie over de kenniseconomie pas onlangs op gang gekomen met de instelling van het Innovatieplatform (waarvan we overigens nog weinig concreets hebben vernomen). Algemeen wordt aangenomen dat ons land een achterstand heeft. «Nederland heeft alles in huis om werk te kunnen maken van de kenniseconomie, maar alle indicatoren over de kennis economie wijzen naar beneden», aldus het ministerie van Economische Zaken in zijn Innovatiebrief.

Maar aan de top van de kenniseconomie, in het fundamentele onderzoek aan de universiteiten en in de researchlaboratoria, draaien we volop mee, zo blijkt uit een recente benchmarkstudie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de economische denktank van de rijke landen. Gemeten naar de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling (r&d) als percentage van het nationaal inkomen staat Nederland op de elfde plaats in de wereld. In absolute aantallen patenten aangemeld bij het Europese octrooibureau Epo scoort Nederland een zevende plaats. In aantallen wetenschappelijk onderzoekers bezet Nederland, naar rato van de totale bevolking, daarentegen een relatief lage plaats: de zestiende. Maar in omvang van wetenschappelijke publicaties, een maatstaf voor de universitaire «productie», staat Nederland weer vijfde.

Hoezo achterstand? Nederland is al een kennisland. Nog wel! Want op termijn zijn de vooruitzichten minder rooskleurig. Op de universiteiten omdat het een kwestie van tijd zal zijn voordat ook daar het effect van de jarenlange bezuinigingen merkbaar zal worden. En in de researchlaboratoria omdat de productontwikkeling (r&d) er een smalle basis heeft.

Ten eerste de academische wereld. De VSNU, de universitaire koepelorganisatie, publiceerde enige tijd geleden enkele onthullende indexcijfers, uitgaande van het jaar 1981 als 100. Het nationaal inkomen steeg in de periode 1981-1999 tot een niveau van 230. De uitgaven voor veiligheid en zorg stegen respectievelijk tot 229 en 265. De begroting voor het wetenschappelijk onderwijs daalde in hetzelfde tijdvak tot een peil van 69.

Ten tweede het bedrijfsleven. Zeven ondernemingen nemen tezamen de helft van alle r&d-uitgaven in ons land voor hun rekening, waarvan één (Philips) ruim twintig procent. Deze beperkte onderzoekscapaciteit heeft alles te maken met de voortgaande ontmanteling van de industrie in Nederland, die uiteindelijk ook het kennispotentieel zal aantasten.

In elk product zitten twee soorten kennis verscholen: de ontwerpkennis, het bedenken van het product, en de knowhow, de beheersing van het transformatieproces van grondstof tot eindproduct. Tussen beide bestaat een nauwe samenhang. Zo bestond in de eerste fase van de halfgeleiderindustrie — de productie van elektromechanische componenten in de jaren vijftig en zestig — tachtig procent van het personeelsbestand uit geschoolde arbeiders. Ongeschoolden vormden acht procent en ingenieurs twaalf procent. In die pioniersfase was de productie geheel afhankelijk van het vakmanschap op de werkvloer. In de derde fase — de productie van grote geïntegreerde schakelingen — was de verhouding 35-35-30 geworden. Toen het laaggeschoolde werk zo’n substantiële omvang had gekregen, begon de verplaatsing van de halfgeleiderindustrie naar Azië.

Nu is er nog maar één halfgeleiderfabriek in Europa. Een manager van deze productielocatie zei ooit: «Wij maken de snelst schakelende diodes ter wereld. De vraag neemt toe, maar specialities worden ooit massaproducten en dan moet je nieuwe producten op de plank hebben liggen. De fabriek is niet te redden zonder productontwikkeling. Misschien kan de marketing nog ergens anders plaats vinden, maar de ontwikkeling niet.»

De fabriek en het laboratorium horen namelijk bij elkaar. Als de knowhow wordt verplaatst volgt de ontwerpkennis op termijn ook. In China staan 363.000 afgestudeerden in de technische en bètawetenschappen klaar. Eind jaren tachtig waren dat er nog maar 146.000.

Waartoe dat uiteindelijk leidt, heeft Philips anderhalf jaar geleden al in het vooruitzicht gesteld. De chief technology officer van het elektronicaconcern meldde in Het Finan cieele Dagblad (15 oktober 2002) dat Philips steeds meer r&d-activiteiten naar het buitenland zal verplaatsen: «Het is best denkbaar dat er over vijftien jaar niets meer is in Nederland. En als het eenmaal weg is, komt het nooit meer terug.»

Als het kenniswerk in de industrie afkalft, houden we alleen de diensteneconomie over. We beschikken over een omvangrijke financiële sector waaraan we onze status danken van een van de meest geglobaliseerde landen in de wereld. In Rotterdam is bijvoorbeeld een omvangrijke «advocatuur in het natte werk», die alle juridische aspecten van de transport- en logistieke sector behandelt. Dat is ook kenniswerk.

Maar lang niet elke vorm van dienstverlening is kennis intensief. De diensteneconomie omvat ook veel arbeid waarvan de toegevoegde waarde (productiviteit) nauwelijks kan worden verhoogd. Dat werk is vaak laag gekwalificeerd. In de thuiszorg bijvoorbeeld zijn er geen methodes waar door het wassen van een patiënt volgend jaar x procent minder tijd kost. Het is het soort werk dat niet kan worden geautomatiseerd. Het kan ook niet worden verplaatst naar een lagelonenland. Een onderneming zou zo’n onrendabele activiteit staken. De samenleving kan het niet missen. Vandaar dat het meestal plaatsvindt in de overheidssector.

De globalisering tast niettemin ook de dienstverlenende werkgelegenheid aan. Bij Philips is een reorganisatie gaande waarbij de financiële en personeelsadministratie plus de inkoop worden overgebracht naar Polen. Veel goedkoper en toch niet al te ver weg. ABN Amro zoekt het verder van huis en heeft al duizenden administratieve functies verplaatst naar India. Shell verschuift honderden banen in de automatisering naar Azië.

Bovendien is, in vergelijking met de industrie, het innovatieve vermogen van de dienstensector uiteindelijk beperkt. Er is een grens aan het aantal financiële producten dat je kunt bedenken, terwijl de behoefte aan industriële gadgets onbeperkt lijkt. Nog belangrijker is dat dienst verlening, naar haar aard, dicht bij de klant moet worden uitgevoerd. De meeste corporate bankers die ABN Amro in dienst heeft, werken niet in Amsterdam, maar in Londen of New York.

Als we ons welvaartspeil — en niet te vergeten de sociale infrastructuur van onze verzorgingsstaat — willen hand haven, is de echte vraag of Nederland over de hele breedte van de economie wel voldoende hoogwaardig kenniswerk produceert.

Het «innovatiedebat» richt zich eenzijdig op de keuze van veelbelovende wetenschappelijke en technologische doorbraken. Maar de kenniseconomie is veel breder dan wat zich afspeelt in researchinstituten en op universiteiten.

Het gaat er niet in de eerste plaats om of we voldoende kennis omzetten in patenten, maar of we zo veel mogelijk mensen mee krijgen in het kennisintensieve werk van de toekomst. Het knelpunt van de kenniseconomie ligt dus eerder in het vmbo dan op de universiteit.