Don quichot in het wilde westen

Een dommige boekhouder en een belezen indiaan. Met deze twee personages maakte Jim Jarmusch een western ‘to end all westerns’.
SINDS IK MIJN klapperpistooltje aan de wilgen heb gehangen, is mijn belangstelling voor cowboys en Indianen sterk getaand. Westerns bekijk ik zelden. Maar zie: een van de aardigste films die ik de laatste tijd zag, speelde in dat legendarische Wilde Westen.

Dead Man, de laatste film van Jim Jarmusch, is het verhaal van Bill Blake: een jongeman die een betrekking als boekhouder heeft gevonden bij een metaalwarenfabriek, ergens in dat verre Westen, aan het eindpunt van de spoorlijn. Met zijn aanstellingsbrief op zak reist Bill erheen, om ter plaatse te ontdekken dat hij naar zijn betrekking kan fluiten.
Hij belandt in het bed van Thell en raakt betrokken in een schietpartij als haar ex-minnaar opduikt: zij wordt doodgeschoten, Bill schiet op zijn beurt de moordenaar dood en krijgt zelf ook een kogel in de borst. Maar hij weet te vluchten.
Bewusteloos wordt hij aangetroffen door een alleen rondtrekkende Indiaan, die zich over hem ontfermt. De rest van de film vertelt het verhaal van hun tocht door de wildernis, achtervolgd door een drietal huurmoordenaars die later ook nog concurrentie krijgen van twee gerechtsdienaren. Uiteindelijk bereiken ze Indiaans territorium, waar Bill, die intussen nog eens door een schot is getroffen, stervend in een kano de grote reis aanvaardt naar het ‘Land van de Geesten’.
Nu is het parodiëren van de western, met zijn romantiek van ruige revolverhelden, natuurlijk een koud kunstje. En Jarmusch is zeker niet de eerste die dat doet. Maar het verhaal van Dead Man is niet alleen maar parodie. Het stijgt er bovenuit, zoals eertijds Cervantes met zijn Dolende Ridder ook boven de parodie op de ridderroman uitsteeg: Jarmusch laat de mythe van het Wilde Westen zien als een soort parabel over de dood. De boekhouder Bill Blake wordt in meer dan één zin naar de andere wereld geholpen. Zijn tocht is een initiatie, niet alleen in het rijk van de dood, maar ook in de wereld van de Indianen, waar de dood een heel andere betekenis blijkt te hebben.
DE MOOISTE VONDST van de film is waarschijnlijk de rol die het werk van de Engelse dichter William Blake erin speelt. Als de Indiaan de gewonde boekhouder naar zijn naam vraagt en hoort dat hij William Blake heet, toont hij zich zeer verrast en houdt hem voor een reïncarnatie van de Engelse poëet.
Een door het woud zwervende Indiaan die het werk van William Blake kent - dat is, zacht gezegd, nogal onwaarschijnlijk (al wordt het gerechtvaardigd door zijn bizarre levensverhaal). Maar dat doet er weinig toe: het verhaal heeft geen realistische pretenties, en als je ziet hoe dit gegeven wordt benut, en hoe het eigenlijk de hele film draagt, besef je weer eens dat een beetje fantasie nog altijd het beste special effect is.
De vondst om een 'wilde’ te laten dwepen met het werk van juist deze dichter werkt in elk geval bijzonder goed. Te meer omdat zijn tegenspeler, een bleke boekhouder, als vertegenwoordiger van de blanke beschaving absoluut geen weet heeft van de poëzie van zijn beroemde naamgenoot. Blake heeft trouwens nergens enig benul van. Hij begrijpt nauwelijks wat hem overkomt en is met niets anders bezig dan zich het vege lijf redden. Zijn verbazing en onbegrip worden prachtig gespeeld door een bijna slaapwandelende Johnny Depp. En de visionaire taal van Blake blijkt wonderwel te passen in de mond van Nobody, zoals de Indiaan zich noemt.
Door de hele film heen keren steeds beelden terug die de grote trek naar het Westen laten zien als een genadeloos oprukkende vernietigingsmachine. Dat begint al in de openingsscène, de treinreis naar het stadje Machine (nomen est omen): we zien het publiek dat met de trein reist geleidelijk veranderen van brave burgers in een ruig zooitje ongeregeld: jagers die vanuit de trein op buffels schieten. En ook het landschap buiten wordt steeds woester en desolater en bevat de sporen van toenemende destructie: een kapotte huifkar, een paar onttakelde wigwams.
De stoker van de trein die een gesprek met Bill aanknoopt, waarschuwt hem dat hij op weg is naar de hel. En dat hij er verkeerd aan doet te vertrouwen op woorden op een papiertje (zijn aanstellingsbrief). Die stoker met zijn zwartgeblakerde gezicht weet waar hij het over heeft: we hebben eerder gezien hoe hij houtblokken wierp in het helse vuur dat de locomotief gaande houdt. En zo verandert dat beeld met terugwerkende kracht in een ziedend symbool van de Vooruitgang.
In het Wilde Westen betekenen woorden op papier inderdaad niets, zoals Bill al meteen ondervindt. Daar wordt uitsluitend gecommuniceerd met vuurwapens: toppunt van welsprekendheid is de vinger aan de trekker. En ook onze boekhouder leert die taal noodgedwongen al snel spreken. Als hij in het bos de twee marshals tegen het lijf loopt en op hun vraag of hij William Blake is, bevestigend antwoordt, stelt hij in één moeite door de wedervraag: 'Do you know my poetry?’ - en knalt ze neer.
In de missiepost - voorpost van de blanke beschaving - blijkt voornamelijk munitie verkocht te worden, en wanneer het tweetal de missiepost verlaat, zien we boven de deur de opwekkende spreuk 'Work out your own Salvation’: dat zegt genoeg.
De enige die humaan gedrag vertoont en voor wie woorden op papier nog wèl iets betekenen, is de Indiaan Nobody. Maar hij vertegenwoordigt niet het politiek correcte cliché van de zuivere, Goede Indiaan tegenover de gecorrumpeerde, Slechte Blanke. Ook Nobody is een eenling, door zijn eigen volk verstoten. Zijn wijsheden - curieus mengsel van Indiaans geestengeloof en blakiaanse profetie - hebben inderdaad iets donquichotterigs, vooral door het onnavolgbare aplomb waarmee hij ze brengt. (Zijn eigenlijke naam blijkt Xebeche te zijn: 'Hij die veel spreekt, maar weinig zegt’.)
De tocht van Blake door het Wilde Westen blijkt inderdaad een tocht door de hel. 'Drive your cart and plow over the bones of the dead’ zegt Nobody opgewekt tegen Blake. En in zijn mond, in deze context, klinkt dit citaat uit de beroemde Proverbs of Hell als een staaltje galgenhumor waarmee terloops aan de uitroeiing van de Indianen wordt herinnerd.
ALLE BLAKE-citaten vallen in deze film op een ironische manier op hun plek. Maar je hoeft het werk van Blake niet te kennen om te genieten van de manier waarop Jarmusch het gebruikt: het lijkt bijna of zijn woorden voor deze film zijn geschreven, en dat had zelfs de dichter van America, a Prophecy niet kunnen voorspellen.
Dead Man is een laconiek sprookje waarin niet alleen de cultus van het geweld flink op de hak wordt genomen, maar ook de 'Indiaanse wijsheid’ geestig wordt gerelativeerd. Blake is een 'dead man’ vanaf het moment waarop hij de taal van het geweld leert spreken. Hij is ten dode opgeschreven en het is een indiaan die Blake de weg wijst naar het land van de dood (dat is traditioneel het Westen, waar de zon ondergaat). Maar die Indiaan wordt tegelijk neergezet als een soort Don Quichot die zijn wijsheid ontleent aan een Engelse dichter.
Ja, Gary Farmer als de Indiaan Nobody is de vleesgeworden ironie. Net als Don Quichot wordt hij gedreven door een even nobel als bespottelijk idee: hij ziet een boekhouder aan voor een visionaire dichter en beschouwt het als zijn missie om hem terug te brengen naar het 'Land van de Geesten’. Voor Nobody is de dood de geestenwereld, die hij herkend heeft in de poëzie van Blake en waarmee hij in contact treedt via het 'godenvoedsel’ van de peotl, de geestverruimende paddestoel. En het lukt hem om de 'dichter’ daarheen te brengen: in de prachtige slotscène wordt Blake stervend in een kano de zee in geduwd. Eind goed al goed, zou je bijna zeggen, ware het niet dat Nobody daarbij op het allerlaatste moment ook zelf nog het loodje moet leggen.
Dead Man is een geestige en poëtische film. De parodie op het Wilde Westen mag af en toe wat melig zijn, maar het mengsel van humor en melancholie waarmee de twee hoofdfiguren worden getekend is grandioos. En dat de prachtige zwartwitbeelden worden ondersteund met simpele, maar sfeervolle gitaarmuziek van Neil Young, maakt het helemaal af: dit is, wat mij betreft, de western 'to end all westerns’.