Decamerone 2020

Don’t Love Again – I’m Tired

Terwijl de pest op de deur klopte, vertelden de Florentijnse jongeren van Giovanni Boccaccio elkaar sterke verhalen over verliefdheid, waanzin en bedrog om de verveling van hun quarantaine te doorbreken. Nu, zevenhonderd jaar later, kunnen we die traditie voortzetten. Verteller nummer één: Christiaan Weijts

Er was eens een hacker die het voorzien had op mijn Spotify Premium-account. Dat het lang duurde voordat ik dit doorhad, kwam doordat de scholen staakten. Ik deel dat account met mijn tienjarige zoon die bij mijn schoonmoeder logeerde vanwege die tweedaagse staking, die achteraf een voorproefje bleek van wat het later dit jaar van ouders vergde aan improvisatiekunst.

De zon scheen, die eerste stakingsdag. Ik wandelde over de brede, fraai gekromde Groot Hertoginnenlaan. Het gouden licht, dat kozijnen liet glinsteren, was ideaal voor de sonates van Domenico Scarlatti en mijn pas aangeschafte hoofdtelefoon met noise cancellation. Midden in een melancholisch menuet brak ineens, als onweer, een takkeherrie los. Toch glimlachte ik. Dat moest mijn zoon zijn. Ik stelde me hem voor, met zijn zusje, neefje en nichtjes in de weer. Ze waren van plan een escape room annex spookhuis te bouwen op zolder en dit was kennelijk de bijbehorende soundtrack. Ik wierp de koptelefoon af en vervolgde mijn weg, ongefilterd.

Later die middag bleek hij nog steeds, of alweer, met die herrie bezig. Toen er ook de volgende dag geen verandering kwam begon ik het pas eigenaardig te vinden, maar niet alarmerend. Totdat we deze conversatie hadden via WhatsApp:

Hij: ‘Papa luister je muziek?’
Ik: ‘Nee hoor jij kunt het gebruiken, of werkt het niet?’
Hij: ‘Ik kan geen muziek luisteren omdat het de hele tijd naar een ander liedje gaat.’

Juist. Dat was precies wat ik zelf ook had. Appen met je eigen kind is op zichzelf al iets nieuws en wonderlijks voor me, maar dit was echt vreemd: geloofde hij werkelijk dat ik vrijwillig naar zulke herrie zat te luisteren? Maar ditmaal was het niet langer die herrie. Ik klikte mijn Spotify open. Het waren zoetgevooisde pianoklanken, het soort dat je op stationspiano’s hoort. ‘Don’t Love Again I’m Tired’ heette het nummer, door ene Vladimir Mez Vedez. Wat ik ook probeerde, op welk apparaat ook, het schakelde steeds weer terug. Het was alsof ik met mijn onzichtbare hacker in gevecht was om de afstandsbediening, waarmee hij – ik stelde me er in eerste instantie een man bij voor – steeds weer terugschakelde naar die spookachtige albumhoes, waarop de letters dreigend loskwamen uit een achtergrond van mist: ‘Don’t Love Agan’. Zonder i.

Ik liet het maar even voor wat het was. Ik had andere dingen te doen. De open dag van een middelbare school bezoeken samen met mijn vrouw. In groep zeven schijn je je al te moeten oriënteren, en ongelukkigerwijs viel de open dag van een uitgekozen school samen met die schoolstaking, zodat we er zonder onze aanstaande brugklasser heengingen. In de tram gluurde ik even naar mijn Spotify. ‘Don’t Love Again I’m Tired’. Nog steeds. Nu stelde ik me er een eenzaam meisje uit Oezbekistan of Georgië of zo’n soort Eurovisiesongfestivalland bij voor, eenzaam met haar hoofd in haar kussen, ‘Don’t Love Again’ op volle sterkte in haar verlaten flatje.

‘Wat is dat?’

In die tram lichtte ik mijn vrouw in over de hack. Ik geloof dat zij wat hypochondrischer aangelegd is als het om technologie gaat. Haar eerste gedachten gingen uit naar een mogelijkheid waar ik nog helemaal niet bij stil had gestaan, maar die me ook ineens heel waarschijnlijk leek: dat het een gerichte aanval betrof. Geen Oezbekistaanse puber die handig was met internet, maar iemand die ik kende, iemand die mij kende, iemand die deze omslachtige weg had uitgekozen voor een pesterige boodschap: ‘Don’t Love Again I’m Tired’.

Nu pas dwong ik mezelf af te vragen wat dit kon betekenen. Bemin me niet nog eens, ik ben doodop. Wie wilde mij dit vertellen? Wie had ik in zo’n uitgeputte staat gebracht dat ze – het was nu definitief een zij – me via mijn Spotify smeekte om even bij te mogen komen? Geen flauw idee. De tijd van drama’s, intriges en nachtelijke telefoontjes en vrouwen die schreeuwend hun kleren bij elkaar graaien naast omwoelde bedden lag al geruime tijd achter mij.

Gewoonlijk zijn hackers anoniem. Sluipende indringers, onzichtbaar als virussen dringen ze je netwerken binnen, doorploegen je bestanden, plunderen je creditcard. Bij sommige gastlichamen blijft het onopgemerkt, anderen ervaren slechts milde klachten. Waarom is die kutcomputer zo traag? In de ergste gevallen kom je in een gijzelende houdgreep terecht en biedt alleen losgeld nog soelaas. Dit was anders. De hacker had weliswaar evenmin een gezicht, maar wel een profiel, een rudimentaire identiteit die zich alleen uitte via een muzieksmaak.

Uit nieuwsgierigheid naar dit fenomeen liet ik het een tijdje op z’n beloop. Het beeld van de muzieksmaak van mijn Georgische gijzelprinses werd gevarieerder en ook raadselachtiger, merkte ik al toen ik het tijdens de open dag steeds op mijn telefoon controleerde. Het verdriet van ‘Don’t Love Agan’ maakte plaats voor vrolijker liederen, die namen hadden in een schrift dat ik uiteindelijk identificeerde als Thais. Bij het nummer hoort een foto van een meisje in korte broek, dat met één schouder ontbloot weemoedig over een veld blauwe bloemen staart.

Hackers zijn sluipende indringers, onzichtbaar als virussen dringen ze je netwerk binnen

Ik kon haar wat suggesties aan de hand doen. Scarlatti was overduidelijk niet aan haar besteed, maar een lied van Ramses Shaffy – ‘Het is stil in Amsterdam’ – bleek ze uiteindelijk zelf bijna tot het einde te beluisteren. Ramses zou het weten te waarderen, clandestien gestreamd te worden in een kamertje van een smoezelig bordeel in Bangkok.

Op internet las ik dat Spotify-hacks vaker voorkomen. Voor weinig geld kon je een password op de zwarte markt kopen. Mijn hackster moest dus een heel arm meisje zijn, dat op versleten sandaaltjes door een stoffige vervallen boerderij liep, tussen magere kippen en met een bloem in haar haar als enige troost.

Moest ik dan niet overwegen om het gewoon maar zo te laten? Of moest ik upgraden naar het openen van een family account, opdat zij zo haar eigen muziekhoekje kon krijgen, een playlist waar ik af en toe eens door kon scrollen om te zien of ze er mentaal al beter aan toe was?

Ik zou haar suggesties aan de hand doen, maar er zou geen mogelijkheid zijn voor spraakoproepen of zelfs maar chatgesprekken. Ik zou met haar communiceren in de enige taal die geen vertaling nodig heeft.

Was dit de les? Dat wat op het eerste gezicht een kwaadaardig virus leek, mij bewust had gemaakt van het gegeven dat we allemaal met elkaar verbonden waren, dat je je – via muziek – kon bekommeren om een onbekende? Dat zou wat al te mooi zijn, maar het schemerde wel even in mijn bewustzijn.

‘Papa, luister je muziek uit Rusland?’‘Volgens mij zijn we gehackt.’
‘Echt? Cool!’
‘O, en deze muziek is Thais.’

Dat dit niet zo kon blijven realiseerde ik me na dit appgesprekje, dat plaatsvond in het restaurantje waar we voor na het schoolbezoek hadden gereserveerd. Een Thais tentje naast het Filmhuis. Toeval is logisch, sprak een Hollandse filosoof eens, maar griezelig was het wel. Het universum was nu wel zo erg aan het samenspannen en signalen aan het afgeven dat ik tussen het voor- en het hoofdgerecht maar deed wat ik meteen bij de eerste symptomen al had moeten doen. Mijn password wijzigen. Isolatie, totale lockdown.

Natuurlijk was het een omslachtig proces, zeker op een telefoon. Natuurlijk wist ik mijn password niet meer, zodat er een procedure van verificatie, herstellinkjes en codes op gang moest komen, en toen die eindelijk volbracht was sloeg de angst pas echt toe. De hackster was er nog steeds. Ze was zelfs weer overgeschakeld op haar all-time favourite: ‘Don’t Love Again I’m Tired’.

In de tram naar huis wijzigde ik in blinde paniek al mijn andere wachtwoorden.

‘Papa, luister je “Don’t Love Agan?”’
‘I’m tired.’

Thuis opende ik mijn laptop, op zoek naar een medicijn. Het bleek uiteindelijk vrij eenvoudig. In het Thaise eettentje had ik de wachtwoordherstelprocedure nog niet volledig doorlopen. Dat deed ik nu wel. Ergens in de wereld was nu iemand het nummer aan het luisteren met het meisje bij het blauwe bloemenveld. Ergens in de wereld viel dit ineens stil. Ergens viel er een luik neer naar de enige taal die geen vertaling nodig heeft.

Sindsdien leeft ze alleen nog door als een merkwaardige herinnering, iedere keer als ik Spotify open en uit de albumhoes de letters uit de mist opdoemen. ‘Don’t Love Agan’.

Af en toe klik ik er nog even op, omdat ik toch niet wil dat het voorgoed uit het automatisch gegenereerde lijstje – ‘nummers die je vaak luistert’ – verdwijnt.