Don’t push

Zondag zag ik op Buitenhof een debat tussen de directeur van het Nexus Instituut Rob Riemen en rechtsfilosoof Thierry Baudet. Beiden waren voorstander van het referendum over het associatieverdrag met Oekraïne. Riemen zal ja gaan stemmen, Baudet nee.

Riemen zat op een metershoge morele kruk en poogde opzichtig zijn tegenstander als excentriekeling weg te zetten. De gebruikelijke ongemanierdheid van de ons-soort-mensenbrigade.

Maar toch. Heel veel wat Riemen aandroeg sprak mij als modern mens aan. Dat wat hij roemde aan Europa was datgene waarom ook ik Europa als het beste zie wat de mensheid nu te bieden heeft. Het enig hoopgevende.

Het Europa van de mensenrechten. Van de moderniteit. Van de individuele vrijheid. Divers, doorleefd en gewassen door de verlichting.

Riemen had het over het gevaar van nationalisme. Nationalisme heeft een bloedspoor door Europa getrokken. Aan alle collectivisme heb ik een broertje dood. Dus alleen instemming van mijn kant, op die punten.

Maar…

Ik ken mezelf. Zeg mij wat ik vooral niet moet doen en ik doe het. Waarschuw me tegen foute vrienden en ik loop de deur bij ze plat.

Niet iedereen is zo pathologisch eigenwijs, maar het is safe to say dat mensen niet altijd doen of denken zoals je dat graag wil. En dat is iets wat een groot deel van onze bestuurders nog moet leren. Zeker die in Brussel.

Het anti-nationalistische Europa is vooralsnog een nobel vergezicht. Het supranationale idee is zeker nog niet geland in het avondland. En dat zal tijdens onze levensdagen ook niet gebeuren.

Mensen zijn Let, Fransman, Griek of misschien Sami of Bask, maar niet in eerste instantie Europeaan.

De gemiddelde Europeaan is geen kosmopoliet en ziet het buitenland niet als een kansenpoel. De gemiddelde Europeaan wil geen offers brengen voor een Europees project. Zelfs niet wanneer hij er objectief baat bij zou hebben.

Verlichting ram je er niet in een paar decennia doorheen.

Een vrouw met hoofddoek leg je niet door een campagne uit dat de vrouw zich niet hoeft te bedekken maar dat de man zijn poten dient thuis te houden. Generaties plattelandsvrouwen voor hen droegen zo’n ding. De rede is niet altijd bepalend. Mensen kiezen niet zomaar voor hun eigen belang.

En je kunt graag willen dat iedereen in Nederland zou erkennen dat Zwarte Piet een onacceptabel slavenicoon is, maar de meeste Nederlanders hebben er nostalgische gevoelens bij.

Een moreel appèl zal voorlopig aan de meesten voorbijgaan. En na een beschuldiging van racisme al helemaal.

Mensen nemen niet zomaar afstand van iets zonder dat ze het waarom rationeel en emotioneel begrijpen.

De Europese burger laat zich niet sturen zoals de bestuurlijke en academische kaste dat graag zou zien.

De Haagse of Brusselse echokamer versterken bij bestuurders het idee dat er een evident juiste marsroute is, en dat het alleen nog even aan het volk moet worden meegedeeld. Zonder dat men zich daar afvraagt of men wel voldoende morele autoriteit heeft om dat te kunnen sturen.

Zo ook weer met het Oekraïne-referendum.

In principe is er best veel te zeggen voor een ‘ja’. De zogenaamde bloedlanden, de Baltische staten, Polen en Oekraïne, maar ook Georgië hebben terecht vrees voor de beer.

In al deze landen ben ik geweest. In vrijwel alle landen op de Balkan. Alleen Moldavië, Kosovo en Albanië moet ik nog afvinken. Vaak was dat in het kader van festivals of culturele uitwisselingen. In al die landen tref je zowel uiterst conservatief collectivisme als een nieuwsgierige gretige ‘westerse’ voorhoede aan – jonge studenten met wie een Nederlandse hipster veel gemeen heeft qua uitdossing of muziekkeuze. Een avant-garde die evenzeer als wij een afkeer heeft van homofobie, racisme en nationalisme en die lijdt onder de corruptie en de willekeur van oligarchen.

Uit oogpunt van solidariteit zou je kunnen zeggen dat we dat soort landen, dus ook Oekraïne, volop moeten steunen.

Ik zal dus geen nee stemmen.

Maar ik zal ook geen ja stemmen. Er zijn andere, minder vergaande manieren om deze mensen bij te staan. Een verregaand handelsverdrag en gerichte samenwerking op het gebied van cultuur en onderwijs zou al een stap zijn.

Het Koude Oorlog-denken moet uit ons DNA. Een gezond wantrouwen tegenover het Kremlin combineren met begrip voor historische sentimenten. De orthodoxe wereld is van oudsher argwanend ten opzichte van westerse ambities. Napoleon en Hitler hebben hun uitwerking niet gemist. De angst om in een westers-Ottomaanse tang te worden genomen zit diep bij Russisch orthodoxe Europeanen.

Maar dat zou me er normaal gesproken net niet van overtuigen om af te zien van mijn ja.

Wat mij over de rand duwt richting blanco is het dedain waarmee een deel van het ja-kamp zich opstelt richting andersdenkenden.

Daarmee verliest het twijfelaars zoals ik. En omdat de EU-juichvereniging al eerder inschattingsfouten maakte. Bijvoorbeeld ten opzichte van Erdogan. Daarom ben ik toch al niet zo genegen om aanbevelingen uit die hoek blind te volgen. Dat ze er in het verleden weleens naast zaten betekent niet automatisch dat dat nu weer zo is, maar toch. De gewenste mening is niet per se de juiste.

Mensen laten zich niet vertellen hoe ze moeten denken; alle middelen die Brussel inzet om de geesten te sturen ten spijt. Brussel kent de Europeanen niet. Het denkt mandaatloos voorwaarts te kunnen marcheren. Dat is een vorm politiek autisme.

En dat verdient een tik op de wang. Al was het maar om ze wakker te maken. Een ja-stem: die van mij zijn ze kwijt. En elke stem telt.

Laat ik daarmee die leuke hippe westerse lui in Kiev, Lviv en Odessa in de steek? Nee. Zoals ik zeg: er zijn andere manieren om solidair te zijn met de juiste mensen in Oekraïne.