Henri van der Zee, In ballingschap: De Nederlandse kolonie in Engeland (1940-1945)

Don’t shoot, we’re Dutch!

Henri van der Zee

In ballingschap: De Nederlandse kolonie in Engeland (1940-1945)

De Bezige Bij, 448 blz., € 24,90

In oorlogstijd zijn de Britten op hun best. Vooral wanneer het slecht gaat. Tijdens de recente aanslagen raakten met name buitenlandse journalisten niet uitgeschreven over de «business-as- usual»-houding der Londenaren. De foto van de zwartgeblakerde klerk die met een spaflesje in zijn hand en aangebrande krant onder de arm de tocht naar kantoor vervolgde, werd het icoon van «7/7». Het was een schaduw van de reacties op de Blitz en de aanval van de V-raketten in de Tweede Wereldoorlog, een tijd waarin de ondergrondse, anders dan nu, de enige veilige plek was. Een Londense vrouw die indertijd na dagen uit haar getroffen huis werd gered, antwoordde op de vraag of haar man misschien nog onder het puin lag: «Nee, de lafaard zit aan het front.»

De Nederlandse ballingen, weinig gewend, keken destijds hun ogen uit. «Hoe slechter het ging, hoe vrolijker ze werden», merkte Jimmy Huizinga op, zoon van de beroemde historicus en auteur van Tom, Dick en Harry, een «Watching the English» voor dummy’s. Secretaris-generaal J.R.M. van Angeren van justitie wist niet wat hij meemaakte toen hij in de metro aan de praat raakte met een man wiens vrouw en kinderen de nacht ervoor waren gedood door de bommen van de «bloody huns». Waarom hij toch naar zijn werk ging, informeerde de Nederlandse ambtenaar. «Me staying at home? That’s what these dirty dogs want me to do», klonk het. De Britten vonden het ongelooflijk dat de Nederlanders, die zichzelf van oudsher tamelijk serieus nemen, zich na ampel verzet hadden overgegeven.

Henri van der Zee, voormalig Engeland-correspondent van De Telegraaf, belicht dit defaitisme uitgebreid in In ballingschap: De Nederlandse kolonie in Engeland (1940-1945), waarin hij laat zien wat de gevluchte Nederlanders zoal uitvoerden in het Verenigd Koninkrijk. Zijn verhaal leidt langs de vissers in Fleetwood, landverraders op het Isle of Man, de ondergewaardeerde koopvaardij tussen de drijvende mijnen en militairen in alle tochtige uithoeken van het eiland. Het grootste deel speelt zich echter in Londen af, waar een soort loopgravenoorlog gaande was tussen enerzijds de door de lamlendige «geest van De Geer» aangestoken politici, hun ambtenaren en het militaire kader, en anderzijds de jongere generatie Engelandvaarders, die, van harte gesteund door Wilhelmina en haar schoonzoon, heldhaftige dromen koes terde over de bevrijding van het vaderland.

De verdeeldheid leidde tot het oprichten van velerlei verenigingen, al dan niet langs verzuilde lijnen. Tot overmaat van ramp werd de Austin Friars-kerk, sinds de zestiende eeuw (en nog steeds) de buurtsoos van de Nederlanders in Londen, platgebombardeerd. Volgens Miep Brave Maks, de secretaresse van het koningshuis, bestond de Nederlandse gemeenschap uit evenveel kongsies, clubs en kampen als een Olympisch Dorp, waar over van alles werd gemopperd, van de Engelse keuken (de Boer War was nog niet vergeten) tot de bliksemcarrière van de Prins der Nederlanden binnen het leger.

De weerzin van het monarcho-anarchistische deel van de Nederlandse gemeenschap richtte zich vooral op de diverse ministeries, die volgens Erik Hazelhoff Roelfzema waren bevolkt door «ingesukkelde lamzakken». De auteur van Soldaat van Oranje kwam tot deze kwalificatie nadat was gebleken dat vijftien maanden spionagewerk in bezet Nederland voor niets was geweest dankzij de desinteresse aan overheidszijde. Typerend is de passage in de dagboeken van ir. Otto C.A. van Lidth de Jeude, de pacifistische minister van Oorlog, over een verongelukte Nederlandse piloot: «Een verwaande jongen, maar vol goede wil.» Elders moest de jonkheer van het hart dat Bernhard veel te druk was en dat hij niet hield van «die onbescheiden, oppervlakkige journalisten». De Geers opvolger Pieter Gerbrandy, «de kleine Clemenceau» in de woorden van Winston Churchill, «een steile Transvaalse boer» volgens anderen, fungeerde als Koning Eenoog binnen zijn kabinet.

Voor de Engelandvaarders – een bonte mengeling van studenten, kantoorbedienden en schoolmeesters met een patriottische inslag – viel bij aankomst niet zozeer de harde ondervraging van de Patriotic School zwaar, als wel de botte houding van de Nederlandse autoriteiten, waar een discussie speelde over wat een echte Engelandvaarder was. Een politieke vluchteling? Een van alle gemakken voorziene opportunist? Volgens de linkse journalist Meyer Sluyser viel het «welkom door een conglomeraat van onder geschikte grootheden de nieuwkomers erg rauw op het lijf wanneer ze de indruk kregen dat op een regerings bureau ‹de man aan het loket hen een onaangename onderbreking› van zijn werkzaamheden vond». De arrogantie voedde het populistische sentiment dat doet denken aan de revolutionaire sfeer rond de opkomst van Pim Fortuyn, ook een soort oorlogstijd, naar Nederlandse maatstaven.

Van der Zees hart ligt bij de meer avontuurlijke Engelandvaarders. Een aantal ervan heeft hij in persoon gesproken, waaronder, kort voor diens dood, prins Bernhard, en Kathie de Vries-Barnes, de «moeder» van de Oranje haven, het ontmoetingspunt van de Engelandvaarders. Van der Zee heeft getracht het beeld bij te stellen dat de Tweede Wereldoorlog door de gevluchte Nederlanders is gevierd, in plaats van gevoerd. Dat eerste lijkt vooral het geval te zijn geweest bij de gezagdragers die zuinig waren op hun Spitfires, maar voor de rest genoten van het goede leven, terend op de gastvrijheid van de Britse overheid, C&A, Unilever en Shell. Ondanks alle tegenwerking van bovenaf hebben veel Engelandvaarders de oorlog wel degelijk proberen te voeren. Bij proberen bleef het.