Donald duck

Tijd geleden dat ik een stripboek las. Twee, drie jaar. Toen nam ik voor het slapen gaan nog Old Surehand en De berejager door, uit de Karl May-reeks van Studio Vandersteen, en twee boeken met Michel Vaillant en drie delen Alex en een paar avonturen van Lucky Luke en tot slot een paar boeken met De Rode Ridder. Toen ik alles had gelezen, dacht ik voor de zoveelste keer gelukkig en gelukzalig dat ik nu toch echt tot het grote weggooien kon overgaan.

Het is er niet van gekomen. Geen enkel stripboek aan het oude papier toegevoegd, alleen kranten, enveloppen, romans, verkeerde notities. Maar waarom heb ik deze Donald Duck Pocket gekocht? Om herinneringen op te halen? Om geweldig te gaan lachen? Om me voor te bereiden op mogelijke telefonische vragen? Om te kunnen onthouden dat Diederik op pagina 134 zegt: ‘Tut, tut! Je moet niet zo gauw in paniek raken!’? Om gewoonweg iets te zien dat ik niet eerder zag? Om geen televisie te hoeven kijken? Om nog net niet in slaap te vallen? Er zijn mensen die een boot kopen om erachter te komen wat en hoe het is een boot te hebben gekocht. Er zijn mensen die om een vergelijkbare reden postzegels verzamelen, of openingen van exposities bijwonen, of naar New York vliegen, of zelf jam maken, of lid worden van een politieke partij, of met zijn allen naar de TT gaan, of weigeren aan verjaardagen te doen. De man naast me koopt een boek van Thomése. We rekenen gelijktijdig af. Hij gaat naar buiten, doet zijn aankoop in een tas en loopt naar zijn auto, drie straten verder. Mijn denkbeeldige auto staat daar ook. We stappen gelijktijdig in. Hij rijdt de stad uit, snelweg op, zuidwaarts, snelweg weer af, door een kleine plaats, lange weg met bomen, omhoog een dijk op, naar rechts, langs een fabriek en een bloemenzaak en een slagerij, ik steek een sigaret op, nog steeds op de dijk, we passeren twee mensen te paard, de man voor me toetert en zwaait, in een tuintje aan de waterkant lopen wat kippen, de man geeft plotseling gas en mindert even plotseling vaart, we naderen een boerderij of voormalige boerderij, nu rechts de dijk af, langs een benzinepomp en parkeren op een grindpad, in de schaduw. De man stapt uit en fluit zorgeloos. Hij verdwijnt tussen de fruitbomen. Ik wacht even, stap uit, ga naar zijn auto en open het portier. Ik pak de tas met boek en ga dezelfde kant op als de rechtmatige eigenaar. Die ik even later aantref op een sierlijk en intiem terrasje, in gesprek met een vrouw. Verder zijn alleen mannen aanwezig, twee in pak, drie nonchalanter gekleed, eentje draagt sandalen. Ze spreken over een vergadering die een dag eerder heeft plaatsgevonden en over iemand die de vergadering niet bijwoonde. Ik schenk mezelf een glas wijn in en ga naast de vrouw zitten. Ze knikt vriendelijk. 'Is dat uw man?’ vraag ik, wijzend op degeen die Thomése kocht. 'Mijn man is bankier’, zegt ze. 'Eens in de zoveel tijd nodigt hij wat collega’s uit. Stuk voor stuk fervente lezers van hedendaagse schrijvers. Komt u vandaag een praatje houden?