Opheffer

‹Donald Duck›, mijn bijbel

Toen ik eind jaren zestig met enige regelmaat de bijeenkomsten van de SJ (Socialistische Jeugd) bezocht, kreeg ik op een gegeven moment het volgende advies: «Lees Marx nou, dan hoef je niet van die domme vragen te stellen.»

Dat ben ik toen gaan doen, en dat beviel me goed. Zelfs zo goed dat ik een paar maanden later rus tig antwoorden van een kwartier kon geven op vragen als: «Waarom wordt alles vanuit Wall Street geregeerd?» en: «Is popmuziek niet eigenlijk een klassevijand?»

De vraag die ik destijds niet beantwoordde, was: «Waarom Marx?» Dat kwam pas later. Het fijne van Marx lezen was dat als je het eenmaal kende en begreep, je niet meer hoefde te denken.

Ik weet zeker dat als ik in een omgeving van Jehova’s getuigen had gezeten en die hadden tegen mij gezegd: «Lees de bijbel nou, dan hoef je niet van die domme vragen te stellen», ik een uitstekende Jehova’s getuige was geworden. Idem dito met de islam of wat dan ook. Als het maar met een boek gepaard ging waarin je zaken kon opzoeken.

Ik heb dat trouwens nog, moet ik eerlijk zeggen. Ik ben «in» Reve, zowel Karel als Gerard, maar ook ben ik op het ogenblik «in» Michael Ignatieff, en «in» Richard Rorty, zoals ik vroeger «in» Sartre en Camus was, en zoals ik later «in» Chomsky en Wittgenstein was, en Hermans.

Een boek moet op een bepaald moment het denken vertegenwoordigen. Anders gezegd: je leest om niet meer te hoeven denken. Je streven moet erop gericht zijn dat denken overbodig te maken.

Toen ik in Marokko was, bevond ik mij soms in gebieden waar de koran het enige boek was, een boek dat men zelf trouwens niet kon lezen, maar dat iedere keer weer opnieuw werd voorgelezen en uitgelegd. Je snapte dat men zich letterlijk aan dat boek wilde houden. Dat was makkelijk, eenvoudig, bezorgde je geen schuldgevoel en het was handig, want je kon er alles in opzoeken wat je niet wist.

Ik hou eigenlijk heel veel van dat soort boeken. Het vervelende is alleen dat ik niet meer weet wat ik eigenlijk precies wil opzoeken. Wat is het probleem, kortom. Stel dat ik graag wil opzoeken hoe ik het probleem Israël en de Palestijnen moet oplossen. Dan zijn daar ongetwijfeld vele boeken over. Ik lees die boeken, maar die boeken spreken elkaar tegen of zijn onduidelijk. Onduidelijke boeken gooien we weg. En boeken die elkaar tegenspreken helpen mij niet met de oplossing van dat probleem. Wat mij zou helpen, zou een leefregel zijn, een formule, een logische redenering in de trant van: indien dit, dan dat. Maar de enige boeken die zo in elkaar zitten zijn wiskunde boeken, en die zeggen niets over Israël en de Palestijnen. Je komt dus al snel uit op boeken die uitgaan van een abstractie, iets vaags, ongenuanceerds, iets algemeens.

De bijbel dus. Of de koran. Of het verzameld werk van Mao, of Marx of Multatuli. Goedbeschouwd hebben die boeken alleen zin als je niet naar de uitgangspunten van die boeken vraagt. Zodra je de vraag gaat stellen: waarom God, waarom Mo hammed, waarom een geest die communisme heet, waarom Baghwan? hebben hun boeken en pamfletten geen zin meer. Een bijbel zonder God is nog een mooi boek, maar niet meer dan dat.

De bijbel en de koran en al die andere heilige boeken zijn dus in wezen volstrekt zinloos, alleen is het soms buitengewoon onverstandig om dat te zeggen, want dan kun je op je flikker krijgen. Je gaat dan namelijk vanzelf zelf nadenken, en dat is gevaarlijk voor zowel jezelf als voor anderen.

Voor mij als kind was Donald Duck de bijbel. Welk heilig boek ik nadien ook heb gelezen, tussen Donald Duck en al die boeken als de bijbel en de koran heb ik nooit een wezenlijk verschil kunnen ontdekken.