Straatcommando’s en stadsmariniers

‘Donder op’, zegt de buurvrouw

Rotterdam stuurt stadsmariniers de straat op om lastige jongeren aan te pakken. Maar hoeveel problemen veroorzaakt de jeugd eigenlijk? ‘Drugs? We zitten nog op de basisschool.’

‘MEESTAL HANGEN ZE hier rond’, zegt Habib Ziani (49). We rijden door de Wagenbergstraat in het busje van TOS. TOS (Thuis Op Straat) is een begrip in Pendrecht, een naoorlogse wijk in de Zuid-Rotterdamse deelgemeente Charlois. TOS-medewerkers zijn er altijd op straat te vinden, ook als er een straffe westenwind waait die gezicht en handen doet verstijven, zoals nu.
We vinden het groepje een paar straten verderop, op een met hekken omgeven terreintje met loszittende tegels, basketbalpalen en twee kleine voetbalgoals. Negen tieners die nog lang geen achttien zijn. Ze roepen Habib al van verre toe. 'Hé Habib, heb je weer medailles mee?’ Woensdag is voetbaldag. Dan verzamelt Habib de jongens die rondhangen in de Wagenbergstraat en neemt ze mee. Laatst organiseerde hij een toernooi, waar blinkende medailles te winnen waren. 'Iedereen mag meedoen. Dat leert ze ook kinderen van buiten hun groep te respecteren’, zegt hij.
De jongens zijn van Marokkaanse, Turkse, Iraakse en Somalische afkomst. Wie geen balletje trapt zit op de leuning van een bankje, of is aan het stoeien. Walid (11), een stevig Marokkaans jongetje, legt uit dat ze verder willen in voetbal. 'We willen allemaal prof worden.’ Een ander jongetje mengt zich in het gesprek. Hij draagt een stoere jas met een bontkraag. Hij heet ook Walid, en ook hij is elf jaar. Het liefst zit hun groepje in de Wagenbergstraat, waar de meeste van hen wonen, legt hij uit. 'Maar de mensen doen agressief tegen ons. Ze zijn bang dat we door hun ramen heen schieten als we voetballen. Soms zitten we alleen maar. Dat is echt té saai. Dus spelen we de laatste tijd veel verstoppertje.’
Is dit de gevreesde Wagenberggroep? Een maand geleden publiceerde De Groene een reportage over Pendrecht, over hoe de bewoners hun wijk hadden gered van de verloedering. Over één straat werd steen en been geklaagd. De Wagenbergstraat. Mensen waren alleen bereid anoniem iets te zeggen over de overlast. 'Er is daar een complete straatoorlog aan de gang’, zei een jonge vrouw van Surinaamse afkomst. 'Volgens mij roven ze’, zei een oudere autochtone bewoonster. Volgens weer een ander werd er gedeald bij de vleet. 'Ik zie die kinderen geheimzinnig doen, met van die gebaartjes en zo.’
Volgens de woningbouwvereniging was het allemaal sterk overdreven. Het zou gaan om een groepje van vijf jongetjes, niet ouder dan twaalf, die tot ’s avonds laat rondhingen en soms herrie maakten. 'Vijf?’ brieste een woedende bewoner. 'Het zijn er wel twintig. Met van die capuchons. En ze gebruiken drugs. Dan vind ik van die zakjes met een plantje erop afgebeeld.’ De jongeren lieten zich niet zien, die dagen. Net na de deadline belde Dick Verhaar van TOS-Charlois. Zijn medewerkers hielden zich intensief bezig met de Wagenberggroep. Ze namen de jongens mee naar Walibi en de Efteling, organiseerden voetbaltoernooitjes. Kom eens langs, zei hij.
Nu krijg ik de boosdoeners eindelijk te spreken. Ze zijn elf. Ze voetballen en spelen verstoppertje. En ze kijken me raar aan als ik over drugs begin. 'Drugs? We roken niet eens. We zitten nog op de basisschool’, luidt het vertwijfelde antwoord. 'Hoe kun je nou prof worden als je drugs gebruikt?’ Het enige wat de verhalen van bewoners benadert is de grootte van de groep. Als ze compleet zijn, zijn ze met zijn zestienen. De jongste is acht, de oudste zestien.

JEUGDOVERLAST KAN de laatste jaren rekenen op ophef en verontwaardiging in de media en de politiek. Groepjes jongeren die op straat rondhangen - wie deed het niet toen hij jong was - worden argwanend bekeken. Hun baldadige gedrag wordt al snel gekarakteriseerd als 'probleemgedrag’ of als 'crimineel’, vaak zonder dat er sprake is van iets strafbaars. Wie spreekt met experts leert dat jeugdoverlast een probleem is van alle tijden. Er zijn zelfs kleitabletten bekend van de Mesopotamiërs, drieduizend jaar geleden, waarin werd geklaagd dat de jeugd opgroeide voor galg en rad omdat volwassenen haar geen discipline wisten bij te brengen.
Een verschil met vroeger is de terminologie. Die is gericht op oorlog. Rotterdam heeft 'stadsmariniers’, Almere stuurt 'straatcommando’s’ de wijken in om lastige jongeren aan te pakken. De term 'straatterreur’ is in opkomst. Hij duikt op in het regeerakkoord van CDA en VVD en wordt niet alleen gebruikt door de PVV, maar ook door PVDA en SP. Oorlogsverslaggever Arnold Karskens trok in augustus, komkommertijd, naar Helmond, waar bewoners zich geïntimideerd voelden door Marokkaanse straatjongens. In De Pers vergeleek hij de sfeer met die in Syrië en Birma. Volgens Lonneke van Noije, onderzoeker voor het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), begon de verharding in het taalgebruik eind jaren negentig: 'In het beleid zie je de harde hand vooral opdoemen vanaf het kabinet-Balkenende I. Niet alleen als het gaat om jongerencriminaliteit, maar ook om hangjongeren, die in feite niets crimineels doen. Ook de zachtere vormen van overlast werden vanaf toen geproblematiseerd.’
Voor het SCP deed ze onderzoek naar de veiligheidsbeleving in de buurt van jongeren, en de beeldvorming over jeugdoverlast. De daadwerkelijke ervaring van jeugdoverlast bleek sinds 2002 niet meer toe te nemen. En de onveiligheidsgevoelens in de buurt van jongeren daalden tussen 1999 en 2008. Nadien bleven ze gelijk. Maar hoewel er niet méér jeugdoverlast wordt gerapporteerd is er toch een breed gedragen idee dat de overlast is toegenomen en een belangrijk maatschappelijk probleem vormt, waar hard tegen moet worden opgetreden.
'Het debat is volledig gecentreerd rond meningen, niet rond feiten’, zegt Lonneke van Noije. 'Het stereotiepe beeld van het oude dametje dat niet meer de straat op durft, vinden we niet terug in de cijfers. Hoe ouder mensen worden, hoe minder last ze juist van jongeren hebben.’ Sterker nog, het zijn de jongeren zélf die aangeven zich het meest onveilig te voelen in de buurt van jongeren. En binnen hun groep zijn het juist de Marokkaanse en Antilliaanse jongeren die aangeven het meest te lijden te hebben onder de strapatsen van hun leeftijdgenoten. Noije houdt een pleidooi om het dominante beeld aan te passen: 'Je mag jongeren best zien als overlastgevers. Maar je moet ze ook beschouwen als slachtoffer. Dat blijkt uit de cijfers. Jongeren zijn óók kwetsbaar.’

JOURNALISTEN SPELEN een grote rol bij het in stand houden van een al te scherp beeld van jeugdoverlast. Op hun website Nieuwscheckers controleerden Leidse studenten journalistiek in oktober de berichtgeving over een incident in Gouda - de stad waar de PVV twee jaar geleden het leger wilde inzetten tegen 'Marokkaans straattuig’ na de beroving van een buschauffeur. De studenten beschrijven hoe een baldadig incident door een groep kinderen waarbij met tulpenbollen werd gegooid in de media uitgroeide tot een bijna episch verslag over de terugkeer van de straatterreur in Gouda. De lijn van de hype liep van het Algemeen Dagblad en De Telegraaf via Hart van Nederland naar De wereld draait door en Pauw en Witteman.
De journalistiekstudenten traceerden de dame die middels een brief aan de gemeenteraad het bloembollenincident onder de aandacht had gebracht. Zij herkende zich niet in de berichtgeving, die toch op haar brief was gebaseerd. 'Ik hou van mijn wijk en wij wonen er echt met ontzettend veel plezier. Die jongens zijn best voor rede vatbaar, als ze maar echt worden aangesproken op hun gedrag.’
Dat is precies waar het aan schort volgens Micha de Winter, hoogleraar pedagogiek aan de Universiteit van Utrecht. 'We leven in een individualistische samenleving die tegen haar eigen grenzen aanloopt’, vertelt hij. 'Mensen zouden gewoon op jongeren af moeten stappen om op een normale manier te overleggen als er problemen zijn. Maar dat wordt ze afgeleerd door de overheid. Die moedigt aan dat je het Meldpunt Overlast belt, of zelfs de politie. Ik sprak eens een man die vertelde dat hij op een groepje was afgestapt en samen met hen het probleem had opgelost. Kreeg hij iemand van het meldpunt op zijn dak. “Weet u wel wat u gedaan heeft? Dat is hartstikke gevaarlijk!”’
De Winter is lid van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling en werkte mee aan het rapport Tussen flaneren en schofferen (2008). Hij bestudeerde bergen nota’s en ging langs bij talloze gemeenten. 'Het beleid dat we aantroffen komt gewoon neer op repressie. Met mosquito’s (apparaatjes die een heel hoge, hinderlijke toon verspreiden die alleen door jongeren is te horen - jb), straatcoaches, gebiedsverboden, noem maar op. Jongeren worden ingedeeld in “hinderlijk”, “overlastgevend” en “crimineel”. Soms wordt er van “acceptabele” jongeren gesproken. Maar blijkbaar beschouwt niemand hun jeugdige gedrag als normaal en van alle tijden.’
De Winter wil niet ontkennen dat er jongeren zijn die mensen intimideren en vernielingen aanrichten. 'Maar er zijn ook volwassenen die zich gedragen als beesten. Boze burgers die woedend en scheldend op zo'n groepje af stappen. Ja, dan krijg je een grote mond terug. Bij kinderen en jongeren krijg je eruit wat je erin stopt. Het is echt helemaal fout om het probleem alleen maar bij hen neer te leggen. Zo los je het nooit op. Je moet op z'n minst ook kijken naar de rol van gefrustreerde, kortaangebonden buurtbewoners. Uit onderzoek weten we dat in een buurt waar heel weinig sociaal contact is tussen de bewoners en waar niemand meer let op elkaars kinderen de kans op jeugdcriminaliteit, kindermishandeling en een scala aan andere problemen groot is.’
Ook het probleem van bendevorming, van jeugdoverlast die overgaat in criminaliteit, hangt samen met het gebrek aan sociale controle in de buurten. De Winter: 'Wat TOS probeert is de mensen weer op straat te krijgen. Ik ben een paar jaar terug op een plein geweest waar zij bezig waren. Het begon met de kinderen, met wie ze allerlei spelletjes deden. Toen kwamen de ouders. Die gingen op een bankje zitten om hun kinderen in de gaten te houden. Zo werd dat plein terugveroverd op de drugsdealers.’
Thuis Op Straat begon in 1996 in Rotterdam en is inmiddels actief in verschillende steden. De organisatie is opgebouwd als een franchise. Per wijk is een 'baas’ aangesteld met enkele 'voormannen’ onder zich, zoals Habib Ziani. Per elektronisch logboek wordt de voortgang van het sociale proces aan de centrale organisatie gemeld; succesvolle activiteiten worden meteen in andere wijken en steden ingevoerd. Het is een groot succes.

VOORDAT WE op zoek gaan naar de jongens uit de Wagenbergstraat drinken we koffie in het TOS-kantoortje. Dick Verhaar (zestig jaar, goedlachs, haar in een staartje) is sinds vijf jaar TOS-baas in deelgemeente Charlois. De organisatie is er al tien jaar actief. 'Iedereen kent ons’, vertelt hij. 'De mensen weten dat we er niet alleen zijn voor de kinderen, maar ook om het sociale contact te bevorderen.’ Hulpverleners zijn niet geliefd in Pendrecht, weet Verhaar. Maar als zijn mensen op ouders af stappen, vinden ze nooit een dichte deur. 'Ze weten dat we niet komen om te oordelen, maar om te overleggen.’
Björn de Bies (22), een Surinaamse jongen, schuift aan. 'Björn is op straat geboren’, zegt Habib grijnzend. Toen hij vijftien was, plukte hij hem uit een lastige straatgroep. 'Het ging niet goed met me’, zegt Björn. 'Ik dealde, ik vocht, ik zat vast.’ Nu draagt hij een rood TOS-shirt en bereidt hij zich voor op een hbo-studie. 'Hier kreeg ik vertrouwen. Ik werd beoordeeld op m'n kwaliteiten, niet op m'n fouten.’
Dick, Habib en Björn probeerden de jeugd uit de Wagenbergstraat op een normale manier in contact te brengen met de boze bewoners. Maar het werkte niet. 'Dat lag niet aan die jongens’, zegt Björn. Verhaar: 'Ik begrijp het wel van de bewoners. Ze zijn hartstikke gefrustreerd. Er is nieuwbouw gekomen waar zij niet in mochten wonen, hun parkeerplek zijn ze kwijt, ze hebben een jaar lang modder voor hun deur gehad omdat er riolering aangelegd moest worden. En dan plaatst de woningbouwvereniging doodleuk bankjes vlak voor hun deur waar die jongens natuurlijk gebruik van maken. Maar we blijven het proberen, met liefde en aandacht.’
Het heeft geen zin om jeugdoverlast hard aan te pakken, weet ook SCP-onderzoekster Lonneke de Noije. Daarvoor is het probleem te complex, en te zeer van alle tijden. Het SCP krijgt regelmatig verzoeken van ministeries om de achtergrond bij publieke debatten goed uit te zoeken, vertelt ze. Ook als het gaat om jeugdoverlast zijn dus de nuances bij de betrokken ministeries bekend. 'In elk geval bij de ambtenaren. Maar wat je vaak ziet is dat de minister die bijstelling van het beeld niet kan verkopen, want hij moet daadkracht uitdragen.’
Terug naar het voetbalterreintje. Soms stapt er wel eens een bewoner op het groepje af, vertelt Walid. 'Maar ze zijn nooit aardig. Ze zeggen meestal: donder op! Dan worden we kwaad, want ze moeten niet schelden. Maar we schelden niet terug.’
'Dat hebben we geleerd van Habib’, zegt de andere Walid. 'Als we met hem gaan voetballen en iemand roept…’ - hij kijkt snel waar TOS-voorman Habib zich bevindt. Die kijkt hem streng aan, de armen gevouwen - ’…en iemand roept “k”, je weet wel’, vervolgt Walid, 'dan moet-ie er vijf minuten uit, voor straf.’ Habib grijnst en geeft hem een aai over zijn bol.
Er is één mevrouw van wie ze het wel begrijpen. 'Dat is een oude mevrouw, die zegt ook altijd “donder op”. Ze heeft een keer met ons gepraat en verteld dat haar man kanker heeft en dat hij moet slapen. We snappen nu dat ze snel boos wordt. Als zij boos wordt zeggen we “sorry” en gaan we meteen weg.’