Godfried Bomans in de jaren zestig. Conservatief en weemoedig © Nico van der Stam / MAI

Waar uw kinderen al niet meer weten wie Cor van der Laak en meneer Foppe waren, daar weet al bijna niemand meer dat Godfried Bomans ooit de grappigste man van het land was, die in radiopraatjes of als panellid op tv alleen maar hoefde te zeggen: ‘Ik had een óóm, die…’, waarna de zaal in katzwijm lag. Slechts een enkeling kent nog, net als ik, De catechismus van Sint-Nicolaas uit het hoofd.

Bomans’ productie was enorm. Naast de boekjes uit zijn beginjaren – Pieter Bas, Erik of Het klein insectenboek, Sprookjes – staat een omvangrijk oeuvre aan beschouwingen, columns en essays. Joost Prinsen maakte daaruit een keuze waarvan de titel aangeeft dat wij langs de humorist naar de serieuze Bomans moeten kijken. Volgens Prinsen is het zo dat Bomans vooral voortleeft in dat serieuze werk. Hij meent ook dat je vijftig jaar later moet constateren dat veel van Bomans’ behoudende opvattingen standgehouden hebben, meer dan die van zijn linkse tegenstanders.

Het veertigtal teksten dat Prinsen koos schikte hij tot een tedere, melancholieke mini-biografie. Alle stukken zijn te duiden als persoonlijk, wat ook het onderwerp moge zijn: Dickens, Paus Pius X, de Telegraafrellen, de verkiezingen van 1971 of de nalatenschap van Willem Kloos. Er rijst een merkwaardige figuur uit op. Een man met een conservatieve, weemoedige natuur, die tegelijkertijd intelligent en gevoelig genoeg is om de veranderingen van zijn tijd op waarde te schatten. Het conservatieve element uit zich behalve in een emotionele trouw aan de kerk van Rome in een voorkeur voor vorm, rede en beleefdheid – Bomans was ook, zo blijkt, iemand die oprecht probeerde dieper in zijn medemens én zijn tegenstander te kijken, als een oprecht christen.

Bomans combineerde donderpreek en ruimhartige lach

Hij is in de essays serieus, of wil het zijn, maar kan zich tegelijkertijd vrijwel nooit beheersen om er een luimige regel in te gooien, als was het om te zeggen: ‘Jongens, let niet op mij.’ Dat is een vorm van vluchtgedrag, daar hoef je geen groot psycholoog voor te zijn: Bomans werd door zijn tirannieke vader geminacht, zachtjes gezegd – de geur van het minderwaardigheidscomplex is vaak onmiskenbaar.

Waar Bomans stevige onderwerpen aansnijdt is hij altijd omzichtig, tastend, nooit met de vuist op tafel slaand. In de jaren dat hij zich manifesteerde als columnist en reportageschrijver in serieuze media – Elsevier (‘het blad van de reactie’), de Volkskrant – bevond hij zich bovendien in een kudde mastodonten; het publieke domein in de jaren vijftig en zestig werd gedomineerd door kardinalen, professoren en ministers, mannen als Van Duinkerken en Romme waar met eerbied naar werd geluisterd: vaders, dus. Jongens als Lucebert en Hermans streden tegen hun restrictieve moraal, de dominantie van de zuil; ook Bomans nam ze op de hak, in zijn Kopstukken, maar hij had zonder twijfel een verlangen daar bij te horen.

Er zijn twee sleutelstukken in deze selectie. Het eerste is een terugblik op het werk van Lodewijk van Deyssel, die Bomans nog persoonlijk had gekend. Van Deyssel was zijn leven lang trouw gebleven aan ‘de grote zonde der Tachtigers’, schreef Bomans: ‘eenzaamheid, daar, waar overgave had moeten zijn’, en daarin lag de oorzaak van het bittere feit dat Van Deyssel niet meer gelezen werd. Het genie stond buiten kijf, zei Bomans, maar: ‘Het gaat om de vraag: wat had hij kúnnen zijn? Ik meet hem met de maatstaf van zijn reusachtige gaven, van zijn waarlijk grootse aanleg en zijn onmiskenbaar kunstenaarschap, dat juist dat ene miste, wat het tot volle bloei had gebracht: overgave.’

Voor een in memoriam was dat al een wrange constatering, maar Prinsen meet met het opnemen van dit stuk ook Bomans met die maatstaf, zo lijkt het. Overgave ontbrak ook hem, iets hield hem terug, een onzekerheid, een aarzeling, een weemoed, een gevoel van verlies. Lees daarvoor het prachtige Een bedevaart naar Heiloo uit 1966, waarin Bomans de herinnering aan een schoolfietstocht naar het heilige putje van Heiloo ophaalt, ‘altijd verbonden met een soort huiselijke wereldvreemdheid, die geloof ik typisch “rooms” is’. In Prinsens beeld van Bomans ligt daar de kern: de combinatie van ‘gemoedelijkheid met het bovennatuurlijke’, ernst én luim, rechtzinnigheid én een hang naar het bourgondische, donderpreek en ruimhartige lach. De tocht terug naar Haarlem ging door ‘een warme, bestoven en ontluisterde wereld’, schreef Bomans, ‘maar het mooie was er toch geweest, en niemand kon je dat ontnemen.’