Hoe verder na Kate Raworth’s ‘Donuteconomie’?

Donutpolitiek gaat van au

Juichend ontvangen in milieukringen en kritisch door economen: ‘Donuteconomie’ van Kate Raworth. Een analyse van het boek van de Britse wetenschapper, die op 18 juni een bezoek brengt aan de Tweede Kamer.

Medium groene donuteconomie iii

Vorig jaar verscheen Donuteconomie van de Britse wetenschapper Kate Raworth. Ze verwijt de gevestigde economische wetenschap, sterk marktgericht als die is, verwaarlozing van de vernietiging van natuur en milieu die wereldwijd gaande is. En het zoete Amerikaanse broodje-met-een-gat-in-het-midden gebruikt ze als beeld om de twee doelstellingen te benadrukken waar het volgens haar in de economie én in de politiek om zou moeten draaien. Namelijk enerzijds een bloeiende, leefbare aarde en anderzijds een humane, op menselijke ontplooiing gerichte samenleving.

In de donut, aldus de auteur, zien we beide doelen terug in de twee concentrische cirkels die de binnen- en de buitengrens van deze gefrituurde, suikerrijke snack vormen. Binnen de binnenste cirkel – het sociale fundament – situeert zij menselijke ellende zoals honger, armoe en analfabetisme; buiten de buitenste ring – het ecologische plafond – klimaatverandering en afnemende biodiversiteit. Tussen deze twee cirkels bevindt zich de donut, de ruimte waarin we – binnen de mogelijkheden van de planeet – kunnen voorzien in de behoefte van iedereen. De donut staat, concludeert Raworth, voor ‘een sociaal fundament van welzijn waar niemand onder mag zakken, en een ecologisch plafond (…) dat niet mag worden doorbroken’.

Schrijf u in voor onze dagelijkse nieuwsbrief en ontvang iedere ochtend het beste uit De Groene in uw mailbox.

Donuteconomie heeft ook in Nederland veel aandacht getrokken en de recensies waren vaak lovend. In dit weekblad noemde Ewald Engelen de schrijfster ‘een iconoclaste van de economie’. Burgers hebben volgens hem genoeg van almaar meer marktwerking ‘en zien dat radicale verandering nodig is’. Voor het bezoek van Raworth ter gelegenheid van de presentatie van de Nederlandse vertaling was veel aandacht, het leverde een reeks volle zalen op, een vpro-documentaire, een optreden in Buitenhof, krantenstukken en YouTube-filmpjes. Begrijpelijk, want de problemen die ze aansnijdt staan in de belangstelling en de kritiek in het boek op de gevestigde economie en politiek is niet misselijk. Het is zeer toegankelijk geschreven, benadrukt wat burgers en activisten zelf kunnen doen en strooit met suggesties voor ander beleid. Op 18 juni zal de schrijfster, op initiatief van de Partij voor de Dieren, met leden van de Tweede Kamer in gesprek gaan.

Oordelen van heel andere aard waren er ook. Zo juichend als het boek vooral in milieukringen werd ontvangen, zo kritisch waren de reacties van economen. In De Nederlandse Boekengids bijvoorbeeld noemde Harry van Dalen het boek ‘een pamflet’ en Raworth zelf een ‘managementgoeroe’. De schrijfster, concludeert hij, is het soort econoom dat gelooft dat ‘anders denken de wereld verandert’ en dat ‘overheden te vertrouwen zijn’. FD-columnist Mathijs Bouman kondigde aan het boek niet te zullen lezen. Hij meent dat Raworth een revolutie predikt tegen clichébeelden van de economie. En hoogleraar Bas Jacobs typeerde het in De Telegraaf als ‘het intellectueel armoedigste en meest ergerniswekkende economieboek’ van 2017.

Met andere woorden: Donuteconomie lijkt tot de categorie boeken te behoren die hetzij als ‘heel goed’ dan wel als ‘erg slecht’ worden aangemerkt. Dat draagt niet bij tot een serieuze discussie over sterke en zwakke kanten – laat staan over de economische, politieke en intellectuele implicaties van wat de schrijfster beweert. Haar voorstel voor een geïntegreerde aanpak van economische en milieuproblemen is plausibel, zoals haar voortvarende en mobiliserende stijl bewondering afdwingt. Tegelijkertijd lijkt juist die stijl de alarmerende kanten van de problematiek en de beperkingen van Raworth’s benadering aan het oog te onttrekken. Het ‘optimisme van de wil’ gaat ten koste van het ‘pessimisme van het verstand’. Terwijl beide, zoals Antonio Gramsci al wist, essentieel zijn voor succesvolle politieke strijd.

Kate Raworth is zeer kritisch over de huidige economische wetenschap en het daarop stoelend beleid. Naar haar mening zijn economen geobsedeerd door economische groei en door markten als op zichzelf staande systemen. Dat levert overmatige aandacht voor het evenwicht tussen vraag en aanbod op en een rationalistisch en individualistisch mensbeeld. En misschien wel haar belangrijkste punt van kritiek: de beroepsgroep is verslaafd aan het denken over economische groei en hoe die te bevorderen.

Volgens de auteur hebben we in de 21ste eeuw een heel andere benadering nodig, namelijk systeemanalyses waarin economische, sociale en natuurlijke verschijnselen in hun onderlinge samenhang worden bezien. De huidige wereld stuit op haar grenzen en is verstrikt in onverzoenlijke wensen en ingewikkeld samenhangende problemen. Meer systeemanalyse is nodig om die samenhangen te begrijpen en beter te regelen, waaronder de koppelingen tussen ‘ecologisch plafond’ en ‘sociale fundering’.

Wat die koppelingen precies zijn wordt niet uitgewerkt in het boek, maar haar twee uitgangspunten staan er wel duidelijk in. Het systeem van de nieuwe donutsamenleving moet zo in elkaar worden gezet dat het enerzijds ‘distributief’ werkt (gelijkere verdeling van rijkdom en welvaart) en anderzijds ‘regeneratief’ is (dat wil zeggen: hergebruik bevorderen, afval minimaliseren en uitputting van schaarse bronnen vermijden). En last but not least: we moeten af van de obsessie met economische groei als voorwaarde voor het realiseren van een betere samenleving én een duurzaam milieu. Want dat gaat niet lukken.

Ze is het soort econoom dat gelooft dat ‘anders denken de wereld verandert’ en dat ‘overheden te vertrouwen zijn’

Noch Raworth’s kritiek op de huidige economie, noch het streven naar een geïntegreerde aanpak van sociale en milieuproblemen is nieuw. Maar ze onderscheidt zich door een indringende, polemiserende en populariserende formulering van wat haar collega’s en zij al vele jaren beweren. De hoofdstukken staan boordevol suggesties voor ander overheidsbeleid, aangevuld met voorbeelden van initiatieven die burgers al hebben genomen of zouden kunnen nemen. Waarom de belasting op werk niet verminderen en in plaats daarvan belasting heffen op het gebruik van niet-vernieuwbare hulpbronnen? Bevorder een open source-aanpak in wetenschap en techniek, die ‘privatisering’ van de resultaten van publiek gefinancierd onderzoek tegengaat. Maak de samenleving mede-eigenaar van de robottechnologie. Relativeer met invoering van een algemeen basisinkomen het belang van betaalde arbeid ten opzichte van andere nuttige bezigheden, waaronder onderlinge dienstverlening. En dit zijn maar een paar van de suggesties.

Structurele beleidswijzigingen kosten echter heel veel tijd, weet Raworth maar al te goed. Ruim baan dus voor initiatieven ‘van onderop’! Vandaar de voorbeelden van hoe mensen zelf op allerlei plaatsen alvast begonnen zijn alternatieven te bedenken en door te voeren. Juist die combinatie van suggesties voor een duidelijk ander beleid met voorbeelden van burgerinitiatieven door het boek heen wekken optimisme en enthousiasme op.

Maar daarmee stuiten we ook op een belangrijke beperking van het boek. De politieke dimensie wordt nauwelijks uitgewerkt. Wat houdt donutpolitiek eigenlijk in? Het vraagt om een visie op de strijd voor verandering en hoe die in samenspraak met anderen en langs democratische weg te bevorderen en tot een goed einde te brengen. Systeemanalyse is nuttig om problemen op te helderen, maar lost ze niet op. Daarvoor is krachtig en consistent beleid nodig en voldoende draagvlak in de samenleving. Omgekeerd kunnen initiatieven van onderop en nieuwe ideeën heel inspirerend zijn, maar ook dat is voor een mondiale maatschappelijke omwenteling niet genoeg. Tussen die beide in ligt een agenda voor maatschappelijke strijd en mobilisatie, maar ook voor overleg en doelgerichte coalitie- en besluitvorming. De vraag is: in welke mate past verregaande beperking van de economische groei daarin?

Net als de meeste milieuactivisten en klimaatdeskundigen vindt Raworth zo’n radicale beperking dringend noodzakelijk om verdere verslechtering van het milieu te voorkomen. Dat geldt zeker voor de hoogontwikkelde landen, waar groei alleen kan als het niet tot verdere aantasting van het milieu leidt. Maar ook in de opkomende economieën moet groei selectief en duurzaam zijn. Dat is makkelijk gezegd, maar hoe dat te bewerkstelligen? Zowel in de VS en Europa, als in opkomende economieën zal het leiden tot grote onrust onder delen van de bevolking, al dan niet aangevoerd door delen van het bedrijfsleven en de politiek.

Al jaren geleden toonde Martin Wolf, toonaangevend commentator van de Financial Times, zich over dergelijk beleid zeer pessimistisch: ‘Als er (…) grenzen aan de groei zijn, zal het politieke fundament van onze wereld uiteenvallen (…). Het antwoord van (…) milieuactivisten en mensen met socialistische neigingen is om dergelijke conflicten te verwelkomen. Zij geloven dat het de geboorteweeën zijn van een rechtvaardige globale samenleving. Ik ben het daarmee zeer oneens. Veel waarschijnlijker is het een stap in de richting van een wereld gekarakteriseerd door catastrofale conflicten en brute onderdrukking.’

Raworth prijst Wolf omdat hij in ieder geval het probleem onderkent, maar ziet – anders dan hij – wel degelijk mogelijkheden om de rijke westerse maatschappijen zacht te laten ‘landen’ in de nieuwe wereldorde. Het hoofdstuk over beperking van de groei blijft echter te abstract en te vrijblijvend. De auteur geeft wel concrete suggesties, maar niet genoeg. En de toon wordt soms bijna sussend en therapeutisch: we zullen ons van de groeiverslaving moeten verlossen en zeker ook onze waarden nog eens kritisch moeten heroverwegen. Dat is zeker waar, maar wel erg algemeen. Raworth’s beschouwing miskent aldus de grote moeite die het, hier en elders, zal kosten om burgers, politici en bedrijfsleven te overtuigen van groeibeperking als daarbij vitale belangen van betrokkenen in het geding zijn.

De ontwikkeling van donutpolitiek vraagt ook in andere opzichten om veel meer analyse en discussie dan zij aanreikt. Zo maken de biowetenschappen al jarenlang een razendsnelle ontwikkeling door die maatschappelijk en cultureel grote gevolgen zal hebben. Neem de mogelijkheid om het erfelijk materiaal van planten, dieren en mensen te veranderen. Wat betekent dat bijvoorbeeld voor de biodiversiteit? Hoe gaan landbouw en veeteelt er in de toekomst uitzien? En niet in de laatste plaats: welke enorme ethische vraagstukken dienen zich aan bij dergelijke mogelijkheden tot manipulatie van de menselijke (en dierlijke) soort?

Daarnaast zijn ontwikkelingen op het terrein van de artificiële intelligentie (robotica inbegrepen) van groot belang. Denk aan de opkomst van big data, de bescherming van de privacy en hoe nieuwe slimme technologieën en de introductie van robots economie en bestuur en politiek gaan veranderen. Raworth stipt zelf al aan hoe enorme aantallen mensen hun baan en inkomen zullen kunnen verliezen en naar ander werk of een uitkering moeten uitzien. Maar de gevolgen van digitalisering en de vragen die het oproept gaan veel verder – in termen van beloften en bedreigingen.

We staan kortom voor ingrijpende en veelvormige veranderingen van de wereld, de natuur en onszelf – en voor de vraag hoe we die interpreteren. Wie burgers wil overtuigen van de noodzaak van radicale groeibeperking ten behoeve van de donutidealen, moet daarmee rekening houden. Er is beweging op allerlei fronten, maar waar het naartoe gaat is erg onduidelijk. Dat maakt het des te belangrijker om het economisch en ideologisch kader onder ogen te zien waarmee donutpolitiek slag zal moeten leveren.

Als een product verkocht respectievelijk aangekocht wordt, zo is de redenering, dan moet het wel waarde hebben

In Raworth’s boek blijft de opmars van een sterk winstgedreven, financieel kapitalisme, dat veel westerse landen en grote delen van de wereldeconomie inmiddels in zijn greep heeft, zeer onderbelicht. In dit opzicht is het boek teleurstellend. Kritisch over ‘het neoliberalisme’ is de schrijfster zeker, bijvoorbeeld waar ze bepaalde financiële hervormingen – waaronder meer ‘geduldig kapitaal’ – onderschrijft. Maar waartoe de winsthonger in het grote bedrijfsleven leidt (economische instabiliteit, sociale ongelijkheid, politieke onvrede en groeiend populisme) komt in het boek nauwelijks aan de orde.

De schrijfster laat ook een interessante studie over dit onderwerp van Rana Foroohar (economisch commentator van Time, cnn en de Financial Times) buiten beschouwing. Deze journaliste publiceerde in 2016 Makers and Takers: The Rise of Finance and the Fall of American Business. Wall Street, aldus de auteur, is de Amerikaanse economie sinds de kredietcrisis van 2007 niet minder maar juist méér gaan domineren. Dividend uitbetalen en eigen aandelen inkopen (om de koers op te drijven) staan voorop – klanten en werknemers steeds minder. En managers krijgen hun salaris voor een belangrijk deel uitgekeerd in aandelen. Intussen heeft het handelen in schulden en pensioenen een grote omvang aangenomen, net als het winstgericht afdekken van eigen bedrijfsrisico’s.

Foroohar analyseert onder meer de verstrengeling van het Amerikaanse bankwezen met de nieuwe technologiegiganten in Silicon Valley; de groei van internationale belastingparadijzen; en de toenemende invloed van het bedrijfsleven op de politiek – tot en met een bestrijding van de kredietcrisis die aan de eigenlijke oorzaken voorbij is gegaan. En waar Raworth in haar visie op de toekomst soms wel erg wollige taal gebruikt (‘menselijke voorspoed in een florerend levensweb’) en softe hervormingen niet schuwt (complementaire valuta voor lokale economieën), richt Foroohar zich sterk op wijziging van de machtsverhoudingen. Bijvoorbeeld door inperking van het beurskoers-gefixeerd inkopen van eigen aandelen door ondernemingen en meer zeggenschap voor ‘stakeholders’. Makers and Takers is met dat alles een welkome aanvulling op Donuteconomie.

Er is echter nog een ander belangrijk kenmerk van het financiële kapitalisme dat Raworth met haar sterke nadruk op morele doelstellingen, groeivermindering en gezamenlijke waardecreatie verwaarloost. Het vormt het centrale thema van het in 2016 verschenen The Entrepreneurial State van econome Mariana Mazzucato. In dat boek toont ze aan dat het bedrijfsleven vaak sterk profiteert van door de overheid gefinancierd wetenschappelijk onderzoek met als belangrijk voorbeeld de farmaceutische industrie. Daar krijgen aandeelhouders grote bedragen uitgekeerd, terwijl de gezondheidszorg zelf, vanwege gebrek aan voldoende financiële middelen, gedwongen wordt drastisch te bezuinigen.

In een dit jaar verschenen studie, The Value of Everything, velt Mazzucato een nog harder en algemener oordeel over het huidige kapitalisme. Economische waarde, zo constateert ze, wordt tegenwoordig alleen nog maar door de prijs bepaald. Als een product verkocht respectievelijk aangekocht wordt, zo is de redenering, dan moet het wel waarde hebben. Op de markt valt het verschil steeds meer weg tussen waardecreatie en waarde-onttrekking (‘profiteren’ in de letterlijke zin van het woord). En dat laatste is in het alleen op winst gefixeerde bedrijfsleven het doel geworden. Deze verschuiving kun je niet effectief bestrijden, aldus Mazzucato, door de definiëring van het bruto binnenlands product wat te veranderen.

Ze herinnert in dat verband aan uitspraken van Britse Labour-leiders bij de verloren parlementsverkiezingen van 2015. Zij verklaarden het verlies uit een te grote afstand die de partij van de ‘wealth creators’ had gehouden. En wie bedoelden ze met die omschrijving? Grote bedrijven en hun bestuurders! De Labour-top liet zich leiden door het gangbare idee dat waarde gecreëerd wordt in de particuliere sector en uitgegeven in de publieke sector. ‘Maar hoe kan een partij die “arbeid” in haar naam heeft staan, werkers en de staat negeren als (…) vitale partners in het proces van waardecreatie?’

Raworth zal het met de strekking van Mazzucato’s boek wel eens zijn. Maar de ongekwalificeerde nadruk in Donuteconomie op gezamenlijk en in harmonie handelen, maakt het haar moeilijk om de conflicten te benoemen die nodig zullen zijn om een andere samenleving te bereiken. Conflicten die overigens niet zullen verdwijnen – óók niet als de doelen beter gerealiseerd worden. Inclusief de klassenstrijd, trouwens.

Kate Raworth heeft een inspirerend boek over de milieuproblematiek geschreven. De kritische kanttekeningen in het voorgaande zijn niet bedoeld om daar iets aan af te doen. De discussie moet worden voortgezet, ook de politieke. En Raworth is bepaald niet de enige die de schade die het huidige financiële kapitalisme alom aanricht onderbelicht laat. Tot slot nog een ander voorbeeld daarvan. Het betreft de recente discussie in Nederland over ‘brede welvaart’, naar aanleiding van publicaties van het Centraal Planbureau, het Sociaal en Cultureel Planbureau en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (cpb, scp, wrr). Onderdeel van die discussie is de bevordering van circulaire economie.

In de Verkenning Brede Welvaart wordt onderzocht welke rol de transitie naar een circulaire economie kan spelen in het streven naar een brede welvaartsstaat – dat wil zeggen: alles wat mensen van waarde vinden. Het onderzoek omvat gezondheid, milieu en leefomgeving, politieke uitingsvrijheid, sociale verbondenheid, persoonlijke ontplooiing, milieu en (on)veiligheid – zowel economisch als fysiek. Van dergelijke adviesinstanties van regering en parlement hoeft men uiteraard geen politiek zwaar beladen uitspraken te verwachten. Maar kwesties zoals die hier worden besproken moeten in een brede welvaartsdiscussie wel expliciet aan de orde worden gesteld.

Onlangs werd de rapportage in de Tweede Kamer bediscussieerd. Er werden waarderende woorden gesproken, maar de discussie ging vervolgens alle kanten uit. Van gerichte aandacht voor de (on)verenigbaarheid van brede en breed gedeelde welvaart enerzijds en het financieel kapitalisme en neoliberaal beleid anderzijds was geen sprake. Misschien een goed idee om juist dat in de ontmoeting van Raworth met de Tweede Kamer eens nadrukkelijk aan de orde te stellen.

Rob Hagendijk is wetenschapssocioloog en politicoloog, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Paul Kalma is oud-directeur van de Wiardi Beckman Stichting en was van 2006 tot 2010 Tweede-Kamerlid van de PvdA