Donuts en wienermelange

Eva Coolen is er goed in om met sprekende scènes de verschrikkingen van het tienerleven op te roepen © Isabel Sánchez Olid

Stelt u zich eens een typisch Nederlands landschapsbeeld voor. Wat ziet u voor zich? Grazende koeien in groene weides onder een strakblauwe lucht? Een pittoresk zeventiende-eeuws binnenstadje met trapgevels langs de grachten? Waarschijnlijk dacht u niet meteen aan een Vinex-wijk in Almere of een winderige winkelstraat in Lelystad, terwijl dat net zo typisch Nederlands is. Het summum van het nationale maakbaarheidsideaal, zolang je er maar niet hoeft te wonen, zoals de ik-verteller en haar beste vriendin in Regeneratie: ‘We stopten voor Ruths huis, dat maar een paar straten van het mijne bleek te liggen en er identiek uitzag. Dit was zo in alle straten van dit deel, met wijken die ze letterlijk op de bodem van een drooggelegde zee haastig uit de grond hadden gestampt – vier komma acht meter onder de zeespiegel, leerden ze ons op school.’

In haar tweede roman laat Eva Coolen overtuigend en ontroerend zien dat de maakbaarheidsgedachte keerzijdes heeft, dat je van het idee dat je alles in eigen hand hebt – het landschap, rijkdom, schoonheid en seksualiteit, je geluk kortom – in de weerbarstige praktijk doodmoe en diepongelukkig kunt worden. Coolen laat zien dat je als individu vooral een product bent van je opvoeding, je omgeving, de cultuur waarin je leeft. In dat opzicht is Regeneratie een eigentijds naturalistische roman, een soort Jane Austen in de auto.

'Regeneratie' is een soort Jane Austen in de auto

De ik-verteller en Ruth, zestien en nog net zeventien, trekken in deze road novel in een rood Peugeootje van tankstation naar hotel. Ze leven op donuts en wienermelange, en betalen alles uit een doos cash geld op de achterbank. Het is duidelijk dat ze op de vlucht zijn voor iets, hoewel hun eigen leven al voldoende aanleiding is om te willen ontsnappen. Allebei komen ze uit gebroken gezinnen, zijn ze van jongs af aan door hun moeder genegeerd en daardoor al vroeg tot zelfredzaamheid gedwongen. Ze verdienen wat geld achter de kassa om merkkleding te kunnen kopen en in de zomer worden ze bruin aan een lokale plas zodat ze na de vakantie kunnen doen alsof ze naar Italië zijn geweest. Coolen is er goed in om met zulke sprekende scènes de verschrikkingen van het tienerleven op te roepen, de angst voor de genadeloze hiërarchie op het schoolplein, waar armoede en uit de toon vallen ongenadig worden afgestraft.

Je sluit ze ogenblikkelijk in het hart, deze stoere, vroegwijze tienermeisjes, met hun juicy dialogen die doorspekt zijn met popculturele referenties. Ze spiegelen zich aan succesvolle vrouwen als Cardi B en Lana Del Rey, die hun publiek voorhouden dat je rijk en mooi kunt worden als je er maar hard genoeg voor werkt (of een rijke vader hebt die je plastisch chirurg betaalt). De ik-verteller wil niets liever dan zichzelf transformeren, ‘gewoon iemand anders’ worden, het liefst door alles aan zichzelf te verbouwen. Als lezer wil je haar vooral knuffelen als doorschemert hoeveel zelfhaat ze heeft gekregen door een geïnternaliseerd schoonheidsideaal waar ze nooit aan kan voldoen, denk: een mix van Kylie Jenner en internetporno, wat onder meer leidt tot een hartverscheurende ontmaagdingsscène die je niemand gunt. Een van de motto’s van Regeneratie komt van Madonna: ‘But secretly you’d love to know what it’s like, wouldn’t you/ What it feels like for a girl?’ Coolen maakt het zeldzaam invoelbaar, de zelfbewustheid van het eigen lichaam, de eisen waaraan het moet voldoen, de effecten – of het uitblijven daarvan – op mannen.

In korte hoofdstukken ontvouwt Coolen het drama dat zich heeft voltrokken, waarvoor het pistool op het omslag al een tsjechoviaanse hint biedt. De roman zit hechter in elkaar dan je op basis van de organische flow vermoedt, de autorit in het vertelheden wordt afgewisseld met de voorgeschiedenis in een snelle, associatieve structuur: als het ene hoofdstuk eindigt met de verzuchting van Ruth dat ze ook altijd alles moet doen, blijkt uit het volgende hoe ze vroeger al de schooltassen van haar broertjes en zusjes inpakte. Steeds schort Coolen de bevestiging van je vermoedens over de gebeurtenissen een beetje op, door de ik-verteller ze dwangmatig te laten herbeleven. ‘Liever geen McDonald’s’, geeft ze toe aan Ruth: ‘Ik wilde niet tegen haar zeggen dat het een van de stappen was die ik maar bleef afgaan in m’n hoofd. Dat als ik die ene keer gewoon eerlijk had gezegd dat ik geen zin had in McDonald’s dit allemaal niet gebeurd zou zijn.’ Op tweederde van de roman beginnen die stappen uitgesmeerd te voelen, en omdat Coolen de spanning ruim vierhonderd pagina’s gelijkmatig houdt, krijgt het geheel dan ook iets vlaks.

Toch blijft Regeneratie fier overeind door het evenwicht tussen ernstige en droogkomische bespiegelingen, door Coolens beeldrijke stijl, door het levensgevoel dat steeds sterker wordt gekleurd door wanhoop en paniek. De afgelopen tijd las ik een aantal traumaromans die de directe weerslag lijken van gesprekken met een psycholoog, ze volgen een therapeutisch model en eindigen met een afgerond verhaal. Good for you, denk ik dan altijd, maar wat is er voor de lezer dan nog te doen? Coolen biedt geen duidelijk aangegeven uitweg aan haar ontnuchterde personages. Dat zou je cynisch kunnen noemen, of realistisch: er ís ook geen panklaar alternatief voor de neoliberale snelweg naar succes waar de 99 procent overheen moet, om vervolgens alsnog in eeuwige rondjes over de rotonde terecht te komen. En tegelijkertijd zit er in dit schrijnende verhaal ook een zekere troost: het is niet allemaal je eigen schuld.