Dood

Vriend Ad is zijn leven niet zeker. Hij kwam het me zelf vertellen, afgelopen zondagavond. Uit zijn broekzak haalde hij een brief die hij van zijn bank had gekregen, gericht aan de ‘erven’ die hij niet heeft. ‘Onlangs vernamen wij dat de heer Ad v. E. is overleden’, stond er. ‘Wij condoleren u met dit verlies.’ Daarna volgde een lange passage over de te nemen stappen rondom de financiële nalatenschap en de verzekering dat de bank alles in het werk zou stellen om daarbij behulpzaam te zijn. Ik schonk Ad, die een beetje bleek om de neus zag, een borrel in. ‘Het rare is’, zei hij, ‘dat ik tamelijk zeker weet dat ik er nog ben. Ik bedoel: als ik dood was, had ik die brief niet kunnen lezen. Toch?’ Ik zei dat mij dat plausibel in de oren klonk. De doden onderscheiden zich onder meer van de levenden door hun post ongeopend te laten. Bovendien duidt bewegen, praten en drinken toch ook op een zekere vitaliteit, leek me. ‘Je ziet er niet erg dood uit’, voegde ik er bemoedigend aan toe en Ad knikte, maar ik kon wel zien dat het geval hem niet lekker zat. ‘Het idee’, zei hij, ‘dat ze je na jaren van trouwe klandizie zomaar op kunnen heffen…’ We zwegen even en dachten daarover na. Vooral die zinsnede ‘onlangs vernamen wij’ had ik onheilspellend gevonden. Bij wie had Ads bank het oor te luisteren gelegd? Wat was de reden geweest dat men besloot zijn leven te beëindigen? De risico’s leken mij plotseling enorm. Iemand kruist een verkeerd vakje aan, begaat een kleine administratieve faux pas, noteert iets in het verkeerde veld en pats: afgelopen. Welke systemen houden mij eigenlijk in leven, dacht ik. Hoe lang nog? Ad had meteen de klantenservice van zijn bank gebeld, zei hij. Om te zeggen dat hij niet dood was. ‘En nu?’ zei ik. ‘Nou ja’, zei Ad, ‘ze zoeken het uit en dan laten ze het weten.’ We schudden ons hoofd en keken elkaar aan. Er viel niets te zeggen. We dronken, die avond, in het volle besef van onze kortstondigheid.