Dood

Ron Linker in het Achtuurjournaal van 19 mei. Hij staat bij vliegveld Charles de Gaulle in Parijs. Vanuit de studio in Hilversum vraagt Annechien Steenhuizen hem hoe het er voor staat

‘Na vijftien uur verkeren de familieleden van de vijftien Franse passagiers nog in gruwelijke onzekerheid over het lot van hun vermiste geliefden.’ O? denk ik dan. Dat lot lijkt mij wel duidelijk: die zijn allemaal morsdood. In Caïro klagen familieleden over de gebrekkige informatie, of dat de autoriteiten niks willen zeggen. Tja, die informatie is er niet en de betreffende autoriteiten kunnen dus niets zeggen. Clichés en voorspelbare reacties. Ik probeer me bij zulke zaken altijd in te denken hoe ik zou reageren. Ik denk niet dat ik in ‘gruwelijke onzekerheid’ zou verkeren. Ik denk dat ik zou huilen, of schreeuwen of neurotisch de ene afwas na de andere afwas weg zou werken. Zeer scherp herinner ik me nog dat ik aan het afwassen sloeg toen mijn oma begraven zou worden. ‘Wat sta jij daar als een dolle af te wassen?’ vroeg een broer. Verrek, dacht ik, zo pak ik dit dus aan. Ik zou ook niet met een camera voor mijn snufferd gaan staan klagen. Wat valt er te klagen? Je man of kind of vrouw is dood en dat is vreselijk, maar is dat de schuld van ‘de autoriteiten’ of de luchtvaartmaatschappij? Meestal niet, lijkt mij.

Het kan natuurlijk nóg erger. Dat nabestaanden van alles en iedereen gaan aanklagen. Ik snap dat niet, en als ik het hoor vraag ik me af of die nabestaanden wel beseffen dat er een geliefde dood is, of ze dat wel vóelen. Misschien is voor die nabestaanden aanklagen net zoiets als mijn afwassen. Waarom kunnen mensen niet accepteren dat er zoiets bestaat als botte, domme, pijnlijke, vooruit: gruwelijke pech? Ik sprak er eens over met een goeie vriend en die zei dat je zulke dingen ‘een beetje sportief’ moet opvatten. Ik ben het wel met hem eens. Maar aan de andere kant besef ik ook dat dat een harde uitspraak is in de oren van mensen die die pech onlangs hebben ondergaan. ‘Wacht maar tot het jezelf overkomt’, zeggen of denken ze dreigend. Want pijn en verdriet en rouw hebben een zeer strenge hiërarchie, dat heb ik in de loop van mijn leven wel geleerd. Dat je soms nauwelijks een traantje durft weg te pinken omdat je de vrouw van de dode vriend keihard ziet huilen. Dat je jezelf stil houdt als je broertje verdrinkt omdat het voor de ouders van het kind natuurlijk veel erger is.

Alles moet iets betekenen

Mensen beseffen sowieso zo weinig dat ze doodgaan en dat daarna alles voorbij is. Ik werd eergisteren opgebeld door de vpro, of ik iets wilde zeggen over de mogelijke sloop van het tuinhuisje van Jan Wolkers op volkstuinencomplex Amstelglorie, en over tuinieren in het algemeen. Voor het programma Nooit meer slapen. Dat vond ik goed, ik zou tien minuten later teruggebeld worden. In die tien minuten stelde ik mezelf maar weer eens voor hoe ik postuum zou reageren als ze mijn tuinhuisje wilden afbreken. Wat kan mij dat schelen? dacht ik. Er blijven genoeg tuinhuisjes over. Of er komt elders een nieuw tuinhuisje voor in de plaats. Tijdens het telefoongesprek kwam dat tuinhuisje natuurlijk helemaal niet ter sprake. Wat het doel was van mijn tuin? ‘Doel?’ zei ik. ‘Mijn tuin heeft helemaal geen doel, het is een tuin.’

Alles moet iets betekenen, want als de dingen niets betekenen, kun je net zo goed meteen doodgaan. Betekenis, aanklagen, afwassen: allemaal doodsbezwering. Natuurlijk komen mensen in het geweer tegen de sloop van het tuinhuisje van Jan Wolkers. Het is er altijd al geweest, roepen ze. Wat niet waar is, want voor Wolkers het kreeg, ik meen in 1971, was het van iemand anders. Zo’n beroemde schrijver, roepen ze. Ach, zullen we over vijftig jaar nog eens praten? Mensen willen geen verandering, dingen moeten zo blijven als het is, want verandering is onveilig, verandering slaat vastigheid aan diggelen. Mensen denken diep van binnen dat als alles maar precies zo blijft als het was ze niet dood zullen gaan, want ‘alles’ is álles, dus ook hun eigen leven. Ergens is dat zelfs nogal egoïstisch, immers: twee, drie generaties verder en niemand weet meer van een tuinhuisje dat een al lang dode schrijver ooit bezat op een volkstuinencomplex dat er ook al lang niet meer is omdat er huizen gebouwd moesten worden op dat stuk grond. Maar de behoud-het-wolkers-tuinhuis! spandoekdragers denken liever niet twee, drie generaties verder, want als ze dat doen, komt hun eigen sterfelijkheid wel erg dichtbij.

Is dat het? Is dat waarom mensen conservatief zijn? Geen veranderingen willen? Heeft het allemaal te maken met de dood, en vooral het bezweren van de dood? Willen mensen in ‘gruwelijke onzekerheid’ verkeren en instanties aanklagen omdat als ze dat niet doen de sterfelijkheid zo tastbaar is? Openen ze daarom – in Engeland zijn ze er dol op – hun tuinen voor publiek om ze betekenis te geven? ‘Kijk eens wat ik hier voor prachtigs aangelegd heb’ en krampachtig geen seconde denken aan nieuwe bewoners die na de aankoop onmiddellijk een graafmachine bestellen. Niets is voor de eeuwigheid. Zeker een vliegtuig niet. Dat hebben wij bedacht en gemaakt en alles wat mensen bedenken en maken kan stuk. Als er mensen in die bedachte en gemaakte dingen zitten, kunnen ze gewond raken of sterven. In the greater scheme of things – als we dan toch in een door de rhs geopende Britse tuin staan – is een enkel vliegtuig, een enkele auto of fiets een futiliteit, een zandkorreltje, een krakkemikkig tuinhuisje dat niemand zich over twintig jaar nog heugt. Laten we er een beetje sportief mee omgaan, zélfs als het dichtbij komt.