Dood = dood

Gisteren is mij iets hoogst merkwaardigs overkomen. Ik liep een ouwe vriend tegen het lijf, die volgens mij al jaren dood was. Hij, op zijn beurt, was er eveneens van overtuigd dat ik mij allang niet meer onder de levenden bevond.

Pas nu achteraf ben ik in staat deze bizarre situatie te analyseren. Wij schrokken aanvankelijk, want als je een dode de hand schudt ben je meestal zelf behoorlijk dood.
Ik dacht: het moet, gezien mijn levenswijze, een hersenbloeding zijn geweest. Mijn vriend, vertrouwde hij me later toe, dacht zijnerzijds aan een hartaanval (familiekwaal).
Wat angstig keken wij om ons heen. Waren wij in de hemel of in de hel?
Onafhankelijk van elkaar constateerden wij dat het Hiernamaals sprekend op het Rokin lijkt, ergens ten hoogte van de sigarenzaak Hajenius.
Er kwam een man naar buiten met een Cubaan boven zijn witte baard. ‘Dat zal toch niet God zijn?’ zei ik tot mijn makker van toen. Maar hij had Hem inmiddels al gegroet: 'Dag Heer’. De aangesprokene keurde ons geen blik waardig. Dat moet Hem dus inderdaad zijn geweest.
Wij klampten ons aan de ander vast als een drenkeling op een houtvlot. Druk pratend staken wij over, op weg naar het café. Een zeventonner week voor ons uit en verpletterde een jongetje op een fiets.
Wij bogen ons over het lijkje, wisselden een blik waarin wederzijds geschreven stond: 'Godzijdank, wij zijn weer thuis in de wereld van vlees en bloed.’