Robert Haasnoot

Dood gewicht

Robert Haasnoot

Steenkind

Uitg. De Geus, 159 blz., € 17,50

Drie jaar geleden verscheen van Robert Haasnoot de opmerkelijke roman Waanzee. Het bleek een boek waarover van mening verschild kon worden. Een aantal recensenten struikelde over het feit dat Haasnoot een historische gebeurtenis had gefictionaliseerd en dat niet meer duidelijk was wat «echt» was en wat niet, sommigen vonden de roman mede daardoor «niet waarachtig» en «karikaturaal», anderen lieten zich daarentegen moeiteloos meeslepen door het verhaal en Haasnoots verteltalent. Waanzee was gebaseerd op het collectieve trauma van een steil gereformeerd dorp. Vanuit Katwijk, in de roman Zeewijk genaamd, vertrok in 1915 een logger onder bezielend kapiteinschap van een levensgevaarlijke gek. Hij wist de rest van de bemanning, bestaande uit zo’n dertien man in totaal, ervan te overtuigen dat het einde der tijden was gekomen en dat zij koers moesten zetten naar Jeruzalem. Haasnoot beschreef geloofwaardig hoe niemand aan zijn greep ontkwam en een aantal zelfs zover ging om hun minder godvruchtige maten om zeep te helpen.

Behalve een saillante geschiedenis werd het historische gegeven een exemplarisch verhaal over godsdienstwaanzin door de wijze waarop de schrijver er een roman van maakte. Haasnoot vond een passende, gedragen schrijfstijl die weinig met modern Nederlands van doen heeft en toch volstrekt natuurlijk aandoet. «Bang en verward luisteren ze naar de woorden van het dankgebed. Een razen en dalen van onheil, een vloed van angst, een zee van waan.» Een erg knappe, meeslepende en in zekere zin exotische roman.

Dit lijkt een lange introductie om een teleurstelling in te kleden. Inderdaad vraag ik me af of ik Haasnoots nieuwe roman Steenkind hier zou bespreken als ik Waanzee niet zo mooi had gevonden. In veel opzichten is Steenkind een nogal gewone roman, zij het dat ik in het licht van mijn eerdere leeservaring vooralsnog bereid ben dat «gewone» bedrieglijk te noemen.

Wederom is het decor Zeewijk, maar het beschreven drama is een stuk kleinschaliger dan in Waanzee. De vijftienjarige Wouter is op een ochtend zijn ouders kwijt; van een nachtelijke escapade richting strand zijn ze niet teruggekeerd. Het lichaam van de vader spoelt na enige tijd aan, dat van de moeder wordt niet teruggevonden. Wouter blijft achter met zijn oudere broer Stijn die er op zijn manier het beste van probeert te maken. De kunsthandel van hun vader zal moeten worden opgedoekt, misschien dat de handel verlegd zal worden naar de platenbusiness.

Het vertelperspectief ligt consequent bij adolescent Wouter die nogal kinderlijk lijkt voor zijn leeftijd. De zinnen zijn kort, het verhaal wordt staccato verteld. «Gestommel op de overloop, daarna in de badkamer. De vogels om het huis tjilpen treuzelig, want het is nog vroeg en stil. Zolang ik niet beweeg voel ik mijn lichaam niet en dat zweverige gevoel moet ik een poosje zien vast te houden, in ieder geval zolang Stijn hier rondloopt.»

Op zolder zoekt Wouter tussen de kleren van zijn moeder, probeert haar geur op te snuiven. Hij blijft zozeer naar haar op zoek dat hij steeds sterker meent haar te zien, in de duinen, op zee, op zolder. Zijn verbeeldingskracht wordt gevoed door de bijbellezing van zijn tante; ze heeft voor hem een aantal passages op de band gezet. Vooral het boek Job spreekt hem aan. «Kon ik maar zo mooi praten als Job.» Het magische denken van Wouter, en zijn eigen verzet daartegen, heeft Haasnoot mooi onder woorden gebracht. «Had ik maar dit, had ik maar dat, zo gaat het altijd, maar ondertussen is het al gebeurd en kan ik er niets aan veranderen, al leef ik nog duizenden andere levens.» Want hoe je het ook wendt of keert, en welke woorden je ook kiest om God aan te spreken: «Doodgaan overkwam alle mensen.»

Alsof de persoonlijke worsteling van Wouter met de grote vragen des levens niet genoeg drama zou opleveren, heeft de schrijver nog een intrige toegevoegd. Er is een suggestie van fout gedrag van vaderszijde tijdens de oorlog, ingegeven door winstbejag maar misschien ook door seksuele jaloezie. Dit verraad zou een huwelijksleven lang hebben kunnen dooretteren, tot in de fatale nacht de definitieve klappen vielen. Zou kunnen. De suggestie blijft net te ijl om echt te gaan leven als raadsel. Erger is dat de roman er ook niet meer diepte of spanning door krijgt, maar eerder een beetje slap ervan wordt, alsof elk mysterie toch een ontknoping zou behoeven.

De combinatie van de kinderlijk-droge schrijfstijl met de vage verhaallijnen is al met al geen gelukkige: Steenkind gaat ten onder aan zijn eigen dode gewicht. De roman ademt een gevoelige precisie maar is ook kleurloos. Het lijkt alsof Haasnoot niet heeft kunnen kiezen welk verhaal hij wilde vertellen, en gevoelige materie al te voorzichtig heeft benaderd.